De feiten zijn grotendeels ontleend aan de beschikking van de rechtbank Limburg d.d. 18 maart 2016.
HR, 23-12-2016, nr. 16/01616
ECLI:NL:HR:2016:2997
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-12-2016
- Zaaknummer
16/01616
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2997, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 23‑12‑2016; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1070, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:1070, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑10‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2997, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑03‑2016
- Wetingang
- Vindplaatsen
Ondernemingsrecht 2017/129 met annotatie van R.M. Avezaat
AR 2016/4018
JOR 2017/115
INS-Updates.nl 2017-0039
JOR 2017/115
Uitspraak 23‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Partij(en)
23 december 2016
Eerste Kamer
16/01616
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [verzoeker 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [verzoeker 2] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaten: mr. A. Knigge en mr. R.R. Verkerk.
Verzoekers zullen hierna ook ieder afzonderlijk worden aangeduid als [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en gezamenlijk als [verzoekers]
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak F 10/268 van de plaatsvervangend rechter-commissaris in de rechtbank Limburg van 14 januari 2016;
b. de beschikking in de zaak C/03/216022/HA RK 16-9 van de rechtbank Limburg van 18 maart 2016;
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Q-Solutions Europe B.V. (hierna: de gefailleerde) is in 2010 failliet verklaard. [verzoeker 1] is indirect bestuurder en [verzoeker 2] is (extern) accountant van de gefailleerde.
(ii) Over discussiepunten die partijen verdeeld hielden, is begin 2011 een minnelijke regeling getroffen met de curator, voor € 75.000,-- tegen finale kwijting “voor alles wat tot heden heeft plaatsgevonden”.
(iii) In 2013 heeft de curator een e-mail gezonden aan de advocaat van [verzoeker 1] met de suggestie dat [verzoeker 1] nog iets aan de boedel zou zijn verschuldigd. De advocaat van [verzoeker 1] heeft de curator nog dezelfde dag gevraagd waarop hij doelde. De curator heeft de vraag nimmer beantwoord.
(iv) Na een lange periode van stilte heeft de rechter-commissaris [verzoeker 1] tegen 1 juli 2014 opgeroepen voor een verhoor op de voet van art. 105 Fw in verbinding met art. 106 Fw. In het faillissementsverslag van 16 februari 2014 had de curator nog geschreven dat hij [verzoeker 1] en diens advocaat zou uitnodigen voor een bespreking over de af te wikkelen zaken. De advocaat van [verzoeker 1] liet aan de rechter-commissaris weten dat [verzoeker 1] ook zonder een verhoor graag bereid was vragen te beantwoorden en hij verzocht het verhoor op 1 juli 2014 niet te laten doorgaan. De rechter-commissaris heeft daarop het verhoor afgelast en besloten het faillissement af te wikkelen.
(v) De griffier van de rechter-commissaris heeft rond 16 september 2014 aan de advocaat van [verzoeker 1] meegedeeld dat, alvorens tot afwikkeling zou worden overgegaan, eerst nog schriftelijk vragen aan het bestuur van de gefailleerde zouden worden voorgelegd. In de faillissementsverslagen van 16 september 2014 en 18 februari 2015 is dit ook vermeld.
(vi) In het faillissementsverslag van 16 november 2015 is vermeld dat de drie grootste schuldeisers zich bij de curator hadden gemeld en dat de curator zich had gewend tot de rechter-commissaris met het verzoek om een mondeling getuigenverhoor te gelasten.
3.2.1
Op 5 januari 2016 heeft de rechter-commissaris [verzoekers] opgeroepen op 27 januari 2016 te verschijnen om inlichtingen te verstrekken op de voet van art. 105 Fw in verbinding met art. 106 Fw. [verzoekers] hebben de rechter-commissaris verzocht het verhoor geen doorgang te laten vinden.
Bij beschikking van 14 januari 2016 heeft de rechter-commissaris de verzoeken van [verzoekers] afgewezen en toegevoegd dat de oproep van [verzoeker 2] begrepen diende te worden als een oproep voor verhoor als getuige op de voet van art. 66 Fw. Voorts overwoog hij:
"Naar aanleiding van uw bericht van 8 januari jongstleden deel ik u mee dat ik geen reden zie om mij uitgebreid te verantwoorden. Als de curator de rechter-commissaris verzoekt, dan wel de rechter-commissaris dat dienstig vindt om ten behoeve van het verkrijgen van nadere inlichtingen de gefailleerde, bestuurders of getuigen te horen, dan is dat een feit en niet iets dat externe verantwoording behoeft (…).”
3.2.2
De rechtbank heeft de beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer het volgende:
“3.6. Ter zitting heeft de rechtbank twee hypothetische situaties voorgehouden:
a) stel: de rechter-commissaris heeft in dit geval alsnog “brisante informatie” ontvangen, moet de rechter-commissaris die dan ook van te voren delen met de getuigen, ook als er eerder een regeling is getroffen? Dat zou immers de consequentie van de redenering van verzoekers zijn. De advocaten van verzoekers gaven te kennen dat die informatie dan natuurlijk niet van tevoren behoeft te worden gedeeld, maar wel zou in dit geval, in deze casus, dan minstens door de rechter-commissaris aangekondigd moeten worden dat het om nieuwe feiten gaat o.i.d.;
b) stel: de rechter-commissaris wil bij het verhoor alleen nog maar vragen: “heeft u alles verklaard? Ja? Okay, dan gaan we over tot afronding van het faillissement.” Mag de rechter-commissaris zoiets niet vragen? De advocaten van verzoekers verklaarden dat zoiets natuurlijk ook geen werkelijk probleem zou zijn.
3.7.
Maar door die hypothetische situaties voor te houden, raakt de rechtbank ook direct de zwakke plek in het betoog van verzoekers. In 2.11 van deze beschikking heeft de rechtbank ook met het oog daarop bewust al een deel van de redenering van verzoekers onderstreept:
“Gelet op de twee eerdere beschikkingen van de rechter-commissaris om een faillissementsverhoor op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden geen doorgang te laten vinden en omdat nadien geen nieuwe feiten of vragen zijn opgekomen (onderstreping rechtbank), kwalificeert het nu alsnog houden van een faillissementsverhoor niet enkel als misbruik van procesrecht (…).”
3.8.
Het probleem is natuurlijk: de rechtbank weet niet wat de rechter-commissaris wil gaan vragen tijdens het verhoor van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] . Verzoekers weten het ook niet.
3.9.
En dan is het goed om voor ogen te houden wat het uitgangspunt van de wet is: artikel 66 Fw en artikel 105 juncto 106 Fw geven de rechter-commissaris een zeer ruime bevoegdheid om ter opheldering van alle omstandigheden het faillissement betreffende, getuigen en bestuurders te horen.
3.10.
In het kader van deze appelprocedure kan dus niet aan de orde worden gesteld of een vraag van de rechter-commissaris al dan niet het onderzoekskader van artikel 66 Fw en artikel 105 juncto 106 Fw te buiten zal gaan. Zo’n eventuele overschrijding is op voorhand wel denkbaar, maar kan enkel eerst tijdens het verhoor zelf worden vastgesteld en zo nodig aan de orde worden gesteld.”
3.3.1
De onderdelen 1.6, 1.7 en 1.9 klagen dat de rechtbank heeft miskend dat het bevelen van een verhoor op de voet van art. 66 Fw of art. 105 Fw in verbinding met art. 106 Fw als zodanig misbruik van bevoegdheid kan opleveren en, voor zover de rechtbank dat niet heeft miskend, het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd. Van misbruik van bevoegdheid bij het bevelen van een verhoor kan ook sprake zijn als op voorhand niet duidelijk is welke vragen zullen worden geformuleerd. Bovendien is de rechtbank niet kenbaar ingegaan op de essentiële stellingen van [verzoekers] waarvan de strekking is dat zij alle reden hebben om aan te nemen dat het verhoor zal zien op hun aansprakelijkheid.
3.3.2
Art. 66 Fw geeft de rechter-commissaris een ruime bevoegdheid getuigen te horen ter opheldering van alle omstandigheden het faillissement betreffende. Art. 105 lid 1 Fw verplicht de gefailleerde, voor zover hier van belang, voor de rechter-commissaris te verschijnen en deze alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen. Ook dit artikel geeft de rechter-commissaris een ruime bevoegdheid, die zich ingevolge art. 106 Fw mede uitstrekt tot bestuurders en commissarissen van een gefailleerde rechtspersoon.De rechter-commissaris kan op eigen initiatief en op verzoek van derden van deze bevoegdheden gebruik maken. (HR 11 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1541, NJ 1995/151 en HR 17 mei 2013, ECLI:NL:2013:BZ3645, NJ 2013/292)
3.3.3
Een begrenzing van de hiervoor in 3.3.2 bedoelde ruime bevoegdheden is gelegen in art. 3:13 lid 2 BW, dat ingevolge art. 3:15 BW van toepassing is op het faillissementsrecht. Art. 3:13 lid 2 BW houdt onder meer in dat een bevoegdheid wordt misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Het doel van art. 66 Fw is om opheldering te verkrijgen over alle omstandigheden die het faillissement betreffen. Art. 105 Fw heeft een daarmee overeenstemmend doel. Dit betekent dat sprake kan zijn van misbruik van de bevoegdheden die art. 66 Fw en art. 105-106 Fw aan de rechter-commissaris toekennen, indien deze worden aangewend voor een ander doel dan het verkrijgen van de bedoelde opheldering. Dit geldt met name indien dit doel gelegen is in het vergaren van gegevens ten behoeve van een civiele procedure tegen de gefailleerde of een bestuurder of commissaris van de gefailleerde (HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4655, NJ 1984/183). Als uitgangspunt geldt dat de aangewezen weg voor dit laatste doel is het voorlopig getuigenverhoor op de voet van art. 186 Rv of het getuigenverhoor op de voet van art. 166 Rv, dit in verband met de rechten en waarborgen die daaraan voor de te horen getuigen zijn verbonden (HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184).
