Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.4.4.3
4.4.4.3 De bevoegdheid volgens de Benelux-Overeenkomst
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399536:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag van 24 mei 1966, Tri). 1966, 178.
Dit volgt uit art. 3 van het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971. Het feit dat zowel Nederland als Frankrijk bij dit verdrag is aangesloten, maakte het voor partijen eenvoudig het hierover eens te worden.
Rb. 's Hertogenbosch 16 april 1993, NJ 1997, 19.
Toelichting op art 7 Benelux-Overeenkomst, Trb. 1966, 178, p. 40.
Deze laatste stelling is sindsdien bevestigd door HvJ EG 6 december 1994, nr. 406/98 (Tatry/Maciej Rataj),Jur. 1994, p. 1-5439, NJ 1995, 659.
Zie de woorden waarmee art. 7 Gemeenschappelijke bepalingen aanvangt: 'Voor de uitvoering van de bepalingen van deze wet ....'
Zie voor een zeer kritische bespreking van dit vonnis van de Rechtbank Den Bosch Borgesius 1997, p. 16 e.v.
Rb. Zutphen 14 december 2000, VR 2001, 157.
Zie art. 2, § 1 van de Benelux-Overeenkomst.
Zie hiervoor, par. 4.4.42.
Verordening Brussel I bevat een regeling voor de verhouding met andere, bijzondere bevoegdheidsverdragen, waarbij lidstaten partij kunnen zijn. Art. 71 lid 1 van de Verordening bepaalt, dat de Verordening:
"onverlet (laat) de verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen."
Art. 71 lid 2 geeft een regel om de eenvormige uitlegging van het lid 1 te waarborgen:
"a) deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst (...)."
Bestaande verdragen en overeenkomsten worden dus geëerbiedigd. Het is dus zaak te onderzoeken of Nederland, op het terrein van de motorrijtuigverzekering, partij is bij bijzondere verdragen of overeenkomsten. Dat is inderdaad het geval. Nederland is niet alleen partij bij het EU-Verdrag en daarmee gebonden aan de Verordening Brussel I en het Verdrag van Lugano, maar ook aan de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen1 en de daarbij behorende Gemeenschappelijke bepalingen. Volgens art. 1, § 1 van de overeenkomst zijn de Verdragsluitende Partijen verplicht hun nationale wetgeving op het gebied van de verplichte motorrijtuigverzekering aan te passen aan deze Gemeenschappelijke bepalingen. Art. 7 van de Gemeenschappelijke bepalingen bevat een regeling van de rechterlijke bevoegdheid, die ruimer is dan die van Verordening Brussel I of Verdrag van Lugano.
De vraag moet worden onderzocht wat de verhouding is tussen deze Benelux-Overeenkomst en de Gemeenschappelijke bepalingen enerzijds en de EU-regels anderzijds. Daarbij moet worden bezien of, en zo ja in hoeverre deze Benelux-regels ook relevant zijn als een der partijen in een andere EU-lidstaat dan België, Nederland of Luxemburg woonplaats heeft.
Art. 7 Gemeenschappelijke bepalingen luidt als volgt:
"Voor de uitvoering van de bepalingen van deze wet kan de verzekeraar door de benadeelde in België - in Luxemburg - in Nederland worden gedagvaard, hetzij voor de rechter van de plaats van het feit, waaruit de schade is ontstaan, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de benadeelde, hetzij voor de rechter van de zetel van de verzekeraar."
In de Wam is deze bepaling overgenomen in art. 7.
Vóór de hiervoor besproken gewijzigde interpretatie van art. 11 lid 2 van Verordening Brussel I was de vraag relevant of art. 7 Gemeenschappelijke bepalingen jo. art. 71 Verordening Brussel I meebrengt, dat de Nederlandse benadeelde (maar hetzelfde zou dan hebben te gelden voor zijn Belgische of Luxemburgse lotgenoot) de verzekeraar kan dagvaarden voor het gerecht van zijn, benadeelde's, woonplaats.
