HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:187, r.o. 3.3.2.
HR, 25-11-2025, nr. 24/02449
ECLI:NL:HR:2025:1772
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
24/02449
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1772, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:887
ECLI:NL:PHR:2025:887, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1772
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Deelneming aan criminele organisatie die zich bezighoudt met productie van BMK en amfetamine (art. 11b Opiumwet). Verbeurdverklaring van inbeslaggenomen geldbedrag (€ 12.250), art. 33a.1.a en 33a.1.e Sr. Onder “strafbaar feit” in art. 33a.1 Sr moet bewezenverklaard feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat 1 van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. bewezenverklaard feit (vgl. HR:2020:9). V.zv. hof heeft geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat inbeslaggenomen geldbedrag is verkregen d.m.v. bewezenverklaarde deelneming aan criminele organisatie, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Hof heeft immers geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat geldbedrag d.m.v. die deelneming aan organisatie is verkregen, terwijl enkele omstandigheid dat verdachte is veroordeeld voor deelneming aan organisatie niet met zich brengt dat geldbedrag niet uit andere hoofde aan verdachte kan toebehoren. Ook omstandigheid dat geldbedrag deels bestond uit coupures van € 500, maakt dat niet anders. V.zv. hof heeft geoordeeld dat geldbedrag, gelet op ongebruikelijke coupures, bestemd kan zijn voor plegen van “(andere) misdrijven”, heeft hof miskent dat de in art. 33a.1.e Sr genoemde grond zich moet voordoen t.a.v. bewezenverklaard feit. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. verbeurdverklaring van geldbedrag. Samenhang met 24/02394 P, 24/02424, 24/02445, 24/02466, 24/02467 en 24/02506.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02449
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 juni 2024, nummer 20-001192-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.S. Nan bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van een geldbedrag € 12.250,-, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 12.250.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en na te noemen personen, te weten
in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te [plaats] , en/of te [plaats] en/of elders in Nederland met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk
- het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en
- het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet.”
3.2.2
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet”.
3.2.3
Het hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring overwogen:
“Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 12.250,00, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu er aanwijzingen zijn dat het voorwerp geheel of grotendeels door middel van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is verkregen. De verklaring van verdachte dat dit geld afkomstig is (...) uit en bestemd is voor de autohandel acht het hof ongeloofwaardig, nu verdachte wordt aangemerkt als deelnemer van een criminele organisatie gericht op een lab waarin synthetische drugs zijn geproduceerd, hij daarin een financieel aandeel had en voorts gelet op het aantal ongebruikelijke coupures dat is aangetroffen, waaronder biljetten van 500 euro (...). Ook kan het geldbedrag, gelet op deze ongebruikelijke coupures, bestemd zijn voor het plegen van (andere) misdrijven. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voor zover daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.”
3.3.1
Artikel 33a lid 1, aanhef en onder a en e, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen
(...)
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd.”
3.3.2
Onder ‘het strafbare feit’ in artikel 33a lid 1 Sr moet het bewezenverklaarde feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in artikel 33a lid 1 Sr genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. (Vgl. HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9.)
3.4
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat het inbeslaggenomen geldbedrag is verkregen door middel van de bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat het geldbedrag door middel van die deelneming aan de organisatie is verkregen, terwijl de enkele omstandigheid dat de verdachte is veroordeeld voor deelneming aan de organisatie niet met zich brengt dat het geldbedrag niet uit andere hoofde aan de verdachte kan toebehoren. Ook de omstandigheid dat het geldbedrag deels bestond uit coupures van € 500, maakt dat niet anders.Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het geldbedrag, gelet op de ongebruikelijke coupures, bestemd kan zijn voor het plegen van “(andere) misdrijven”, heeft het hof miskend dat, zoals onder 3.3.2 is vooropgesteld, de in artikel 33a lid 1, aanhef en onder e, Sr genoemde grond zich moet voordoen ten aanzien van het bewezenverklaarde feit.