3.3.4
Tegen de achtergrond van het vorenstaande zijn de klachten terecht voorgesteld. Anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, gaat het niet erom of het stellen van bepaalde vragen misbruik van bevoegdheid oplevert. [verzoekers] hebben gesteld dat het bevelen van een verhoor op de voet van art. 66 Fw of art. 105 Fw in verbinding met art. 106 Fw als zodanig misbruik van bevoegdheid oplevert. Zoals hiervoor in 3.3.3 is overwogen, kan daarvan sprake zijn indien het verhoor wordt ingezet voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld. Het oordeel van de rechtbank geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is onvoldoende gemotiveerd. Het eerste is het geval indien dat oordeel berust op de opvatting dat het bevelen van een verhoor op de voet van art. 66 Fw of art. 105 Fw als zodanig geen misbruik van bevoegdheid kan opleveren. Indien de rechtbank is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, is het bedoelde oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van het onderbouwde standpunt van [verzoekers] dat het bevelen van een dergelijk verhoor in de omstandigheden van dit geval misbruik van bevoegdheid oplevert.
3.4.1
Onderdeel 2.4 klaagt dat rechtens onjuist is het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat een rechter-commissaris altijd, althans in dit geval, zonder enige toelichting zou mogen terugkomen van eerder genomen beslissingen over verhoren. Voor zover dit al mogelijk is, heeft de rechtbank miskend dat daaraan ten minste de eis mag worden gesteld dat een rechter-commissaris die beslissing afdoende motiveert.
3.4.2
Als uitgangspunt geldt, mede gelet op de hiervoor in 3.3.2 genoemde ruime bevoegdheid van de rechter-commissaris en het hiervoor in 3.3.3 genoemde doel van het verhoor op de voet van art. 66 Fw of art. 105 Fw, dat een rechter-commissaris niet behoeft te motiveren waarom hij overgaat tot een zodanig verhoor. Evenmin behoeft hij vooraf kenbaar te maken welke onderwerpen hij wil bespreken en welke vragen hij overweegt te stellen. Voorts geldt dat het een rechter-commissaris vrijstaat een zodanig verhoor te gelasten ook als in een eerder stadium daarvan was afgezien.
3.4.3
Hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, laat onverlet dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die meebrengen dat de rechter-commissaris dient te motiveren waarom hij een verhoor op de voet van art. 66 Fw of art. 105 Fw wil laten plaatsvinden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in dit geval sprake, nu de staat van faillissement al geruime tijd voortduurt, met de curator een minnelijke regeling tegen finale kwijting is getroffen en de rechter-commissaris eerder had laten weten van een verhoor af te zien en had besloten het faillissement af te wikkelen. Deze omstandigheden vereisen, mede in het licht van de onweersproken stelling van [verzoekers] dat het verhoor door de hiervoor in 3.1 onder (vi) bedoelde schuldeisers is verzocht met het oog op aansprakelijkstelling, dat de rechter enig inzicht geeft in de aanleiding voor en het doel van het verhoor. Uit het voorgaande volgt dat de klacht terecht is voorgedragen.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 18 maart 2016;
wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 23 december 2016.
Conclusie 28‑10‑2016
Inhoudsindicatie
16/01616 | Mr. R.H. de Bock |
Zitting 28 oktober 2016 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] | |
verzoekers tot cassatie, (hierna: ‘[verzoekers]’), mrs. A. Knigge en R.R. Verkerk. | |
1. Feiten
In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
1.1
Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 16 november 2010 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Q-Solutions Europe BV in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. M.T.A.C. Russel, nadien mr. R.P.J. Quaedackers tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. Ch.L.J.R. Lückers tot curator.
1.2
[verzoeker 1] is (via Saborn International BV getrapt) bestuurder van failliet. [verzoeker 2] is de (externe) accountant van failliet. [verzoeker 1] heeft gedurende het faillissement, aldus [verzoeker 1] zelf, altijd volledig meegewerkt. Ter zake van discussiepunten die partijen verdeeld hielden, werd begin 2011 een minnelijke regeling getroffen met de curator, voor € 75.000,- tegen finale kwijting “voor alles wat tot heden heeft plaatsgevonden”.
1.3
Op 5 maart 2013 - circa twee jaar na de (finale) regeling - heeft de curator een email gezonden naar de advocaat van [verzoeker 1], met de suggestie dat [verzoeker 1] nog iets aan de boedel zou zijn verschuldigd.2.Nog diezelfde dag heeft de advocaat van [verzoeker 1] per email aan de curator gevraagd waar hij op doelde. De vraag werd nimmer beantwoord door de curator.
1.4
Na een lange radiostilte heeft [verzoeker 1] bij griffiersbrief van 16 juni 2014 een oproep gekregen voor een faillissementsverhoor op 1 juli 2014.3.Dit terwijl de curator in het faillissementsverslag van 16 februari 2014 nog had geschreven dat hij [verzoeker 1] en diens advocaat nog zou uitnodigen voor een bespreking over de nog af te wikkelen zaken.4.Bij faxbericht van 18 juni 2014 heeft de advocaat van [verzoeker 1] de rechter-commissaris laten weten dat [verzoeker 1] ook zonder een faillissementsverhoor graag bereid was om vragen te beantwoorden en heeft hij verzocht om het faillissementsverhoor op 1 juli 2014 niet te laten doorgaan.5.De rechter-commissaris heeft het faillissementsverhoor toen afgelast en besloten om het faillissement af te wikkelen.
1.5
De griffier van de rechter-commissaris heeft rond 16 september 2014 aan de advocaat van [verzoeker 1] duidelijk gemaakt dat, alvorens tot afwikkeling werd overgegaan, eerst nog schriftelijk vragen aan het bestuur van failliet zouden worden voorgelegd. In de faillissementsverslagen van 16 september 2014 en 18 februari 2015 is dit ook neergelegd.6.
1.6
In het verslag van 16 november 2015 is neergelegd dat de drie grootste schuldeisers (Fair en Co, Queis en Global Management Services) zich bij de curator hadden gemeld en dat de curator zich had gewend tot de rechter-commissaris met het verzoek om een mondeling getuigenverhoor te gelasten in plaats van een schriftelijk.7.
1.7
Op 5 januari 2016 hebben [verzoekers] een oproep van de rechter-commissaris ontvangen om op 27 januari 2016 inlichtingen te verstrekken ex artikel 105 en 106 van de Faillissementswet (Fw).8.
1.8
Bij faxbericht van 8 januari 2016 heeft de advocaat van [verzoekers] bij de rechter-commissaris bepleit dat de verhoren niet zouden doorgaan, dat [verzoeker 2] bovendien ten onrechte in hoedanigheid van bestuurder was opgeroepen en dat beiden nog steeds bereid waren om vragen van de curator, buiten een faillissementsverhoor om, schriftelijk te beantwoorden.9.
1.9
Bij faxbericht van 14 januari 2016 heeft de plaatsvervangend rechter-commissaris de verzoeken van [verzoekers] afgewezen en toegevoegd dat de oproep van [verzoeker 2] begrepen diende te worden als een oproep voor verhoor als getuige ex artikel 66 Fw.10.Voorts schrijft hij:
"Naar aanleiding van uw bericht van 8 januari jongstleden deel ik u mee dat ik geen reden zie om mij uitgebreid te verantwoorden. Als de curator de rechter-commissaris verzoekt, dan wel de rechter-commissaris dat dienstig vindt om ten behoeve van het verkrijgen van nadere inlichtingen de gefailleerde, bestuurders of getuigen te horen, dan is dat een feit en niet iets dat externe verantwoording behoeft (...).”
2. Procesverloop
2.1
[verzoekers] hebben bij een op 18 januari 2016 binnengekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de plaatsvervangend rechter-commissaris van 14 januari 2016. De strekking van hun verzoek was dat de rechter-commissaris verboden zou worden [verzoekers] op te roepen voor een faillissementsverhoor, althans hem dit te verbieden zolang hij niet eerst de vragen schriftelijk aan hen heeft voorgelegd.
2.2
Op 26 januari 2016 hebben [verzoekers] de gronden van het hoger beroep aangevuld. Vervolgens hebben zij op 8 maart 2016 hun verzoek vermeerderd en producties in het geding gebracht.
2.3
De curator heeft te kennen gegeven niet als belanghebbende in de procedure te willen verschijnen.
2.4
Op 26 januari 2016 heeft de rechter-commissaris een verweerschrift ingediend.
2.5
Op 15 maart 2016 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.6
Bij beschikking van 18 maart 2016 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de beslissing van de rechter-commissaris bekrachtigd. De rechtbank heeft - voor zover van belang - daartoe het volgende overwogen.