Het antwoord op die vraag is duidelijk bevestigend, als de gedaagde partij, de verzekeraar, gevestigd is (woonplaats heeft) in een der Benelux-staten. Art. 71 Verordening Brussel I eerbiedigt, zoals gezegd, bestaande verdragen en overeenkomsten. Het antwoord op de vraag of dat ook het geval zou zijn geweest als de verweerder in een andere lidstaat van de EU woont, was minder duidelijk.
In een tweetal procedures is die vraag in ons land aan de orde geweest.
In het ene geval ging het om een ongeval dat een Nederlandse ingezetene in Frankrijk was overkomen en waarvoor een Franse motorrijtuigbestuurder aansprakelijk was, wiens aansprakelijkheid bij een Franse verzekeringsmaatschappij was verzekerd. Partijen zijn het er over eens dat de Franse bestuurder aansprakelijk is en dat op het feitencomplex Frans recht moet worden toegepast.2 Het geschil gaat louter en alleen over de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade. De verzekeraar beroept zich in een bevoegdheidsincident voor de Nederlandse rechter op de onbevoegdheid van die rechter.
In dit incident komt de rechtbank 's Hertogenbosch tot de conclusie dat aan de benadeelde inderdaad een actie voor het gerecht van zijn eigen woonplaats toekomt.3
De rechtbank stelt om te beginnen dat de Benelux-Overeenkomst een verdrag is met betrekking tot een bijzonder onderwerp als bedoeld in art. 57 lid 1 EEX-Verdrag (thans art. 71 Verordening Brussel I). Deze overeenkomst biedt de benadeelde de mogelijkheid om de schade rechtstreeks te verhalen op de verzekeraar van de veroorzaker en wel voor de rechter van zijn eigen woonplaats. Dat is de grondslag van de onderhavige procedure en op basis van die grondslag moet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter worden beoordeeld.
Het is de vraag of de rechtbank dit juist ziet. Om te beginnen is de werking van de Benelux-Overeenkomst beperkt tot ongevallen in België, Nederland en Luxemburg. Volgens de toelichting heeft de overeenkomst:
"alleen betrekking op in België, (Nederland, Luxemburg) voorgevallen ongevallen. Zulks vloeit voort uit de algemene opzet van het ontwerp en uit artikel 3 waarin het voorwerp van de verplichte verzekering is aangegeven.
Bij de lezing van het onderwerpelijke artikel moet met die opzet rekening worden gehouden."4
Alleen al hierom voldoet art. 7 Benelux-Overeenkomst niet aan de voorwaarde van art. 51 lid 1 EEX-Verdrag, dat het verdrag de rechterlijke bevoegdheid regelt voor dit bijzondere onderwerp.
Ter afwering van de vordering stelt de verzekeraar zich primair op het standpunt dat de rechtsstrijd zich beperkt tot de vraag van de schadeomvang en dat de Benelux-Overeenkomst daarover niets zegt, maar dat doet volgens de rechtbank niet ter zake. Ook het subsidiaire verweer dat de Nederlandse rechter zich op doelmatige en proceseconomische gronden van berechting van de zaak zou moeten onthouden omdat hij vreemd recht moet toepassen, vindt in de ogen van de rechtbank geen genade. Een keuze van competentieregels komt de rechter niet toe: in het stelsel van het EEX-Verdrag hebben de bevoegdheidsbepalingen in bijzondere verdragen voorrang boven die in het EEX-Verdrag.5
Het primaire verweer van de verzekeraar dat de rechtsstrijd niet over de aansprakelijkheidsvraag gaat maar over de schadeomvang, is niet sterk. Inderdaad zwijgt de Benelux-Overeenkomst over vragen van materieel aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. In het kader van de versterking van de positie van de benadeelde wordt deze wel een rechtstreekse actie jegens de verzekeraar en toegang tot een aantal gerechten toegekend, die hem zonder het verdrag niet zouden toekomen. De rechtbank ziet over het hoofd dat het hier gaat om een vordering tegen een verzekeraar die in het geheel niet door de Wam of de Benelux-Overeenkomst wordt beheerst, maar door Frans recht.6
