Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.3.5
2.3.5 Maatschap vs. informele vereniging
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS588060:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer 5-V 1995/8-11 en 31-33; Zaman 2007, p. 13; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/8-11 en 31-33; Tervoort 2015d, nr. 2.9.7.
Zie over de informele vereniging: art. 2:30 BW; en Asser/Rensen 2-III* 2012/20-24.
Asser/Maeijer 5-V 1995/31; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/31.
Asser/Maeijer 5-V 1995/31; Mohr 1998, p. 48 e.v.; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2010/31.
HR 4 november 1942, NJ 1942/773(kerkhof).
Ontwerp-Van der Grinten, art. 7.13.1.1; toelichting op het Ontwerp-Van der Grinten, p. 1088.
Ontwerp.Maeijer, art. 800 lid 1.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-MvT, p. 71. In de tekst van het concept-wetsvoorstel (art. 1 lid 1) van de werkgroep komt dit vereiste niet voor, maar staat wel een beperking van ‘vennootschap’ tot beroep of bedrijf.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/30.
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2016, JOR 2016/265(DTV Groep).
Dat het optreden onder een bepaalde naam tot onduidelijkheid kan leiden, komt ook aan de orde in 2.4.6.2.
Zie art. 2:26 lid 1 BW (vereniging) en art. 2:53 lid 1 BW (coöperatie). Zie ook art. 26 lid 3 BW (verbod voor vereniging om winst onder de leden te verdelen). Asser/Rensen 2-III* 2012/18.
De verenigingsbepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de coöperatie voor zover de coöperatieregels daarvan niet afwijken (art. 2:53a lid 1 BW). Van de regels over de informele vereniging (art. 2:30 BW) wordt afgeweken door de eis dat de coöperatie bij notariële akte wordt opgericht (art. 2:53 lid 1 BW).
HR 11 maart 1977, NJ 1977/521(Kribbebijter).
Asser/Van der Grinten 2-II 1991/190; Asser/Maeijer 5-V 1995/11; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/11.
HR 6 februari 1935, NJ 1935/1513(Nachtveiligheidsdienst E).
Afdeling Rechtspraak RvS 12 maart 2008, AB 2009/201(Comité Behoud Havezathe Heeckeren); Asser/Rensen 2-III* 2012/10 en 21.
Aldus ook Mohr/Meijers 2013, § 2.9, p. 64.
Den Tonkelaar 1979, p. 28 e.v.; met instemming aangehaald door Van Mourik 1993, p. 15.
Zie 2.2.4.1.
Een ander lastig onderscheid is dat tussen maatschap en informele vereniging.1 Het onderscheid is van belang, want voor deze rechtsvormen gelden op enkele punten verschillende regels. De informele vereniging is rechtspersoon, de maatschap niet. Bij de informele vereniging zijn de bestuurders hoofdelijk voor de contractuele schulden van de rechtspersoon verbonden; bij de maatschap zijn de vennoten in beginsel voor gelijke delen voor gezamenlijke schulden aansprakelijk. De bestuurders van een informele vereniging zijn in beginsel zelfstandig tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon bevoegd; de vennoten van een maatschap kunnen elkaar in beginsel slechts op basis van een volmacht vertegenwoordigen.2
Verdedigd wordt dat de maatschap gericht moet zijn op vermogensrechtelijk voordeel en dat dit van belang is voor de afgrenzing ten opzichte van de informele vereniging.3 Het staat niet in de wet, maar wordt afgeleid uit de jurisprudentie. In een arrest van de Hoge Raad uit 1942 is aangenomen dat in artikel 7A:1655 BW met ‘voordeel’ wordt gedoeld op ‘vermogensrechtelijk voordeel’.4 Een amateur-voetbalclub zal dus niet de vorm van een maatschap kunnen hebben. In het arrest uit 1942 was een ingewikkelder geval aan de orde. Het ging om enkele parochies die samen een kerkhof exploiteerden. De Hoge Raad sauveerde ’s hofs oordeel dat het hoofddoel van de parochies i.c. niet was om winst te behalen en onder elkaar te verdelen, en dat derhalve het samenwerkingsverband geen maatschap was.5
Bij het Ontwerp-Van der Grinten werd in de toelichting uitdrukkelijk de mogelijkheid opengelaten dat de leden van een vennootschap zich zouden laten leiden door altruïstische motieven.6 Daarentegen werd in het Ontwerp-Maeijer het vereiste van gerichtheid op vermogensrechtelijk voordeel juist met zoveel woorden gecodificeerd.7 De werkgroep-Van Olffen vereist voor ‘vennootschap’ eveneens een oogmerk van ‘vermogensrechtelijk’ voordeel.8 M.i. is deze beperking van het toepassingsbereik van wat naar huidig recht als maatschap wordt aangeduid, ongewenst. Ik zie niet in waarom het partijen die samen voordeel nastreven dat niet een ‘vermogensrechtelijk’ voordeel is, verboden moet worden een maatschap aan te gaan. Hierbij is van belang dat het de ‘maatschap’ aan rechtspersoonlijkheid ontbreekt. Onverhoedse rechtspersoonlijkheid kan voor derden negatief uitpakken. Door het gebrek daaraan bij de maatschap kan veel vrijheid worden gelaten voor een keuze vóór de maatschap.
