Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.3.4:6.3.3.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.3.4
6.3.3.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607848:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stevens (2001) merkt op dat het begrip ‘samenwerkingsverband’ een wettelijke omschrijving verdient, temeer omdat dit begrip niet alleen een rol speelt in art. 3.6 lid 2 Wet IB 2001, maar ook in andere fiscale regelingen. Te denken valt aan art. 3.41 Wet IB 2001 voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, art. 3.42 lid 4 Wet IB 2001 ten aanzien van de energie-investeringsaftrek, art. 3.63 lid 4 Wet IB 2001 voor de geruisloze overdracht van een onderneming aan een medeondernemer, de terbeschikkingstellingsregelingen van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 en art. 10d lid 5 Wet VPB 1969 voor de toepassing van de thin-capmaatregel. In vergelijkbare zin vindt de commissie ‘Terbeschikkingstellingsregeling’ van de Vereniging van Belastingwetenschap (2005) het opvallend dat het gelijknamige begrip ‘samenwerkingsverbanden’ in art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 niet is gedefinieerd.
Naar mijn mening is het op basis van de vereenzelvigingsfunctie en de antiontgaansfunctie op zich begrijpelijk dat voor het begrip ‘samenwerkingsverband’ een open normering geldt, die niet volstrekt duidelijk is. Echter, enige invulling van het begrip op basis van de ervaringen die tot op heden zijn opgedaan, lijkt mij wel mogelijk. In dit verband zou bijvoorbeeld kunnen worden verduidelijkt dat dit in elk geval de maatschap, VOF en CV betreft, en na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel ‘Invoering van titel 7.13 BW’ (31 065), de SV, OV, OVR, CV en CVR. Voorts zou kunnen worden vastgelegd dat de ondermaatschap en onder-VOF en variaties hierop, als een ‘samenwerkingsverband’ worden beschouwd. Tevens zou kunnen worden verduidelijkt welke vormen er in elk geval niet onder vallen, zoals de BV of NV en andere non-transparante entiteiten. Dit zou naar mijn mening de kenbaarheid van de bepaling kunnen vergroten zonder afbreuk te doen aan haar ruime strekking. Deze nadere invulling zou ook kunnen gelden voor het gelijknamige begrip ‘samenwerkingsverband’ in de bepalingen van art. 3.41 en 3.42 lid 4, art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001, omdat het begrip daar ook een vereenzelvigingsfunctie heeft. In art. 3.63 lid 4 Wet IB 2001 en art. 10d lid 5 Wet VPB 1969 heeft het begrip weliswaar een facilitaire functie, en geen vereenzelvigingsfunctie, maar ik meen dat de genoemde invulling in deze bepalingen ook niet bezwaarlijk zou zijn.
Behalve het begrip ‘verbonden personen’ in art. 3.6 lid 3 Wet IB 2001 bestaan er voor de inkomstenbelasting nog vier vergelijkbare begrippen die uitgaan van een ‘verbonden persoon’. Deze andere begrippen hebben eveneens een vereenzelvigingsfunctie en een antiontgaansfunctie en zij kunnen daarom naar mijn mening worden geüniformeerd. Ik werk dit nader uit in paragraaf 6.3.6 bij de analyse van het begrip ‘verbonden persoon’ in de zin van art. 3.91 Wet IB 2001.