“3.6. Ter zitting heeft de rechtbank twee hypothetische situaties voorgehouden:
a) stel: de rechter-commissaris heeft in dit geval alsnog “brisante informatie” ontvangen, moet de rechter-commissaris die dan ook van te voren delen met de getuigen, ook als er eerder een regeling is getroffen? Dat zou immers de consequentie van de redenering van verzoekers zijn. De advocaten van verzoekers gaven te kennen dat die informatie dan natuurlijk niet van tevoren behoeft te worden gedeeld, maar wel zou in dit geval, in deze casus, dan minstens door de rechter-commissaris aangekondigd moeten worden dat het om nieuwe feiten gaat o.i.d.;
b) stel: de rechter-commissaris wil bij het verhoor alleen nog maar vragen: “heeft u alles verklaard? Ja? Okay, dan gaan we over tot afronding van het faillissement.”
Mag de rechter-commissaris zoiets niet vragen? De advocaten van verzoekers verklaarden dat zoiets natuurlijk ook geen werkelijk probleem zou zijn.
3.7.
Maar door die die hypothetische situaties voor te houden, raakt de rechtbank ook direct de zwakke plek in het betoog van verzoekers. In 2.11 van deze beschikking heeft de rechtbank ook met het oog daarop bewust al een deel van de redenering van verzoekers onderstreept:
“Gelet op de twee eerdere beschikkingen van de rechter-commissaris om een faillissementsverhoor op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden geen doorgang te laten vinden en omdat nadien geen nieuwe feiten of vragen zijn opgekomen (onderstreping rechtbank), kwalificeert het nu alsnog houden van een faillissementsverhóor niet enkel als misbruik van procesrecht (...).”
3.8.
Het probleem is natuurlijk: de rechtbank weet niet wat de rechter-commissaris wil gaan vragen tijdens het verhoor van [verzoekers]. Verzoekers weten het ook niet.
3.9.
En dan is het goed om voor ogen te houden wat het uitgangspunt van de wet is: artikel 66 Fw en artikel 105 juncto 106 Fw geven de rechter-commissaris een zeer ruime bevoegdheid om ter opheldering van alle omstandigheden het faillissement betreffende, getuigen en bestuurders te horen.
3.10.
In het kader van deze appelprocedure kan dus niet aan de orde worden gesteld of een vraag van de rechter-commissaris al dan niet het onderzoekskader van artikel 66 Fw en artikel 105 juncto 106 Fw te buiten zal gaan. Zo’n eventuele overschrijding is op voorhand wel denkbaar, maar kan enkel eerst tijdens het verhoor zelf worden vastgesteld en zo nodig aan de orde worden gesteld.
3.11.
Hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
3.12.
De rechtbank kan de rechter-commissaris dus op dit moment niet verbieden om verzoekers op te roepen voor verhoor. En daarmee komt elke grond aan de verzoeken
- in alle varianten - te ontvallen.”
2.7
[verzoekers] zijn tijdig in cassatie gekomen tegen de beschikking van 18 maart 2016.11.Van het in het cassatieverzoekschrift voorbehouden recht op aanvulling van het rekest op grond van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank is geen gebruik gemaakt.
3. Bespreking van de cassatiemiddelen
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, opgedeeld in subonderdelen. In het cassatiemiddel staat centraal de vraag of het de rechter-commissaris is toegestaan [verzoekers] op te roepen voor een verhoor ex art. 66 Fw respectievelijk art. 105 Fw. Het eerste onderdeel stelt de beantwoording van die vraag in de sleutel van misbruik van procesrecht. Het tweede onderdeel heeft betrekking op het terugkomen door de rechter-commissaris van een eerdere beslissing om van het gelaste getuigenverhoor af te zien. Voordat ik de cassatiemiddelen bespreek, maak ik eerst enkele opmerkingen over de bevoegdheid van de rechter-commissaris in faillissementen.
3.2
Het geven van inlichtingen wordt als de eerste plicht van de gefailleerde beschouwd.12.Deze plicht is neergelegd in art. 105 lid 1 Fw, dat bepaalt dat de gefailleerde gehouden is voor de rechter-commissaris, de curator of de commissie van schuldeisers te verschijnen en deze alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen (het inlichtingenverhoor). Art. 106 Fw verklaart deze inlichtingenplicht ook van toepassing op bestuurders en commissarissen van de gefailleerde.Een nadere versterking van de inlichtingenplicht wordt geboden door art. 66 Fw, dat de rechter-commissaris de bevoegdheid geeft om getuigen te horen of een onderzoek van deskundigen te bevelen, ‘ter opheldering van alle omstandigheden die het faillissement betreffen’ (het faillissementsverhoor).13.Lid 2 van art. 66 Fw bepaalt dat art. 177 Rv van overeenkomstige toepassing is. Dit brengt mee dat de in art. 177 Rv neergelegde formele vereisten voor een getuigenverhoor van toepassing zijn op het faillissementsverhoor, waaronder de verplichting om de getuige onder ede te horen. Bij niet-verschijning of weigering om de eed of belofte af te leggen, zijn de artikelen 171 e.v. Rv van toepassing, zo bepaalt art. 66 lid 3 Fw. Een onwillige getuige kan dus worden gegijzeld (art. 173 Rv).
3.3
Aangenomen wordt dat art. 66 Fw de rechter-commissaris een ruime bevoegdheid geeft, in die zin dat het onderzoek van de rechter-commissaris zich zonder enige beperking mag uitstrekken tot alle omstandigheden van het faillissement. Dit blijkt al uit de woorden 'alle omstandigheden het faillissement betreffende' in lid 1 en wordt bevestigd in de memorie van toelichting:14.
“De Rechter-Commissaris moet de noodige macht bezitten om, wanneer hem dit wenschelijk voorkomt, een zoo volledig mogelijk onderzoek te kunnen instellen naar alle omstandigheden het faillissement betreffende, naar de oorzaken daarvan, het gedrag des schuldenaars enz. (…) De bepaling steunt op de overweging, dat aan hem, wien het hooren van getuigen is opgedragen, de dwangmiddelen tot verzekering van den getuigenisplicht niet mogen onthouden worden.”
Ook in de literatuur wordt uitgegaan van een ruime bevoegdheid van de rechter-commissaris.15.Molengraaf verwoordt het als volgt:16.
“Een opzettelijk onderzoek naar de oorzaken van het faillissement, naar het gedrag van den schuldenaar, naar diens handelingen in den vooravond der faillietverklaring, naar den toestand van den boedel enz. kan soms gewenscht zijn. In den regel zal dit niet kunnen geschieden zonder dat getuigen worden gehoord; ook kan het zijn, dat de voorlichting van deskundigen, bijv. van een accountant, niet worden gemist. Zoowel het hooren van getuigen als het benoemen van deskundigen behoort meer eigenaardig tot de rechterlijke functiën, vandaar de opdracht van het een en het ander aan den rechter-commissaris.”
Zie voorts Wessels:17.
"Het kan met het oog op de zorgvuldige uitoefening van een van zijn taken voor de rechter-commissaris nodig of wenselijk zijn nader inzicht te verkrijgen in de oorzaken van het faillissement en het gedrag van de gefailleerde, maar ook een nader beeld te krijgen omtrent allerlei handelingen van de laatste of van anderen. Art. 66 biedt de mogelijkheid informatie in te winnen over heden en verleden van het bedrijf van de schuldenaar, de handel en wandel van de schuldenaar zelf dan wel de bestuurders van het bedrijf, de juridische betrekkingen die hij de laatste jaren is aangegaan (men denke aan de mogelijke toepassing van de actio pauliana), de reden voor het aangaan van en de wijze van financiering van een deelneming in andere vennootschappen, de geschiedenis van de kredietrelatie met een bank of een moedermaatschappij, de speciale rol van een commissaris, een bestuurder (...), een externe accountant of de voormalige accountant (...), de huisadvocaat, een toeleverancier, etc."
3.4
De ruime bevoegdheden van de rechter-commissaris op grond van art. 66 Fw en art. 105 jo. 106 Fw zijn in de jurisprudentie diverse malen bevestigd.18.Wanneer hem dit wenselijk voorkomt kan de rechter-commissaris zowel op eigen initiatief als op verzoek van derden (waaronder met name de curator) een faillissementsverhoor gelasten. De rechter die in hoger beroep de omvang van de bevoegdheid van art. 66 Fw beoordeelt, dient hiermee bij zijn beoordeling rekening te houden.19.Het handelen van de rechter-commissaris dient derhalve zo te worden getoetst, dat daarmee de grote ruimte die hij heeft wordt gerespecteerd.20.
