Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/6.1
6.1 Inleiding
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931110:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het kader van dit hoofdstuk heb ik gesproken met Jako van Hees, Ruud Hermans, Anne Mennens en Ben Schuijling over hun ervaringen met hoofdelijkheid en insolventie. De gesprekken hebben gediend ter inspiratie en vormen geen zelfstandige bron van onderzoek.
Ik doel daarmee op formele insolventie, dus op het voorwerp zijn van een insolventieprocedure. Ik doel daarmee op het faillissement en – mutatis mutandis – op de surséance van betaling), tenzij anders aangegeven. In beide regelingen is individueel verhaal op het vermogen van de schuldenaar uitgesloten of beperkt, zie ie art. 26 en art. 33 Fw (faillissement) en art. 230 Fw (surséance van betaling).
Zie met name Van der Feltz I, p. 27. Zie voorts met name Verstijlen 1998, p. 28: “Het faillissement beoogt met andere woorden de verhaalsrechten van alle schuldeisers te effectueren, ook van degenen die anders niet aan individuele executiemaatregelen toe zouden komen en daarom buiten de boot zouden vallen. Deze verhaalsrechten vinden hun regeling in de artt. 3:276 en 277 BW. Het is de verwerkelijking van deze bepalingen, waarin de reikwijdte en het gewicht van ieders verhaalsrecht is geregeld. waarnaar het faillissement streeft. Het faillissement beoogt de voldoening van alle schuldeisers overeenkomstig ieders (verhaals)recht.”, en Polak/Pannevis 2022/1.1.
252. Algemeen.1 In Hoofdstuk 4 heb ik de materieelrechtelijke aspecten van hoofdelijkheid en verhaal besproken. In dat kader kwam art. 6:13 BW reeds aan de orde, dat voorziet in een omslag over de hoofdelijk schuldenaren indien een van de hoofdelijk schuldenaren geen verhaal bood aan hun verhaalzoekende medeschuldenaar. De ‘insolventie’2 of ‘pre-insolventie’3 van een hoofdelijk schuldenaar heeft ook verschillende andere mogelijke rechtsgevolgen, zowel voor de schuldeiser als voor zijn medeschuldenaren. In dit hoofdstuk staan die gevolgen centraal, vanuit de vraag op welke wijze de insolventierechtelijke regels de uitoefening faciliteren van de aan het materiële recht ontleende rechten van de (mogelijk) bij hoofdelijke aansprakelijkheid betrokken partijen. Aan dit hoofdstuk ligt de veronderstelling ten grondslag dat het insolventierecht niet op zichzelf staat, maar een oplossing beoogt te bieden voor een samenloop van materieelrechtelijke aanspraken. Daarbij baseer ik mij vooral op de memorie van toelichting bij de Faillissementswet, waar het volgende wordt opgemerkt:4
“De instelling van het faillissement beoogt niets anders dan, bij staking van betaling door den schuldenaar, diens vermogen op eene billijke wijze onder al zijne schuldeischers, met eerbiediging van ieders recht, te verdeelen, en het geheele samenstel der bepalingen, welke in eene faillietenwet worden gevonden, heeft geen ander doel dan die billijke verdeeling voor te bereiden, te waarborgen en te bewerkstelligen.”
Ter beantwoording van de in dit hoofdstuk centraal staande vraag ga ik eerst in op de gevolgen voor de schuldeiser van insolventie van een van zijn hoofdelijk schuldenaren (par. 6.2) en daarna op de gevolgen daarvan voor de rechtsverhoudingen tussen de hoofdelijk schuldenaren onderling (par. 6.3). Vervolgens analyseer ik of de aan het materiële recht ten grondslag liggende beginselen ook in het insolventierecht tot uitdrukking komen (par. 6.4).
In dit hoofdstuk maak ik vooral gebruik van de termen ‘schuldeiser’, ‘schuldenaar’ en ‘hoofdelijk verbonden (of verhaalzoekende) medeschuldenaar’. De term ‘schuldenaar’ verwijst naar de hoofdelijk schuldenaar die insolvent is. De term ‘hoofdelijk verbonden medeschuldenaren’ verwijst naar partijen die met de schuldenaar hoofdelijk zijn verbonden. Is reeds sprake van een verhaalsvordering van een van hen op de schuldenaar (hetgeen met name bij de bespreking van de interne verhoudingen (par. 6.3) het geval zal zijn), dan spreek ik van de ‘verhaalzoekende medeschuldenaar’, om verwarring met de term ‘schuldeiser’ te vermijden.
Heeft A een vordering op B en C, die hoofdelijk verbonden zijn, en is B insolvent, dan is A de schuldeiser, B de schuldenaar en C de hoofdelijk verbonden medeschuldenaar. Verricht C de hoofdelijk verschuldigde prestatie jegens A, dan verkrijgt C mogelijk verhaalsvorderingen op B. Richt C zich vervolgens tot B, dan is hij een verhaalzoekende medeschuldenaar van B.