3.5
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Samenhang met 24/02394, 24/02424, 24/02467, 24/02466 en 24/02506. Middel 1 klaagt over de strafmotivering. Middel slaagt maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Middel 2 klaagt over de beslissing tot verbeurdverklaring van geldbedrag. Middel slaagt nu 's hofs oordeel niet toereikend is gemotiveerd. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02449
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 20 juni 2024 (parketnummer 20-001192-21) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr. Daarnaast heeft het hof enkele voorwerpen onttrokken aan het verkeer en een geldbedrag van € 12.250,- verbeurdverklaard.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 24/02394 ( [medeverdachte 1] ), 24/02424 ( [medeverdachte 2] ), 24/02467 ( [medeverdachte 3] ), 24/02466 ( [medeverdachte 4] ), 24/02445 ( [medeverdachte 7] ) en 24/02506 ( [medeverdachte 6] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat in 's‑Gravenhage, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het eerste middel klaagt dat de straf onbegrijpelijk is gemotiveerd, aangezien het hof rekening heeft gehouden met de onherroepelijke oplegging van een gevangenisstraf die in werkelijkheid niet is opgelegd.
5. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel van de strafmotivering van het hof:
“Verder heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2024. Daaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder een veroordeling in 2005 voor overtreding van de Opiumwet. De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Deze veroordeling dateert weliswaar van zeer lange tijd geleden, maar toont anderszins wel aan dat de verdachte geen onbeschreven blad is op het gebied van de Opiumwet en dat deze veroordeling hem er kennelijk niet van heeft weerhouden zich jaren laten opnieuw schuldig te maken aan dergelijk strafbaar feit.”
6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 april 2024, waaruit blijkt dat de politierechter in de rechtbank te Arnhem bij vonnis van 17 juni 2005 de verdachte wegens hennepteelt heeft veroordeeld tot een werkstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, en dat dit vonnis op 16 november 2005 onherroepelijk is geworden.
7. Voor ’s hofs vaststelling dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, is dus geen steun te vinden in het genoemde uittreksel. Het middel klaagt daarover terecht.
8. Tot cassatie hoeft dit niet te leiden. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat het abuis van het hof van invloed is geweest op de soort en duur van de door hem opgelegde straf.
Het tweede middel
9. Het middel klaagt dat de beslissing tot verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 12.250,- ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke in artikel 33a lid 1 sub a, b of c Sr genoemde grond de verbeurdverklaring is gebaseerd en hoe het geldbedrag verband houdt met het bewezen verklaarde feit.
10. In de kern behelst het middel de klacht dat de bewijsvoering niets inhoudt waaruit kan volgen dat het verbeurdverklaarde bedrag uitsluitend of grotendeels, direct of indirect, door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit is verkregen. Uit alles, zo stelt het middel, kan blijken dat de deelneming zag op het aangetroffen drugslaboratorium dat eerder als noodlijdend dan als winstgevend beschouwd dient te worden.
De bespreking van het middel
11. Het hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring van het geldbedrag het volgende overwogen:
“Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 12.250,00, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu er aanwijzingen zijn dat het voorwerp geheel of grotendeels door middel van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is verkregen. De verklaring van verdachte dat dit geld afkomstig is en uit en bestemd is voor de autohandel acht het hof ongeloofwaardig, nu verdachte wordt aangemerkt als deelnemer van een criminele organisatie gericht op een lab waarin synthetische drugs zijn geproduceerd, hij daarin een financieel aandeel had en voorts gelet op het aantal ongebruikelijke coupures dat is aangetroffen, waaronder biljetten van 500 euro (map 16, p. 3472-3473). Ook kan het geldbedrag, gelet op deze ongebruikelijke coupures, bestemd zijn voor het plegen van (andere) misdrijven. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voor zover daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.”