3.5
Maar de bevoegdheden van de rechter-commissaris zijn niet geheel onbegrensd. Een eerste begrenzing ligt daarin dat een getuige zich op de voet van art. 165 lid 3 Rv kan verschonen van het beantwoorden van een bepaalde vraag, indien hij daarmee zichzelf of een naaste aan een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen.21.Ook is aan te nemen dat een getuige in voorkomende gevallen een beroep kan doen op het verschoningsrecht van art. 165 lid 2, aanhef en sub b Rv.22.Deze begrenzing is tamelijk zwak, omdat pas een beroep op een verschoningsrecht kan worden gedaan indien de getuige bij het verhoor verschijnt en hem een bepaalde vraag is gesteld; het beroep op het verschoningsrecht strekt ook niet verder dan die ene vraag. Bovendien kan de rechter-commissaris beslissen dat het beroep op het verschoningsrecht niet slaagt, in welk geval de getuige toch verplicht is om antwoord te geven. Overigens lijkt een beroep op een verschoningsrecht in het kader van een inlichtingenverhoor op de voet van art. 105 lid 1 Fw niet aan de orde te zijn, naar ik aanneem omdat betrokkene dan niet als getuige wordt gehoord. Bij een inlichtingenverhoor, zo volgt uit HR 24 januari 2014, is het aan de rechter-commissaris om waarborgen te verschaffen dat de verkregen inlichtingen niet tevens in verband met een 'criminal charge' tegen de gefailleerde of de bestuurder zullen worden gebruikt.23.
3.6
Een tweede begrenzing is dat het 'ophelderen van omstandigheden betreffende het faillissement' niet (uitsluitend) mag zijn gericht op het vergaren van gegevens ten behoeve van een civiele procedure tegen de failliet of een bestuurder, bijvoorbeeld op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.24.In dat geval kan sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, zo volgt uit HR 30 september 1983 (Aannemingsbedrijf Thunissen).25.Art. 3:13 lid 2 BW (dat op grond van art. 3:15 BW ook van toepassing is in het faillissementsrecht) bepaalt dat van misbruik van een bevoegdheid sprake is - onder meer - indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Het doel van de bevoegdheid van art. 66 Fw is om opheldering te verkrijgen ten aanzien van alle omstandigheden die het faillissement betreffen. Dit betekent dat van misbruik van de bevoegdheid van art. 66 Fw sprake kan zijn indien zij wordt aangewend voor een ander doel dan het verkrijgen van de bedoelde opheldering, met name indien dat doel gelegen is een aansprakelijkheidsstelling van de bestuurders. Vergelijk HR 6 oktober 2006 (ABN Amro/Arts q.q.):26.
"Het voorlopig getuigenverhoor, zoals dat in art.186 e.v. Rv. is geregeld, beoogt niet alleen mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat dat zou kunnen worden geproduceerd in het kader van de bewijslevering in een aanhangige of aanhangig te maken procedure. Het strekt ook ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken procedure - degene die het aanspannen daarvan overweegt, degene die verwacht dat deze tegen hem zal worden aangespannen, dan wel een derde die anderszins bij die procedure belang heeft - de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hun wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie de procedure moet worden aangespannen (vgl. HR 24 maart 1995, nr. 8573, NJ 1998, 414).De strekking van het getuigenverhoor op grond van art. 66 F is een andere. Dit verhoor vindt niet plaats in het kader van een geschil tussen partijen dat voorwerp is van een aanhangige of mogelijk aanhangig te maken procedure en is niet gericht op het verkrijgen van bewijs in een dergelijke procedure. Het dient daarentegen ertoe de rechter-commissaris - en met hem de curator - door het horen van getuigen in staat te stellen ten aanzien van alle omstandigheden die het faillissement betreffen opheldering te verkrijgen. Van een 'wederpartij' is dan ook geen sprake. "
3.7
Bij het voorgaande is te bedenken dat het faillissementsverhoor met aanzienlijk minder waarborgen is omkleed dan het gewone getuigenverhoor, het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen. Zo is geen sprake van een openbare zitting (zij het dat de curator wel vrijwel altijd aanwezig zal zijn), is het niet verplicht om proces-verbaal op te maken, bestaat er geen recht op contra-enquête en kunnen er door betrokkene (gefailleerde of bestuurder) zelf geen vragen worden gesteld aan een getuige.27.Het beginsel van hoor en wederhoor is tijdens het faillissementsverhoor dus niet gewaarborgd.28.Ook is er geen probandum, zodat de getuige niet van te voren weet waar het verhoor precies op is gericht, anders dan de zeer ruime omschrijving dat opheldering moet worden verkregen van alle omstandigheden die het faillissement betreffen. Bovendien kan bij het faillissementsverhoor een onwillige getuige (een getuige die niet verschijnt of die niet wil verklaren) op grond van art. 66 lid 2 Fw jo. art. 173, lid 1, eerste volzin, Rv in gijzeling worden genomen. Evenzo kan bij het inlichtingenverhoor de bestuurder of gefailleerde op grond van art. 105 (jo. art. 106) jo. art. 87 en 89 Fw in gijzeling worden genomen. Dit terwijl een partijgetuige op grond van art. 173 lid 1, tweede volzin, Rv níet in gijzeling kan worden genomen indien hij weigert te verklaren. Deze tweede volzin is immers niet van toepassing verklaard in lid 2 van art. 66 Fw. Dat is op zichzelf begrijpelijk, omdat er bij een verhoor op de voet van art. 66 Fw strikt genomen niet gesproken kan worden van een 'partijgetuige'. Materieel gezien kan bij een faillissementsverhoor echter wel degelijk sprake zijn van een partijgetuige, met name indien gehoord wordt met het oog op aansprakelijkheidsstelling.
3.8
Het ontbreken van al deze rechten en waarborgen verklaart waarom het niet aanvaardbaar is dat het faillissementsverhoor wordt ingezet (uitsluitend) als opmaat naar een aansprakelijkheidsprocedure en waarom het gelasten van een faillissementsverhoor in dat geval als misbruik van recht is aan te merken. Het zou bovendien strijdig zijn met art. 6 EVRM, omdat in een aansprakelijkheidsprocedure wél sprake is van de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die bepaling.29.Het argument dat dit geen probleem oplevert omdat een in het kader van art. 66 Fw afgelegde verklaring niet de bewijskracht heeft die toekomt aan de verklaring van een getuige die is afgelegd tijdens een gewoon of voorlopig getuigenverhoor (zoals gebezigd in HR 6 oktober 2006), lijkt mij, zoals De Ranitz terecht opmerkt, van een hoog theoretisch gehalte. Een in het kader van art. 66 Fw afgelegde verklaring heeft immers hoe dan ook vrije bewijskracht in een aansprakelijkheidsprocedure en zal door de rechter bij zijn oordeelsvorming worden meegenomen.30.Het heeft dan ook de voorkeur om als uitgangspunt te nemen dat indien het erom gaat bewijs te verkrijgen ten behoeve van een aansprakelijkheidsprocedure jegens de gefailleerde of diens bestuurder, gebruik moet worden gemaakt van een voorlopig getuigenverhoor (HR 6 oktober 2006 (ABN Amro/Arts q.q.).31.
Ik merk nog op dat de optie om de getuige die in het kader van art. 66 Fw wordt gehoord het recht te geven om een vraag niet te beantwoorden indien dit zou kunnen leiden tot aansprakelijkheidsstelling,32.weinig realistisch lijkt. Niet alleen is er geen rechtsgrond voor zo'n weigering; bovendien rijst de vraag wie dan zou moeten bepalen of dit recht terecht wordt ingeroepen. De rechter-commissaris heeft immers zijn eigen agenda. De oplossing moet eerder worden gevonden in een juiste timing van een verhoor op de voet van art. 66 Fw, zoals volgt uit de beschouwing van Neijt:33.
"Het verzoek tot het houden van een inlichtingenverhoor met als doel het beginsel van hoor en wederhoor te omzeilen, moet uiteraard niet worden gehonoreerd. Het is dus van belang een inlichtingenverhoor, net als een faillissementsverhoor, te houden in een vroegtijdig stadium van het faillissement en met het oog op het bepalen van het te hanteren afwikkelingsbeleid. Onderdeel van dit beleid, is de vraag of een procedure tegen de bestuurder opportuun is, maar als die vraag eenmaal werd beantwoord, is een verhoor van de bestuurder niet meer zinnig."
Onderdeel 1: misbruik van recht
3.9
Het eerste onderdeel richt zich tegen rov. 3.10 van de rechtbankbeschikking en bestaat uit verschillende subonderdelen. Deze hebben alle betrekking op de stelling van [verzoekers], dat sprake is van misbruik van recht.
3.10
Volgens het derde subonderdeel (punt 1.8 verzoekschrift) heeft de rechtbank in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 19 Rv, art. 24 Rv althans art. 149 Rv, aangezien [verzoekers] onbetwist hebben gesteld dat het verhoor misbruik van recht oplevert. De curator heeft immers geen verweer gevoerd. De rechter-commissaris heeft weliswaar zijn zienswijze gegeven, maar ook daarin heeft hij niet betwist dat het verhoor is bevolen teneinde informatie te verzamelen ten behoeve van een civiele procedure. De rechtbank had daar dan ook vanuit moeten gaan.
3.11
Het subonderdeel faalt. Miskend wordt dat bij een verhoor op grond van art. 66 Fw geen sprake is van een wederpartij.34.Dat de rechter-commissaris de stelling van [verzoekers] dat sprake is van misbruik van bevoegdheid niet heeft weersproken, heeft dan ook geen processuele betekenis. De rechter-commissaris is immers niet als wederpartij aan te merken.
