Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/1.4.2.2
1.4.2.2 Onroerend goed
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957962:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens betekent dat niet dat er in de verschillende, fiscale, wetten telkens dezelfde definitie van een landgoed wordt gehanteerd. (Zie bijvoorbeeld Bruggink 2007, p. 29 waar het gaat om verschillende omschrijvingen van het begrip ‘buitenplaatsen’ dat deel uitmaakt van de definitie van een landgoed).
Op grond van art. 1 lid 2 NSW 1928 kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere voorwaarden worden gesteld om als landgoed in de zin van de NSW 1928 te kunnen worden aangemerkt. De nadere voorwaarden staan opgenomen in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.
Familievermogen kan, mede, worden gevormd door één of meer onroerende zaken. Er kan worden gedacht aan een boerderij die al meerdere generaties deel uitmaakt van een bepaalde familie of een grachtenpand in de stad waarvoor hetzelfde geldt. Niet al het onroerend goed dat deel uitmaakt van een privévermogen zal voor familieleden emotioneel aanvoelen als familievermogen. Naarmate een onroerende zaak langer in een familie aanwezig is, bestaat eerder de mogelijkheid dat het onroerend goed emotioneel gezien als behorend bij de familie zal worden beschouwd. De lengte van de aanwezigheid van de onroerende zaak in de familie speelt bij onroerend goed daarom een grotere rol dan bijvoorbeeld bij een familiebedrijf of een kunstobject of kunstcollectie. Ook bij die twee categorieën van vermogen kan het gaan om vermogens die al lang in een familie aanwezig zijn, maar dit hoeft niet het geval te zijn om toch van familievermogen te kunnen spreken.
Voor dit onderzoek wordt met onroerend goed als familievermogen een onroerende zaak bedoeld, waarvan het economisch belang tot één familie behoort. Daarnaast moeten familieleden beslissende zeggenschap uitoefenen over het beheer en gebruik van de onroerende zaak alsmede over de beschikking over de onroerende zaak. Tevens moet eventuele exploitatie van de onroerende zaak niet het voornaamste doel zijn waarom de familie de onroerende zaak in eigendom heeft. Wordt er niet aan deze eisen voldaan, dan is het nog mogelijk dat een onroerende zaak deel uitmaakt van een beleggingsportefeuille die op zijn beurt als familievermogen wordt gezien.
Landgoederen vormen een speciale categorie onroerend goed. Landgoederen worden met name door hun soms speciale positie in de fiscale wetgeving op bepaalde plekken als een apart vermogensbestanddeel binnen dit onderzoek behandeld. Omdat het juist fiscale wetgeving is waar de landgoederen een specifieke plek innemen,1 is de definitie van wat in dit onderzoek onder een landgoed wordt verstaan uit de fiscale wetgeving afgeleid. Er is gekozen voor het overnemen van de definitie uit de Natuurschoonwet 1928. Art. 1 lid 1 sub a van die wet geeft aan dat onder een landgoed wordt verstaan ‘een, in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak – daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen – voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is’.2