Zo is er ruimte voor rechtsvormkeuzevrijheid, in de zin van vrijheid om te kiezen voor de maatschap. Van de maatschap kan men zeggen dat deze doorgaans gericht is op het behalen van ‘vermogensrechtelijk’ voordeel ten behoeve van de vennoten. Dit betekent nog niet dat het voor de maatschap een dwingend vereiste moet zijn.9 Men kan een vergelijking trekken met de functie die het element ‘gezagsverhouding’ speelt bij de arbeidsovereenkomst. In de hedendaagse opvatting is de gezagsverhouding niet meer beslissend voor het in dienst zijn. Wel is die verhouding een element waaraan men het in dienst zijn (mede) kan herkennen.10
Kan aan partijen dan evenzeer de vrijheid worden gelaten om te kiezen voor de rechtsvorm van een informele vereniging? En hoe moet worden geoordeeld over samenwerkingsverbanden waarbij partijen geen uitdrukkelijke rechtsvormkeuze hebben gemaakt? Ik meen dat een samenwerkingsverband niet te snel als rechtspersoon erkend moet worden, want dit kan voor argeloze betrokkenen en derden negatief uitpakken. Een negatieve consequentie voor een derde kan bijvoorbeeld zijn dat hij dacht en wenste een overeenkomst met A te hebben, om later te moeten constateren dat zijn wederpartij een los van A staande rechtspersoon is. Stel, A treedt op onder een fanstasienaam. Wordt die fantasienaam aangemerkt als de naam van een informele vereniging, dan luidt de conclusie al snel dat A met die rechtspersoon contracteerde en niet met A zelf of met een maatschap waarvan A deel uitmaakt. De onduidelijkheid die A laat bestaan, keert zich dan tegen de derde. Ik vind dat onjuist en meen daarom dat een samenwerkingsverband niet te snel als informele vereniging moet worden aangemerkt. Aan de rechtsvormkeuzevrijheid doet dit m.i. niet af. Het staat de betrokkenen bij het samenwerkingsverband immers volkomen vrij om zowel intern als extern duidelijkheid te verschaffen door een formele vereniging op te richten.11
Een voorbeeld uit de rechtspraak waarin m.i. te gemakkelijk van het bestaan van een informele vereniging – dus rechtspersoon – werd uitgegaan, betreft de zaak DTV Groep.12 Mazzelshop is op 1 januari 2010 lid geworden van de DTV Groep, een samenwerkingsverband van detaillisten uit de tuinmeubelbranche. Uit het arrest van het hof blijkt niet of bij dit samenwerkingsverband (intern of extern) van een ‘vereniging’ werd gesproken. Ook blijkt niet of er statuten waren; wel was er kennelijk een ‘huishoudelijk reglement’. Een partij (Y) die kennelijk als initiatiefnemer van het samenwerkingsverband optreedt, schrijft facturen uit onder de naam ‘DTV Groep’, met vermelding van een bankrekeningnummer dat volgens Mazzelshop een bankrekeningnummer van Y is. Met het samenwerkingsverband wordt beoogd betere inkoopcondities voor de samenwerkende partijen te behalen door gezamenlijke inkoop. Later worden de activiteiten van het samenwerkingsverband ondergebracht in een op 22 oktober 2010 opgerichte coöperatie. Voordat dit gebeurt, trekt Mazzelshop zich uit het samenwerkingsverband terug. Zij spreekt Y aan tot nakoming van (beweerdelijke) afspraken die Y in naam van ‘DTV Groep’ met Mazzelshop heeft gemaakt. Het hof wijst de vordering af op basis dat DTV Groep een informele vereniging was, en dus een rechtspersoon. Het hof merkt nog op dat gesteld noch gebleken is dat Y bestuurder van DTV Groep was en dat Mazzelshop ook niet heeft gesteld dat Y in die hoedanigheid aansprakelijk was.