3.12
In het eerste subonderdeel (verzoekschrift punt 1.6) wordt aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank, dat in het kader van de appelprocedure niet aan de orde kan worden gesteld of een vraag van de rechter-commissaris het onderzoekskader van art. 66 Fw en art. 105 jo. 106 Fw te buiten gaat, rechtens onjuist is omdat daarmee wordt miskend dat ook de bevoegdheid om getuigen op te roepen (en dus niet alleen het stellen van specifieke vragen) kan worden misbruikt. In het tweede subonderdeel (verzoekschrift punt 1.7) wordt aangevoerd dat het oordeel dat (beslissende) betekenis toekomt aan het feit dat op voorhand niet (precies) duidelijk is welke vragen zullen worden geformuleerd en/of de rechter-commissaris misschien kennis heeft genomen van nieuwe feiten, rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat [verzoekers] onbetwist hebben gesteld dat het doel van het verhoor is gericht op het verkrijgen van informatie ten behoeve van een civiele procedure en dat om die reden sprake is van misbruik van recht. Als duidelijk is dat het verhoor wordt bevolen voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is, is sprake van misbruik van recht, ongeacht de vragen die gesteld zullen worden. Het oordeel van de rechtbank zou ertoe leiden dat nooit een geslaagd beroep op art. 3:13 BW gedaan kan worden omdat van tevoren nooit bekend is welke vragen door de rechter-commissaris gesteld gaan worden. Voorts betoogt het vierde subonderdeel (verzoekschrift punt 1.9) dat het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van misbruik van recht, niet, althans onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank is onvoldoende ingegaan op de essentie van de stellingen van [verzoekers], dat zij alle reden hebben te veronderstellen dat het verhoor gericht zal zijn op hun aansprakelijkheid, gezien het zeer lange tijdsverloop sinds het faillissement, het eerdere besluit van de rechter-commissaris het faillissementsverhoor geen doorgang te laten vinden en de mededeling in het faillissementsverslag van 16 november 2014 dat de curator een getuigenverhoor over de rol van [verzoekers] voor ogen stond. Tenslotte houdt het vijfde subonderdeel in (verzoekschrift punt 1.10) dat de rechtbank tenminste tot nader onderzoek had moeten overgaan, door bij de rechter-commissaris na te gaan of het verhoor inderdaad was ingegeven door de wens informatie te verzamelen ten behoeve van een civiele procedure tegen onder meer [verzoeker 1].
3.13 Deze subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De stelling van [verzoekers] dat het faillissementsverhoor in het onderhavige geval misbruik van recht oplevert hebben zij in hun beroepschrift onderbouwd met de volgende argumenten:(i) aangezien het faillissement dateert van 16 november 2010 is de inventarisatieperiode waarbinnen een curator normaal gesproken alle feiten opheldert, ruimschoots verstreken;35.(ii) met de curator is op 25 februari 2011 een schikking tegen finale kwijting getroffen over alle geschilpunten die zich tot en met februari 2011 hebben voorgedaan (in dat kader hebben [verzoekers] € 75.000,-- aan de boedel voldaan);36.(iii) in 2013 heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat [verzoekers] nog geld aan de boedel verschuldigd zouden zijn maar dat hij daarvan wil afzien wanneer zou blijken 'dat er toch niets te halen valt', waaraan hij het verzoek koppelt om inzicht te verschaffen in de financiële armslag van Saborn BV, de bestuurder van failliet;37.(iv) eerder, in 2014, heeft de toenmalige rechter-commissaris besloten af te zien van een door de curator verzocht faillissementsverhoor en heeft hij besloten schriftelijke vragen aan [verzoekers] voor te leggen (wat echter niet is geschied);38.(v) in het faillissementsverslag van 16 september 2014 is vermeld dat de drie grootste schuldeisers in het faillissement zich bij de curator hebben gemeld met het verzoek een mondeling getuigenverhoor te gelasten in plaats van een schriftelijk (onderstreping a-g);39.(vi) de curator houdt zich blijkens zijn brief van 3 maart 2016 nog steeds alle rechten voor jegens [verzoekers].40.
3.14 Vastgesteld moet worden dat de rechtbank in haar beschikking op geen van deze argumenten is ingegaan. De redenering van de rechtbank komt erop neer dat (a) niet bekend is welke vragen de rechter-commissaris wil gaan stellen tijdens het faillissementsverhoor, (b) art. 66 Fw de rechter-commissaris een zeer ruime bevoegdheid geeft, zodat (c) in deze procedure niet aan de orde kan worden gesteld of sprake is van misbruik van recht. Deze redenering raakt echter niet de kern van het betoog van [verzoekers]. Het gaat er niet om of bepaalde vragen misbruik van recht opleveren; [verzoekers] stellen dat het (thans) houden van faillissementsverhoor als zodanig misbruik van recht oplevert. Zoals hiervoor is besproken bij punt 3.6-3.8, kan daarvan sprake zijn, namelijk indien het faillissementsverhoor wordt ingezet voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld. De beschikking is daarmee naar mijn mening onvoldoende gemotiveerd. Indien de rechtbank niet onder ogen heeft gezien dat het faillissementsverhoor als zodanig misbruik van recht kan opleveren, geeft de beschikking tevens blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.15
Op te merken is nog dat de constatering van de rechtbank dat een 'overschrijding van het onderzoekskader van art. 66 Fw en art. 105 jo. art. 106 Fw tijdens het verhoor kan worden vastgesteld en zo nodig aan de orde kan worden gesteld', niet voldoende is om tegemoet te komen aan een gevreesd misbruik van recht. Er is geen rechtsregel waarop [verzoekers] zich in zo'n geval zouden kunnen beroepen om zich ontslagen te achten van de wettelijke verplichting tot het geven van een antwoord op gestelde vragen. Dat is wel het geval indien het beantwoorden van vragen zou leiden tot zelfincriminatie, maar dat is in deze zaak niet aan de orde, althans daarvan is niets gebleken. Bij een regulier getuigenverhoor doet zich nog wel eens voor dat een andere partij of diens raadsman een vraag stelt waarop de getuige geen antwoord wil geven. De getuige kan de rechter dan vragen om op de voet van art. 179 lid 2 Rv gebruik te maken van zijn bevoegdheid om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.41.In het onderhavige geval zou de rechter-commissaris echter zichzelf moeten beletten om aan een bepaalde vraag gevolg te geven. Hier wreekt zich de dubbelrol die de rechter-commissaris bij een faillissementsverhoor heeft: hij is zowel onderzoeker, adviseur en gesprekspartner van de curator, als toezichthouder.42.
3.16
In zijn algemeenheid geldt dat niet snel sprake zal zijn van het inzetten van het faillissementsverhoor voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld, met name omdat dat doel zo ruim is omschreven. De onderhavige zaak kent echter enige zeer specifieke omstandigheden, die door [verzoekers] uitvoerig naar voren zijn gebracht (argumenten (i) tot en met (iv) als vermeld onder 3.13). Met betrekking tot deze omstandigheden merk ik nog het volgende op.(ad i) In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat een faillissementsverhoor in een vroegtijdig stadium van het faillissement dient plaats te vinden, met het oog op het te bepalen afwikkelingsbeleid.43.In het onderhavige geval is ruim vijf jaar verstreken na faillissementsdatum. Het is moeilijk in te zien dat er dan nog sprake kan zijn van 'inventariseren'. (ad ii, iii en iv) Deze omstandigheden lijken erop te wijzen dat het faillissement al enige tijd min of meer is afgewikkeld. Dit roept de vraag of nog sprake kan zijn van 'het ophelderen van alle omstandigheden die het faillissement betreffen'. (ad v en vi) Deze omstandigheden lijken een aanwijzing te zijn dat de curator en/of schuldeisers de bestuurders aansprakelijk willen stellen. Zoals besproken bij punt 3.6-3.8 dient het faillissementsverhoor er echter niet toe om bewijsmateriaal te verkrijgen ten behoeve van een aansprakelijkheidsprocedure. Veelzeggend is in dit verband dat de betrokken schuldeisers aangeven een getuigenverhoor te willen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het niet uit te sluiten is dat een inhoudelijke weging van de door [verzoekers] aangevoerde argumenten leidt tot het oordeel dat sprake is van misbruik van recht.
3.17
Het eerste middelonderdeel slaagt derhalve.
Onderdeel 2: terugkomen op en/of vertrouwensbeginsel
3.18
Het tweede onderdeel heeft betrekking op de omstandigheid dat de rechter-commissaris eerder heeft afgezien van een faillissementsverhoor en heeft beslist dat schriftelijk vragen worden voorgelegd. In het eerste subonderdeel (verzoekschrift punt 2.3) wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de stelling dat het de rechter-commissaris niet toegestaan is om af te wijken van de eerdere beschikking om definitief af te zien van een faillissementsverhoor dan wel van de toezegging dat de vragen schriftelijk aan [verzoeker 1] en/of [verzoeker 2] zouden worden voorgelegd. De beschikking van de rechtbank is daarom onvoldoende gemotiveerd, althans in strijd met art. 24 Rv (verzoekschrift punt 2.3). Het tweede subonderdeel (verzoekschrift punt 2.4) stelt dat indien in de beschikking impliciet het oordeel besloten ligt dat de rechter-commissaris in dit geval zonder enige toelichting mag terugkomen van zijn eerdere beslissing, dit rechtens onjuist is. De beschikking om af te zien van een faillissementsverhoor is onherroepelijk en heeft gezag van gewijsde. Bovendien handelt de rechter-commissaris in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel door van de eerdere beslissing terug te komen. Als de rechter-commissaris al zou kunnen terugkomen van een eerdere beslissing, dan mag daar tenminste de eis aan worden gesteld dat die beslissing afdoende is gemotiveerd. Daar is echter geen sprake van.
