Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.8
IX.8 Tot slot
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596303:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ V.8 en V.9.
Zie daarover ook hiervoor § IX.4.
Vgl. Gerards 2012b, p. 27-29. Zij stelt dat de codificatie van een in de rechtspraak of het verdragsrecht erkend rechtsbeginsel of grondrecht alleen meerwaarde heeft wanneer sprake is van modificatie of van transformatie. Met modificatie bedoelt zij dat de omzetting naar een geschreven norm dient mee te brengen dat de inhoud ervan nader wordt bepaald. Een bijzondere vorm van codificatie is transformatie. Daarbij gaat de modificatie zover dat aspecten van het rechtsbeginsel het karakter van een heldere, afgebakende rechtsregel aannemen. Andere argumenten dan de juridische meerwaarde, zoals symbolische, democratische of kenbaarheidswaarde, kunnen overigens desondanks voor codificatie pleiten, zie daarover Gerards 2010.
Dat geldt zeker in de context van bewijslastverschuivingen, maar bijvoorbeeld ook met betrekking tot de dadelijke tenuitvoerlegging van sanctiebeslissingen.
Dit onderzoek maakt mijns inziens duidelijk dat goede reden bestaat voor een breder perspectief op de onschuldpresumptie dan uitsluitend dat van EVRM-conformiteit. Op een abstract niveau is de inhoud van de onschuldpresumptie onder het EVRM, het IVBPR en de richtlijn overwegend dezelfde, maar wezenlijke verschillen manifesteren zich in de wijze waarop en de mate waarin uitzonderingen op de door het beginsel voorgeschreven normen worden aanvaard, waarbij het EHRM aan de bewijsdimensie de meest beperkte invulling geeft.1 Dit pleit ervoor om bij de vinding en vorming van het Nederlandse recht niet te volstaan met toetsing aan het EVRM, maar in elk geval ook het IVBPR te betrekken. De tekst van de richtlijn lijkt aan uitzonderingen op de bewijsdimensie eveneens nadere grenzen te stellen, al wijst de preambule juist op minimale meerwaarde ten opzichte van de Straatsburgse rechtspraak.
Daarnaast bestaat mijns inziens reden om de onschuldpresumptie als conceptueel beginsel, dus voor zover zij niet in internationale (minimum)normen is gepositiveerd, bij de vinding en vorming van het recht als waardevol zelfstandig argument in acht te nemen. Op een concreet en casuïstisch niveau heeft het internationale recht namelijk een duidelijk minimumnormkarakter en dringt de institutionele positie van de toezichthoudende organen ten opzichte van de nationale rechtsorde tot terughoudendheid.2 Codificatie in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, die in het kader van de modernisering van het wetboek op handen lijkt, volstaat daartoe evenwel niet. ‘Pure’ erkenning of codificatie van de presumptie van onschuld, in die zin dat het beginsel ook in het nationale recht wordt vastgelegd zonder dat daaraan eigen interpretatie of afbakening wordt gegeven, heeft nog weinig juridische meerwaarde.3 Voor een de rechtsontwikkeling meer sturende codificatie lijkt mij nodig dat eerst meer dan thans het geval duidelijkheid en overeenstemming bestaat over de mate waarin en de voorwaarden waaronder de wetgever en rechter het vermoeden van onschuld ten behoeve van andere legitieme belangen kunnen doen wijken.4 Gebrek aan duidelijkheid en overeenstemming op bepaalde punten hoeft evenwel niet mee te brengen dat in de toekomst alleen het internationale recht grenzen stelt. Het valt te hopen dat de voorgenomen codificatie de wetgever, de rechter en de strafrechtwetenschapper ertoe aanzet om meer dan nu, binnen de grote ruimte die het internationale recht op de presumptie van onschuld op verschillende deelterreinen laat, tot een meer eigen, nationale invulling van de onschuldpresumptie te komen, waarin dat beginsel en de daaraan ten grondslag liggende argumenten tegen de daartegenover staande belangen meer autonoom zijn afgewogen. Daar is alle reden voor. Het gaat immers om een beginsel met een tamelijk eenduidige conceptuele betekenis, dat is ingebed in het Nederlandse strafrechtssysteem en de Nederlandse strafrechtscultuur en dat belangen beschermt die ook in Nederland aanhoudend bescherming verdienen en behoeven.