Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/12.1.4.2
12.1.4.2 Vorderingen
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS304010:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie in algemene zin over de accessoria Wiarda 1937, die een aantal voorbeelden geeft van accessoria naar oud recht waaruit blijkt hoe breed deze groep was: rechten uit borgtocht, pandrecht en hypotheekrecht, voorrechten, rente, sommaties, beslagen, lijfsdwang, arbitrage- en boetebedingen, etc. Zie meer uitgebreid paragraaf 16.1.3.
Zie meer uitgebreid paragraaf 16.1.4. Zie ook de opmerking in de Toelichting Meijers dat “in het midden gelaten kan worden” in hoeverre de in art. 6:142 lid 2 BW genoemde rechten daadwerkelijk nevenrechten zijn; Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 528.
Meijers 1948, p. 85-86.
481. De vraag welke aanspraken onderdeel uitmaken van een vorderingsrecht, is in de Nederlandse rechtsliteratuur nauwelijks aan de orde gekomen. Dit heeft er mijns inziens mee te maken dat vorderingen worden vormgegeven door partijen, die daarbij veel vrijheid hebben om extra bedingen onderdeel van een vorderingsrecht te maken (zie voetnoot 72 van hoofdstuk 5). Ook zijn er altijd mechanismen aanwezig geweest waardoor aanspraken die zich ‘aan het randje’ van de vordering bevonden, op dezelfde wijze werden behandeld als de vordering zelf. Onder het oude recht was dat het leerstuk van de accessoria, een weinig afgebakende groep met aanspraken die met het vorderingsrecht mee overgingen bij overdracht.1 Naar huidig recht is dat de groep van nevenrechten, die in de doctrine even breed wordt ingevuld.2
482. Dit blijkt ook uit de bespreking die – wederom – Meijers wijdt aan de vraag of bevoegdheden onderdeel zijn van een recht, of daar los van staan:
“… de bevoegdheid om beslag op goederen van zijn schuldenaar te leggen is onderdeel van een vorderingsrecht, geen daarvan te onderscheiden zelfstandig subjectief recht. Slechts dan zal men wederom een zodanige bevoegdheid als een subjectief recht kunnen aanmerken, wanneer zij een speciaal en zelfstandig karakter draagt, zodat zij noch aan een ieder toekomt, noch regelmatig aan een bepaalde rechtsbetrekking verbonden is. Deze eigenschappen der bevoegdheid treden vooral dan duidelijk naar voren, wanneer de bevoegdheid qua talis voor overdracht vatbaar is, geëxecuteerd kan worden, enz. […] Ook dan wanneer een bevoegdheid aan een ander recht verbonden is, maar voor haar ontstaan een bijzondere rechtshandeling nodig is, worden voldoende regels van het subjectieve recht van toepassing om een bijzonder subjectief recht aan te nemen. Evenals een erfdienstbaarheid aan een eigendom vastgehecht is, maar toch als subjectief recht geldt, is dit ook het geval met een recht van hypotheek, een bedongen recht van eigenmachtige executie, enz.”3
483. De bevoegdheid van de schuldeiser van een geldvordering om beslag te leggen op goederen van de schuldenaar, is volgens Meijers dus een onderdeel van het vorderingsrecht, terwijl een verleend recht om zelfstandig te executeren dat niet is. Het verschil is volgens Meijers gelegen in het feit dat er een bijzondere rechtshandeling voor nodig is om het laatste recht te doen ontstaan. Er zijn allerlei ‘rechten’ die niet noodzakelijkerwijs deel van een (geld)vordering uitmaken en die door partijafspraak ontstaan; voorbeelden zijn het recht van de senior bij een achterstelling, competentie- en arbitragebedingen, het recht om een vordering opeisbaar te maken, het recht op rente, het renteherzieningsrecht, bewijsbedingen, etc. Als men het bovenstaande onderscheid van Meijers aanhoudt, dan is voor al deze rechten een aanvullend mechanisme nodig om ze aan de vordering te koppelen waar ze bij horen. De oplossing daarvoor is praktisch geweest in plaats van dogmatisch: al deze rechten worden onder de categorie ‘nevenrechten’ geschaard (zie meer uitgebreid paragraaf 16.1.4).