De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/1.1:1.1 Aanleiding
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/1.1
1.1 Aanleiding
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS372699:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Meer informatie over het Nederlands burgerlijk procesrecht, zie: Snijders e.a., 2007; Stein & Rueb, 2009.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 januari 2002 is het burgerlijk procesrecht in Nederland gewijzigd.1 De comparitie na antwoord (hierna: zitting) heeft hierdoor een centrale positie gekregen binnen de Nederlandse civiele procedure. Onder het oude recht was de zitting een soort intermezzo tussen twee schriftelijke rondes. Na de dagvaarding, conclusie van eis en conclusie van antwoord had de rechter de mogelijkheid een comparitie na antwoord te gelasten als hij de zaak daarvoor geschikt achtte. Of er nu een zitting plaatsvond of niet, partijen hadden daarna nog recht op conclusies van repliek en dupliek en recht op pleidooi voordat vonnis werd gewezen. Hierdoor werd de zitting gekenmerkt door een zekere mate van vrijblijvendheid. Partijen hadden immers de zekerheid daarna nog aan het woord te komen, waardoor de zaak tijdens de zitting vaak nog niet volledig uitgekristalliseerd was (Van Mierlo, 2002). Dit maakte de zitting niet bijzonder effectief, omdat rechters zich moeilijk op de zitting konden voorbereiden (Verschoof, 2004).
Vanaf 1 januari 2002 hebben partijen in beginsel slechts één mogelijkheid om schriftelijk aan te geven wat hun stellingen zijn, in respectievelijk de dagvaarding en de conclusie van antwoord. Daarna gelast de rechter een comparitie na antwoord, tenzij hij oordeelt dat de zaak daarvoor niet geschikt is. Er is na de zitting in beginsel geen gelegenheid meer voor repliek en dupliek of pleidooi en meestal wordt meteen vonnis gewezen. Partijen moeten er dus voor zorgen dat de zaak uiterlijk op de zitting goed uit de verf komt, omdat zij anders vaak te laat zullen zijn. Partijen worden daarnaast ook gestimuleerd om de kern van de zaak zo spoedig mogelijk in de procedure naar voren te brengen door de bewijsaandraag- en substantiëringsplicht en de aanscherping van de eis van redelijke spoed. Door de wetswijzigingen van 1 januari 2002 is de zitting dus een zeer belangrijke stap in de civiele procedure geworden. Het gebruik van de zitting is de afgelopen jaren ook toegenomen. Tussen 1 mei 2002 en 31 augustus 2002 lag het percentage gelaste comparities na antwoord op 60% (Groeneveld & Klijn, 2002). In 2003 lag dit percentage bij meer dan de helft van de rechtbanken al op 71% of hoger (Eshuis, 2007).
Hoe de Nederlandse rechter een zitting het beste kan aanpakken is niet helder. Hierdoor bestaan in de praktijk verschillen in aanpak tussen rechters (Verschoof, 2004). Rechters lopen vaak tegen dezelfde vragen aan: Hoeveel informatie geef ik de procesdeelnemers over de zitting? Hoeveel ruimte geef ik hen om hun verhaal te doen? Hoe geef ik een voorlopig oordeel en hoe ver ga ik daarin? Hoe voorkom ik zogenoemde dwangschikkingen? Hoeveel tijd besteed ik respectievelijk aan het verkrijgen van inlichtingen en het faciliteren van een schikking’?
De vraag rijst of er een werkwijze voor een goede zitting geformuleerd kan worden. Een vraag die daaraan vooraf gaat is hoe de huidige zittingspraktijk eruit ziet en waar aandachtspunten voor verbetering liggen. De huidige zittingspraktijk wordt in dit onderzoek in kaart gebracht in termen van doelbereik en rechtvaardigheid. Doelbereik heeft enerzijds betrekking op de mate waarin de doelen die de wetgever voor de zitting geformuleerd heeft, worden gerealiseerd. Anderzijds gaat doelbereik over de mate waarin de persoonlijke doelen van de verschillende aanwezigen worden gerealiseerd. Verder is in een groot aantal sociaal-wetenschappelijke studies naar voren gekomen dat deelnemers aan een procedure het belangrijk vinden dat deze rechtvaardig is. Ook de ervaren rechtvaardigheid in de huidige zittingspraktijk wordt daarom onderzocht.