De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.4:2.4 De eerste ontwikkeling: het Doetinchemse ijzergieterij-arrest (HR 1 april 1949)
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.4
2.4 De eerste ontwikkeling: het Doetinchemse ijzergieterij-arrest (HR 1 april 1949)
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS387021:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 m.nt. Ph.A.N. Houwing (Doetinchemse Ijzergieterij).
Zie bijvoorbeeld Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 394.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegen de hierboven geschetste achtergrond wees de Hoge Raad op 1 april 1949 het inmiddels beroemde arrest inzake Doetinchemse Ijzergieterij.1 Tegenwoordig wordt het arrest beschouwd als de basis van het leerstuk van het vennootschappelijk belang als richtsnoer voor de taakvervulling van bestuurders en commissarissen2 en is de centrale rechtsregel van het arrest gecodificeerd in artikel 2:140 BW (voor commissarissen) en sinds 1 januari 2013 in artikel 2:129 BW (voor bestuurders). Achteraf bezien markeerde het arrest een breuklijn in de rechtsontwikkeling waarmee de N.V. – ook voor besloten vennootschappen – normatief en juridisch gezien definitief in de richting van een zelfstandig instituut zou opschuiven. Destijds stuitte het arrest op felle kritiek vanuit de wetenschap en het zou nog jaren duren voordat de in het arrest neergelegde rechtsregels algemeen zouden worden aanvaard.
2.4.1 Casus2.4.2 Ontvangst en commentaar