Het hof stelde de abstracte vraag centraal of DTV Groep een informele vereniging en dus een rechtspersoon was. Kennelijk meende het hof deze vraag in objectieve zin te kunnen beantwoorden en bij bevestigende beantwoording te kunnen concluderen dat Mazzelshop met een rechtspersoon had gecontracteerd.13 De vraag of Mazzelshop vanuit haar subjectieve positie had moeten begrijpen dat zij tegenover een rechtspersoon stond, is hierdoor ondergesneeuwd. Mazzelshop leefde kennelijk in de veronderstelling dat DTV Groep een handelsnaam van Y was, maar dat bleek niet van belang nu DTV Groep (ook?) de naam van een rechtspersoon was. De onduidelijkheid die Y heeft laten bestaan over de hoedanigheid waarin zij handelde en de aard van ‘DTV Groep’ is op Mazzelshop afgewentend. Volgens mij had die onduidelijkheid voor rekening van Y behoren te komen. Dit draagt ertoe bij dat m.i. terughoudendheid past bij kwalificatie van een samenwerkingsverband als informele vereniging, zeker als dat ten koste gaat van anderen.
Bij DTV Groep speelde nog een bijzonderheid. Het samenwerkingsverband was kennelijk gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van haar leden op basis van met die leden gesloten overeenkomsten. Dit is een coöperatie-doel. Het verwondert niet dat de betrokken activiteiten later in een coöperatie zijn ondergebracht. Gezien de wettelijke omschrijving van ‘vereniging’ kan een samenwerkingsverband met een coöperatie-doel niet als informele vereniging worden aangemerkt.14 En de rechtsfiguur van de ‘informele coöperatie’ kennen we niet.15 Ook op basis hiervan is ’s hofs oordeel dat DTV Groep een informele vereniging was, onjuist. Het arrest bevat onvoldoende gegevens om vast te stellen wat DTV Groep dan wel was. Mogelijk was het een maatschap. Aan het voor maatschap geldende kenmerk van ‘inbreng’ kan zijn voldaan door de bijdragen van de leden aan de voor gezamenlijke rekening verrichte inkooptransacties. De maatschap is geen rechtspersoon. Kwalificatie van het samenwerkingsverband als maatschap had Mazzelshop geholpen. In dat geval was Y wel degelijk contractueel wederpartij van Mazzelshop en als zodanig aanspreekbaar geweest. De vraag was dan nog slechts geweest of Mazzelshop alleen Y dan wel een pluraliteit van vennoten (waaronder Y) als wederpartij tegenover zich had. Die vraag had dan volgens de Kribbebijter-regel16 en de regels over (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid beantwoord kunnen worden. Mocht de ‘maatschap’ als mogelijke wederpartij uit de bus zijn gekomen, dan was met het oog op vertegenwoordigings- en aansprakelijkheidskwesties nog relevant geweest of het een VOF (bijzondere vorm van maatschap) betrof.
Er zijn schrijvers die het niet aanvaardbaar vinden dat partijen – zonder aan enige formaliteit te voldoen – met het gebruik van het woord vereniging kunnen bereiken dat hun overeenkomst van vennootschap een vereniging is.17
Mijn pleidooi voor een restrictieve invulling van het begrip informele vereniging sluit daar goed bij aan. Het door deze schrijvers gewenste resultaat wordt niet dichterbij gebracht door de maatschap van altruïstische activiteiten uit te sluiten.
Zo kunnen kwalificatievragen tussen maatschap en informele vereniging m.i. in hoofdzaak beperkt blijven tot niet-commerciële informele samenwerkingsverbanden. In dit soort gevallen speelt m.i. een belangrijke rol dat de Hoge Raad voor de oprichting van een vereniging het in het leven roepen van een ‘georganiseerd lichaam’ vereist.18 Dit vereiste komt ook terug in de drie cumulatieve criteria die de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State voor de informele vereniging heeft geformuleerd. Volgens deze criteria moet sprake zijn van (1) een ledenbestand, (2) een organisatorisch verband opgericht voor een bepaald doel (regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en samenwerking gericht op enige continuïteit), en (3) een als eenheid deelnemen aan het rechtsverkeer.19 Helemaal helder is het onderscheid tussen vereniging en vennootschap daarmee nog niet.20 Een wezenlijk punt is dit vereiste van ‘georganiseerd lichaam’ wel. Ook Den Tonkelaar heeft wat deze afgrenzing betreft de nadruk gelegd op het verschil tussen contract enerzijds en georganiseerd lichaam anderzijds.21 Mij spreekt dat aan. Het komt overeen met het Duitse criterium, waarin de nadruk ligt op een verschil in organisatiestructuur en een in beginsel sterkere persoonsgebondenheid bij de maatschap.22