3.19
Uit de stukken blijkt niet dat de rechter-commissaris een beschikking heeft genomen waaruit volgt dat definitief zou worden afgezien van een faillissementsverhoor. Uit het dossier blijkt slechts dat de griffier van de rechter-commissaris telefonisch aan de advocaat [verzoekers] heeft meegedeeld dat het op 1 juli 2014 gelaste getuigenverhoor geen doorgang zou vinden. Voor zover dit al als een beschikking moet worden aangemerkt, had deze slechts betrekking op het getuigenverhoor van 1 juli 2014. Van het terugkomen van een eerdere beschikking met gezag van gewijsde is dan ook geen sprake. Het eerste subonderdeel faalt derhalve.
3.20
In de stellingen van [verzoekers] ligt echter ook besloten dat de rechter-commissaris bij hen het vertrouwen heeft gewekt dat geen faillissementsverhoor zou plaatsvinden, door het op 1 juli 2014 geplande verhoor af te gelasten en mee te delen dat in plaats daarvan schriftelijk vragen zouden worden gesteld. Tot schriftelijke vragen is het echter nimmer gekomen (zie de feitenvaststelling onder 2.5 en 2.6).44.Hun stellingen komen erop neer dat het niet aangaat dat de rechter-commissaris daar bijna twee jaar later zonder enige motivering van terugkomt.45.Ook op dit argument is in de bestreden beschikking niet expliciet ingegaan. Ik begrijp de beschikking zo, dat de rechtbank van oordeel is dat indien sprake is van nieuwe informatie, het de rechter-commissaris vrij staat om alsnog een faillissementsverhoor te gelasten. Nu van de rechter-commissaris echter niet gevergd kan worden dat hij dergelijke informatie van te voren deelt met [verzoekers], moet het verhoor worden afgewacht en kan de rechtbank de rechter-commissaris niet vooraf verbieden om [verzoekers] op te roepen voor een faillissementsverhoor. Een nadere motivering van de beslissing om hen op te roepen voor een faillissementsverhoor is dan ook niet nodig, zo is kennelijk de gedachte.
3.21
Gelet op de hiervoor besproken ruime bevoegdheid van de rechter-commissaris om tot een faillissementsverhoor over te gaan, kan in zijn algemeenheid tot uitgangspunt wordt genomen dat de rechter-commissaris niet hoeft te motiveren waarom hij overgaat tot een faillissementsverhoor. De rechter-commissaris zal evenmin vooraf kenbaar hoeven te maken welke vragen hij gaat stellen (dat is overigens ook niet verzocht door [verzoekers]). Voorts kan worden aangenomen dat het de rechter-commissaris vrij staat om ook wanneer hij aanvankelijk te kennen heeft gegeven af te zien van zo'n verhoor, daarvan later terug te komen. In de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval rijst echter wel de vraag of die beslissing niet van enige motivering had moeten worden voorzien, al was het maar door aan te geven dat sprake is van nieuwe informatie. Ik merk op dat - anders dan uit de bestreden beschikking zou kunnen worden afgeleid - de rechter-commissaris níet heeft gezegd dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechter-commissaris volstaat in zijn beschikking van 14 januari 2016 immers met de mededeling dat indien de curator de rechter-commissaris verzoekt, dan wel de rechter-commissaris dat dienstig vindt om ten behoeve van het verkrijgen van nadere inlichtingen de gefailleerde, bestuurders of getuigen te horen, dan is dat een feit en niet iets dat externe verantwoording behoeft (zie feitenweergave onder punt 1.9). Ook overigens blijkt niet dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
3.22
Het ligt niet voor de hand om bij de aan een motivering van een rechterlijke beschikking als de onderhavige te stellen eisen, aan te sluiten bij de gebruikelijke motiveringsvereisten voor rechterlijke beslissingen, zoals neergelegd in het arrest Vredo/Veenhuis.46.De procedurele inbedding van de beschikking is beperkt; het gaat in feite slechts om de aankondiging dat gebruik zal worden gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dat betekent echter niet dat een beschikking ex art. 66 Fw nooit van een motivering behoeft te worden voorzien. De elementaire beginselen van procesrecht blijven ook hier gewoon van toepassing.47.Dit brengt mee dat indien daar aanleiding voor is, zoals in het onderhavige geval (vijf en een half jaar na het faillissement, na jaren van gesteggel tussen curator en bestuurders van de gefailleerde én een regeling voor finale kwijting), de rechter-commissaris wel degelijk dient te motiveren, hoe summier ook, waarom een faillissementsverhoor dient plaats te vinden. In ieder geval zou de rechtbank wanneer haar in zo'n geval een beschikking ex art. 66 Fw wordt voorgelegd, zorgvuldig moeten motiveren waarom een faillissementsverhoor aangewezen is.
3.23
Daarmee slaagt ook het tweede middelonderdeel.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑10‑2016
Prod. 18 bij Aanvulling gronden hoger beroep.
Prod. 20 bij Aanvulling gronden hoger beroep.
Dit faillissementsverslag bevindt zich niet in het cassatiedossier.
Prod. 22 bij Aanvulling gronden hoger beroep.
Het faillissementsverslag van 16 september 2014 bevindt zich niet in het cassatiedossier. Het faillissementsverslag van 18 februari 2015 is overgelegd als prod. 29 bij Aanvulling gronden hoger beroep. Zie in laatstgenoemd verslag onder punt 1.7 de volgende zin: 'In overleg met de RC is besloten schriftelijk vragen aan betrokkenen voor te leggen en hen zo de kans te geven op hun rol en de feiten hun eigen visie te geven.'
Het faillissementsverslag van 16 november 2015 bevindt zich niet bij de stukken. Zie wel de brief van de advocaat van [verzoeker 1] van 8 januari 2016 (prod. 25): 'In het daaropvolgende verslag nummer 11 van 16 november 2015 is (...) overwogen: 'Inmiddels heeft mr. J. Kuiper uit Den Haag zich bij de curator gemeld namens de drie grootste schuldeisers (...). Hij heeft zich vervolgens tot de RC gewend met het verzoek een mondeling getuigenverhoor te gelasten in plaats van een schriftelijk.' En de reactie hierop van de curator in zijn brief van 3 maart 2016 (prod. 30 bij Vermeerdering verzoek ex artikelen 283 en 130 Rv in hoger beroep ex art. 67 Fw, tevens akte (nareiken) producties): '(...) Dat was weliswaar een item dat al langere tijd punt van overleg was tussen de (vorige) RC in dit faillissement en de curator, maar dat - zoals appellanten ook aangeven - het verzoek tot het houden van het getuigenverhoor afkomstig is van een drietal grote schuldeisers in dit faillissement. De curator sluit zich daar zonder meer bij aan, maar dient wat dat betreft niet als formeel of informeel verzoeker beschouwd te worden.'
Prod. 24 bij Aanvulling gronden hoger beroep.
Prod. 25 bij Aanvulling gronden hoger beroep.
Regeringantwoord, Van der Feltz II, Geschiedenis van de wet op het faillissement en de surséance van betaling (1897), p. 69.
Wessel Insolventierecht nr. IV, 2015/II.2; Polak en Pannevis Insolventierecht 2014/8.1.5; C.M. Hilverda, ‘De omvang van de faillissementsrechtelijke inlichtingenplicht’, TvI 1997, p. 11 ev.
MvT bij Van der Feltz II, Geschiedenis van de wet op het faillissement en de surséance van betaling (1897), p. 4.
Zie ook A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie voor HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3828, onder 3.2 alsmede in haar conclusie voor HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184 (ABN/Amro/Arts q.q.) onder 3.4.
W.L.P.A. Molengraaff, De Faillissementswet, 1898, p. 261.
Wessels Insolventierecht nr. IV, 2015/II.2.4036. Zie ook Verstijlen, Groene Serie Faillissementswet, commentaar op art. 66 Fw.
Zie onder meer HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645, NJ 2013/292, JIN 2013/118 m.nt. L. Kriekaert (Van Laar/Franken); HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184, JOR 2006/281(ABN Amro/Arts q.q.); HR 11 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1541, NJ 1995/151 m.nt. J.M.M. Maeijer; HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4655, NJ 1984/183 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Aannemingsbedrijf Thunnissen).
HR 17 mei 2013, rov. 3.4, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645, NJ 2013/292, JIN 2013/118 m.nt. L. Kriekaert (Van Laar/Franken).
A-G Wuisman onder punt 2.3 in zijn conclusie voor HR 17 mei 2013, rov. 3.4, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645, NJ 2013/292, JIN 2013/118 m.nt. L. Kriekaert (Van Laar/Franken).
HR 11 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1265, NJ 1994/336 (Faillissement Simeg). Idem Wessels, Het horen van getuigen in het insolventierecht. In: MvV 2008, p. 46-49, p. 49.
Wessels, a.w. p. 49. Idem conclusie A-G Asser voor HR 11 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1265, NJ 1994/336 (Faillissement Simeg), onder punt 2.22 en 2.23. Zie ook HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 (Notaris Maas II).
HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:161, NJ 2014/70 (G./Ruding q.q.).
Vergelijk A-G Wuisman in zijn conclusie voor HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645, NJ 2013/292, JIN 2013/118 m.nt. L. Kriekaert (Van Laar/Franken), onder 2.6: 'De bevoegdheid dient te worden aangewend voor het ophelderen van omstandigheden betreffende het faillissement. Dat ophelderen dient niet gericht te zijn op of de vorm aan te nemen van het vergaren van gegevens ten behoeve van een concrete actie van civiel- of strafrechtelijke aard tegen de te horen persoon.'
HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4655, NJ 1984/183 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Aannemingsbedrijf Thunnissen). Bij dit arrest moet echter worden aangetekend dat het is gewezen onder het oude bewijsrecht (dat van vóór 1 april 1988), toen het niet was toegestaan een partij in haar eigen zaak als getuige te horen. Vergelijk bijv. HR 1 februari 1963, NJ 1964/157 m.nt. J.H. Beekhuis: het gebruiken van het voorlopig getuigenverhoor met het doel personen te horen tegen wie wordt overwogen een vordering in te stellen en die uit dien hoofde niet in het geding kunnen worden gehoord, is niet toelaatbaar.
HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184, JOR 2006/281(ABN Amro/Arts q.q.).
Zie voor een vergelijking tussen het faillissementsverhoor en het gewone getuigenverhoor, B. Wessels, Het horen van getuigen in het insolventierecht. In: MvV 2008, p. 46-49; P.J. Neijt, Het doel heiligt het verhoor. In: De gereedschapskist van de curator 2015, p. 287-300; R.J. van Galen, Enkele procedurele opmerkingen over het faillissement. In: WPNR 01/6463, p. 909.
Neijt a.w., p. 299.
Vgl. De Ranitz: 'Het getuigt van een grote afstand tot de rechtspraktijk indien men het argument hanteert dat de verklaring onder ede, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, niet zo relevant is voor een (latere) procedure tussen curator en bestuurder omdat die verklaring de formele rechtskracht van art. 192 Rv mist. Allereerst kan de rechter aan die verklaring gewone bewijskracht toekennen en deze als bewijs toelaten. Ook is het niet erg realistisch aan te nemen dat, indien de rechter al bereid zou zijn getuigen die gehoord zijn in het kader van art. 66 Fw nog een keer te horen, die getuigen een van hun eerdere verklaring onder ede afwijkende verklaring zullen afleggen.' S.H. de Rantiz, Perverse prikkels, curatoren en de goede procesorde. In: TvI 2008, 20.
HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184, JOR 2006/281(ABN Amro/Arts q.q.).
Van Galen lijkt dit voor te staan, a.w. p. 910.
Neijt a.w., p. 299.
HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184, JOR 2006/281(ABN Amro/Arts q.q.), rov. 3.3.
Aanvulling gronden hoger beroep punt 59.
Aanvulling gronden hoger beroep punt 59 en punten 25-29.
Aanvulling gronden hoger beroep punt 61.
Aanvulling gronden hoger beroep punt 62.
Beroepschrift punt 9.
Pleitaantekeningen punt 31.
Art. 179 lid 2 Rv is oorspronkelijk bedoeld om het stellen van onbehoorlijke of suggestieve vragen te beletten, maar wordt ruimer ingezet, namelijk ook in het kader van de bescherming van een geheimhoudingsplicht, zie HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 (M/Lubbers), of ten behoeve van journalistieke bronbescherming, zie HR 1 maart 2013, ECLI:HR:2013:BY7845, NJ 2013/337 m.nt. E.J. Dommering (De Limburger).
Zie o.m. De Ranitz, a.w.; Van Galen a.w. Zie ook het Voorontwerp Insolventiewet waarin ernaar gestreefd wordt de rechter-commissaris op grotere afstand van de curator te plaatsen. Zie daarover ook A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie onder punt 2.5 voor HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184, JOR 2006/281(ABN Amro/Arts q.q.).
J.P. Neijt, a.w. p. 299.
Aanvulling gronden hoger beroep punt 35-43. Uit de stukken blijkt dat de advocaat van [verzoekers] nadien nog navraag heeft gedaan bij de griffier, zie prod. 23 bij Aanvulling gronden hoger beroep.
Pleitaantekeningen punt 40-41.
HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade.
Vergelijk A-G Timmerman in zijn conclusie voor HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:297, die onder punt 2.6 het volgende schrijft over een beschikking op grond van art. 58 Fw: 'Mijns inziens zijn daarom op art. 58 lid 1 Fw-procedures, ondanks het eenvoudige en snelle karakter ervan, wel de elementaire beginselen van procesrecht van toepassing. In de eerste plaats komt dan het beginsel van hoor en wederhoor in beeld, maar ik acht het eveneens van belang dat de rechter-commissaris zijn beslissing goed en transparant motiveert. Hiervoor is temeer reden gezien de dubbelrol die de rechter-commissaris in faillissementszaken vervult. Hij treedt op als toezichthouder én geschilbeslechter. Ik heb daar geen principiële problemen mee, maar het is dan wel extra belangrijk dat in procedures waarin de rechter-commissaris als geschilbeslechter optreedt, deze de nodige procedurele zorgvuldigheid betracht.' In een procedure ex art. 58 Fw staat echter geen hoger beroep open tegen de beslissing van de rechter-commissaris, zodat een behoorlijke motivering nog belangrijker is.
Beroepschrift 25‑03‑2016
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen,
- 1.
[verzoeker 1], wonende te [woonplaats] (‘[verzoeker 1]’), en
- 2.
[verzoeker 2], wonende te [woonplaats] (‘[verzoeker 2]’),
hierna gezamenlijk aan te duiden als ‘Verzoekers’, die voor deze zaak woonplaats hebben gekozen aan het Gustav Mahlerplein 50 te (1082 MA) Amsterdam, Postbus 75505 (1070 AM) en aan het Weena 355 te (3013 AL) Rotterdam, Postbus 1507 (3000 BM), ten kantore van A. Knigge en R.R. Verkerk (Houthoff Buruma), advocaten bij de Hoge Raad, die door Verzoekers zijn aangewezen om hen als zodanig te vertegenwoordigen en die dit verzoekschrift voor hen ondertekenen en indienen.
Verzoekers stellen hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking van de Rechtbank Limburg van 18 maart 2016 in de zaak met zaaknummer C/03/216022 (de ‘Beschikking’). In deze procedure bij de Rechtbank Limburg kwamen Verzoekers op tegen een beschikking van 14 januari 2016 van de plaatsvervangend rechter-commissaris in het faillissement van de vennootschap Q-Solutions B.V. (de ‘Beschikking RC’).1.
Verzoekers zijn van oordeel dat geen belanghebbenden anders dan Verzoekers aan deze procedure deel hebben genomen. Volledigheidshalve merken Verzoekers op dat derden wel (zijdelings) betrokken zijn bij deze procedure:
Mr. Ch.L.J.R. Lückers is curator van Q-Solutions B.V. (de ‘Curator’). De Curator houdt kantoor aan het Tempsplein 29, 6411 ET te Heerlen. Hij heeft per brief d.d. 3 maart 2016 bij de rechtbank aangegeven in deze procedure niet op te (willen) treden als ‘partij’ en dat hij niet op de zitting zou verschijnen.2. De Curator is in de Beschikking dan ook niet aangeduid als belanghebbende.
Mr. R.P.J. Quaedackers is rechter-commissaris in het faillissement van Q-Solutions B.V. (de ‘RC’). De RC heeft in de procedure op 26 januari 2016 schriftelijk zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Ingevolge het arrest HR 10 januari 2014, NJ 2014/116 nemen Verzoekers aan dat de RC niet kwalificeert als belanghebbende.
Kennelijk is de Beschikking RC uitgelokt door drie schuldeisers van Q-Solutions B.V. (‘Q-Solutions’).3. Deze schuldeisers hebben noch schriftelijk noch mondeling hun zienswijze kenbaar gemaakt. Zij zijn in de Beschikking dan ook niet als belanghebbenden aangemerkt.
Verzoekers leggen het volledige procesdossier over, bestaande uit:
- 1.
Verzoekschrift ex artikel 67 Fw d.d. 14 januari 2016;
- 2.
Aanvulling gronden hoger beroep ex artikel 67 Fw d.d. 26 januari 2016;
- 3.
Schriftelijke reactie mr. R.P.J. Quaedackers (RC) d.d. 26 januari 2016;
- 4.
Vermeerdering verzoek en akte inbreng producties d.d. 8 maart 2016;4.
- 5.
Aantekeningen mondelinge behandeling d.d. 15 maart 20165.;
- 6.
Beschikking d.d. 18 maart 2016.
Verzoekers voeren tegen de Beschikking aan het navolgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat de Rechtbank Limburg (de ‘rechtbank’) heeft overwogen en beslist als in de Beschikking is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden:
Inleiding
A.
[verzoeker 1] is (middelijk) bestuurder van Q-Solutions. [verzoeker 2] was de (extern6.) controller van Q-Solutions. Op 5 januari 2016 heeft de RC in het faillissement van Q-Solutions zowel [verzoeker 1] als [verzoeker 2] opgeroepen voor een verhoor.7.
B.
