Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.9:9.3.9 Iedere schuldeiser heeft een zelfstandig wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.9
9.3.9 Iedere schuldeiser heeft een zelfstandig wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648800:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Bartman, noot bij HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 en in gelijke zin De Neve 2002, p. 235-242 en Blom 2005, p. 180.
Zie art. 6:7 lid 2 BW: “Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is aan wie het wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon die een 403-verklaring heeft gedeponeerd aan te spreken toekomt. Indien iedere schuldeiser zelfstandig een beroep kan doen op de 403-verklaring, dus ook de schuldeiser die de vordering op de vrijgestelde rechtspersoon verkrijgt door cessie, dan is de overdracht van het wilsrecht of de 403-vordering niet nodig om de schuldeiser van de hoofdvordering de mogelijkheid te geven om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken. Dit wordt ook wel de ontspringingstheorie genoemd.1
Voor de cessionaris die een hoofdvordering verkrijgt, is de vraag of een 403-vordering overdraagbaar is nog steeds van belang om ervoor te zorgen dat de cedent niet alsnog de consoliderende rechtspersoon kan aanspreken op basis van de 403-vordering, waardoor de cessionaris de door hem verkregen vordering teniet zou zien gaan als de consoliderende rechtspersoon nakomt jegens de cedent.2