Het subsidiaire verweer snijdt proces-economisch gezien wel hout. Het lijkt mij alleen niet aan de rechter om louter uit overwegingen van proceseconomie tot onbevoegdheid te besluiten. Op zichzelf acht ik het wel wenselijk dat de benadeelde zijn vordering tegen de verzekeraar voor zijn eigen gerecht aanhangig kan maken. De daaruit voortvloeiende proceseconomische nadelen kunnen echter alleen effectief worden bestreden door kwesties van aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht te beoordelen naar het recht van de woonplaats van de benadeelde.7
De Rechtbank Zutphen zag het zuiverder. In een vonnis van 14 december 2000 komt zij tot een conclusie tegenovergesteld aan die van de Rechtbank 's Hertogenbosch: de Nederlandse rechter komt geen macht toe om van de vordering van de Nederlandse benadeelde tegen een verzekeraar uit een andere dan een Benelux-staat kennis te nemen.8
In dit geschil ging het om een ongeval in Zwitserland, veroorzaakt door een ingezetene van dat land, die zijn aansprakelijkheid bij een Zwitserse verzekeraar had verzekerd. Weliswaar is Zwitserland geen lid van de EU, maar het is wel gebonden aan het - in dit opzicht aan het EEXVerdrag gelijkluidende - Verdrag van Lugano, zodat de vraag naar de betekenis van art. 7 Gemeenschappelijke bepalingen toch aan de orde kon komen. Ook hier zijn partijen het er over eens, dat de lex loci delicti en dus Zwitsers recht moet worden toegepast. De zaak wordt aan de Nederlandse rechter voorgelegd.
De rechtbank overweegt om te beginnen dat aan de Gemeenschappelijke bepalingen geen rechtstreekse werking toekomt, omdat de Benelux-Overeenkomst het in de eerste plaats toestaat dat de lidstaten benadeelden een hoger beschermingsniveau bieden. Minimumharmonisatie derhalve. In de tweede plaats kunnen de Benelux-staten bij de implementatie van de Gemeenschappelijke bepalingen uitzonderingen maken.9
Maar ook als dat al anders zou zijn, dan nog komt aan de Nederlandse rechter in de visie van de rechtbank geen rechtsmacht toe. Immers: de Wam, met name art. 7 - en hetzelfde heeft te gelden voor de Gemeenschappelijke bepalingen - ziet op verzekeringen die ten behoeve van Nederlandse motorrijtuigen worden gesloten, terwijl het hier gaat om een door een Zwitserse verzekeringsmaatschappij voor een Zwitsers voertuig afgegeven dekking. Die aansprakelijkheid is niet volgens de Wam gedekt, zodat de Wam ook niet kan worden toegepast.
Hoewel ook de Rechtbank Zutphen zich niet op de werkingssfeer, en daarmee op het al dan niet op deze casus van toepassing zijn van de Benelux-Overeenkomst, baseert, bevredigt dit vonnis meer dan dat van de Rechtbank 's Hertogenbosch. Deze laatste opvatting brengt een wel heel ruime bevoegdheid van de Nederlandse rechter mee en zet het stelsel van de Verordening Brussel I, althans voor wat betreft internationale verkeersongevallen, op zijn kop.
Wat overigens zij van de juistheid van deze beide vonnissen, in het licht van de gewijzigde interpretatie van art. 11 lid 2 van Verordening Brussel I is dit - althans voor 'zwakke' partijen - een academische kwestie geworden: de rechter van de woonplaats van de benadeelde is bevoegd om van de vordering van deze tegen de verzekeraar kennis te nemen.
De vraag blijft echter van belang voor niet als zwakke partij (in de zin van het Vorarlberger-arrest van het HvJ EU) aan te merken verhaal zoekende partijen.10