12. Uit ’s hofs overweging kan worden afgeleid dat het hof de verbeurdverklaring heeft doen steunen op artikel 33a lid 1 sub a Sr. Op grond van deze bepaling zijn vatbaar voor verbeurdverklaring “voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen”. Het gaat om voorwerpen die (geheel of ten dele) kunnen worden aangemerkt als het product of de opbrengst van het bewezen verklaarde feit.1.De vatbaarheid voor verbeurdverklaring hoeft niet te blijken uit bewijsmiddelen, maar moet wel berusten op gegevens die zijn gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting.2.
13. Het geldbedrag dat het hof heeft verbeurdverklaard, is volgens het hof afkomstig uit de misdrijven waarop het oogmerk van de criminele organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen, was gericht. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en na te noemen personen, te weten
* in de periode van 13 juni tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, en/of te Tiel en/of elders in Nederland met [betrokkene 1] en [medeverdachte 4] en [betrokkene 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3]
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk
- het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en
- het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van Opiumwet.”
14. Wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het drugslab staat volgens het hof vast dat hij financieel heeft bijgedragen aan (geïnvesteerd in) het drugslab, veelvuldig contact/ontmoetingen heeft gehad met de medeverdachte [betrokkene 1] , heeft gefungeerd als tussenpersoon tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 4] , heeft gefungeerd als ‘assistent’ van de medeverdachte [medeverdachte 4] en ervoor heeft gezorgd dat het drugslab zou worden opgeruimd.
15. Over het geldbedrag in kwestie verklaart de verdachte dat er ten behoeve van hem – de verdachte heeft een eigen autobedrijf – drie of vier auto’s zijn gekocht op de markt, die door hem dienden te worden afgerekend. Dat er coupures van vijfhonderd euro zijn aangetroffen is volgens de verdachte niet vreemd, nu er iedere week contant wordt betaald op de automarkt.3.
16. Het hof heeft in het arrest overwogen dat de verklaring van de verdachte, te weten dat het geld afkomstig is uit en bestemd is voor de autohandel, ongeloofwaardig is gelet op de bewezen verklaarde deelneming van de verdachte aan de criminele organisatie die zich bezighield met Opiumwetfeiten. Het hof heeft daarbij ook de omstandigheid dat het in beslag genomen geldbedrag uit ongebruikelijke coupures bestond in aanmerking genomen.
17. Dit oordeel acht ik echter niet toereikend gemotiveerd. De door de verdachte naar voren gebrachte stelling dat het in beslag genomen geldbedrag verband houdt met de autohandel waarmee verdachte’s bedrijf zich bezighoudt en – in het bijzonder – met de (contant te betalen) aankoop van auto’s, is m.i. niet reeds ongeloofwaardig op de grond dat de verdachte (tevens) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Ook voor het aantreffen van een aantal coupures van vijfhonderd euro heeft de verdachte een verklaring gegeven waaraan het hof m.i. niet zonder nadere motivering voorbij kon gaan. Het gaat mij met name te ver om als feit van algemene bekendheid aan te nemen dat in 2019 in de autobranche in het geheel geen contante betalingen werden gedaan met coupures van vijfhonderd euro.
18. Het middel slaagt.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
19. Ambtshalve wijs ik erop dat mocht de Hoge Raad uitspraak doen na 26 oktober 2025, dit met zich zou brengen dat in cassatie de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, wordt overschreden.4.Vooralsnog houd ik het erop dat het zo ver niet komt.
Slotsom
20. Het eerste middel is terecht voorgesteld maar dat hoeft m.i. niet tot cassatie te leiden. Dit middel kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO te ontlenen motivering. Het tweede middel slaagt.
21. Behoudens hetgeen ik onder 19 heb opgemerkt, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van een geldbedrag € 12.250,-, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/109.
Zie het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 26 januari 2021.
Het cassatieberoep is op 26 juni 2024 ingesteld. De redelijke termijn loopt af op 26 oktober 2025.