Op 8 januari 2016 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de RC verzocht af te zien van het verhoor. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de vorige rechter-commissaris had beslist dat een faillissementsverhoor definitief geen doorgang zou vinden en dat het faillissement zou worden afgewikkeld. Ook hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] aangegeven dat het verhoor tot doel heeft informatie te verzamelen voor een civiele procedure tegen o.m. [verzoeker 1]. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben aangegeven dat een faillissementsverhoor ex. artikel 66 of 105 Fw niet voor dat doel bestemd is.8.
C.
In de in reactie op de fax van 8 januari 2016 heeft de (plaatsvervanger van de) RC op 14 januari 2016 het verzoek (kort) afgewezen (‘Beschikking RC’):
‘Naar aanleiding van uw bericht van 8 januari j.l. deel ik u mee dat ik geen reden zie om me uitgebreid te verantwoorden. Als de curator de rechter-commissaris verzoekt, dan wel de rechter-commissaris dat dienstig vindt om ten behoeve van het verkrijgen van nadere inlichtingen de gefailleerde, bestuurders of getuigen te horen, dan is dat een feit en niet iets dat externe verantwoording behoeft (…).’
D.
Op de voet van artikel 67 Fw zijn Verzoekers opgekomen tegen de Beschikking RC. De Rechtbank Limburg heeft het hoger beroep bij de Beschikking van 18 maart 2016 afgewezen. Dit cassatieberoep richt zich tegen die Beschikking.
Klachten
1. Oneigenlijk gebruik faillissementsverhoor
Partijdebat en beoordeling
1.1.
Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het faillissementsverhoor op de voet van artikel 66, 105 en 106 Fw wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor het bestemd is. De rechtbank heeft dit standpunt van Verzoekers in rov. 2.11 van de Beschikking als volgt samengevat:
‘2.11.
De gronden voor hun hoger beroep komen erop neer:
dat het verhoor ex artikel 105 juncto 106 Fw respectievelijk 66 Fw voor geen ander doel gebruikt mag worden dan ter opheldering van alle omstandigheden die het faillissement betreffen; het mag dus niet worden gebruikt om feiten te verzamelen met het oog op de aansprakelijkheid van de bestuurder. Daarvoor staat de weg van een (voorlopig) getuigenverhoor open. Gebruikt de rechter-commissaris of de curator het verhoor toch voor een ander doel dan waarvoor het is bestemd, dan is dat misbruik van procesrecht. (…)
dat het verzoek namens een drietal crediteuren evenmin de reden van een verhoor kan zijn. ‘Het aanwenden van een verhoor ex artikel 105 Fw om individuele crediteuren van failliet, die menen een (onder andere [A])vordering tegen het bestuur te hebben, van het door hen gewenste feitenmateriaal te voorzien, kwalificeert dan ook eveneens als misbruik van procesrecht.’’
1.2.
Verzoekers hebben hun stelling dat sprake is van misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW nader onderbouwd.9. Zij hebben toegelicht dat het verhoor kennelijk erop gericht is om informatie te vergaren met het oog op een nog te voeren civiele procedure. De Curator, althans enkele individuele schuldeisers10., overwegen een dergelijke procedure tegen (onder meer) [verzoeker 1] aanhangig te maken. Verzoekers stelden in dit verband:
- •
Op het moment dat het verhoor werd bevolen was de inventarisatieperiode waarbinnen een curator normaal gesproken alle feiten opheldert reeds lang verstreken.11.
- •
In 2013 stelde de Curator zich op het standpunt dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] geld aan de boedel verschuldigd zouden zijn. Daaraan koppelde de Curator een verzoek om nadere inlichtingen over de ‘financiële armslag’ van [verzoeker 1], althans, één of meerdere door hem gedreven ondernemingen.12. Nadien heeft de Curator, in 2014, aan de toenmalige rechter-commissaris verzocht een faillissementsverhoor te gelasten.
- •
In 2014 besloot de toenmalige rechter-commissaris (definitief) van het verzochte faillissementsverhoor af te zien. Nadien is besloten schriftelijk vragen aan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] voor te leggen. In het openbaar faillissementsverslag van 16 september 2014 staat daarover: ‘In overleg met de RC is besloten schriftelijke vragen aan betrokkenen voor te leggen en hen zo de kans te geven op hun rol en de feiten hun eigen visie te geven.’ Daaruit blijkt dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] gehoord zouden worden over ‘hun rol’ als resp. (middellijk) bestuurder en controller.13.
- •
in het faillissementsverslag 16 november 2015 staat: ‘Inmiddels heeft mr. J. [C] uit Den Haag zich bij de curator gemeld namens de drie grootste schuldeisers (Fair en Co, Queis en Global Management Services). Hij heeft zich vervolgens tot de RC gewend met het verzoek een mondeling getuigenverhoor te gelasten in plaats van een schriftelijk.’14. Daaruit blijkt dat het door de RC (alsnog) bevolen mondelinge getuigenverhoor in de plaats beoogde te treden van schriftelijk vragen ‘over de rol’ van [verzoeker 1] en/of [verzoeker 2].
- •
Uit een brief van de Curator van 3 maart 2016 blijkt dat de Curator [verzoeker 1], ondanks een eerder verleende finale kwijting, nog steeds aansprakelijk houdt.15.
1.3.
Verzoekers hebben toegelicht dat een voorlopig getuigenverhoor het geëigende instrument is om ten behoeve van en voorafgaand aan een civiele procedure getuigen te horen.16. Een dergelijke openbare contradictoire procedure zou hen meer waarborgen bieden. Zij hebben gewezen op rechtspraak en literatuur waaruit volgt dat een verhoor als bedoeld in artikel 66, 105 en 106 Fw niet mag worden gebruikt voor ander doel dan het ophelderen van de omstandigheden van het faillissement en dat de ruime mogelijkheden van een rechter-commissaris om getuigen te horen als gevolg daarvan zijn begrensd.17. Die rechtspraak en literatuur wordt hier volledigheidshalve nogmaals aangehaald (onderstreping toegevoegd):
- •
HR 1983, NJ 1984/183 (Aannemingsbedrijf [B] B.V.):
‘De Rb. heeft blijkens rechtsoverweging 9 geoordeeld dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen grond bestaat hier misbruik van procesrecht als door [C] en [D] BV gesteld, aan te nemen. Daarbij moet de Rb. niet alleen hebben gedacht aan de omstandigheid dat een procedure niet aanhangig is en evenmin een voorlopig getuigenverhoor is aangekondigd, maar ook hebben gelet op de punten waaromtrent informatie werd gewenst, waaruit de Rb. kennelijk heeft afgeleid dat het door de R-C op verzoek van curatoren bevolen verhoor strekte ter opheldering van omstandigheden, het faillissement betreffende, als bedoeld in art. 66 lid 1F, waarbij de belangen van de gehele boedel betrokken zijn. De omstandigheid dat curatoren ‘voornemens’ zouden zijn een procedure tegen [D] BV aan te spannen, heeft de Rb., anders dan in de toelichting op middel 1 wordt betoogd, niet over het hoofd gezien, immers daarvan wordt melding gemaakt in rechtsoverweging 5. De Rb. heeft echter kennelijk aangenomen dat het verhoor niet in zodanige mate verband hield met een voorgenomen procedure dat aan curatoren een verwijt als hierboven omschreven kon worden gemaakt.
De Rb. heeft, door te oordelen als voormeld, geen rechtsregel geschonden (…)’
- •
HR 6 oktober 2006, JOR 2006/281 (ABN Amro/Arts q.q.):
‘3.3.3.
(…) Het voorlopig getuigenverhoor, zoals dat in art. 186 e.v. Rv. is geregeld, beoogt niet alleen mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat dat zou kunnen worden geproduceerd in het kader van de bewijslevering in een aanhangige of aanhangig te maken procedure. Het strekt ook ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken procedure (…) de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (…) feiten (…).
De strekking van het getuigenverhoor op grond van art. 66 F. is een andere. Dit verhoor vindt niet plaats in het kader van een geschil tussen partijen dat voorwerp is van een aanhangige of mogelijk aanhangig te maken procedure en is niet gericht op het verkrijgen van bewijs in een dergelijke procedure. Het dient daarentegen ertoe de rechter-commissaris — en met hem de curator — door het horen van getuigen in staat te stellen ten aanzien van alle omstandigheden die het faillissement betreffen opheldering te verkrijgen. Van een ‘wederpartij’ is dan ook geen sprake.’
- •
Conclusie van A-G Wesseling-Van Gent vóór HR 6 oktober 2006, JOR 2006/281 (ABN Amro/Arts q.q.):
‘3.10.
M.i. dient met het oog op het doel van het verhoor van art. 66 Fw te worden voorkomen dat art. 66 Fw wordt ingezet als opmaat voor een aansprakelijkheidsprocedure als door Van Galen bepleit. (…) Hoewel een onderzoek naar en de vaststelling van verantwoordelijkheid voor onbehoorlijk bestuur niet van belang is ontbloot voor een latere aansprakelijkheidsprocedure, meen ik dat de strekking van art. 66 Fw en het stelsel van de Faillissementswet eraan in de weg staan dat het verhoor door de rechter-commissaris in faillissementszaken wordt gebruikt voor een ander doel dan ter opheldering van alle omstandigheden die het faillissement betreffen. Voorkomen dient te worden dat art. 66 Fw wordt gebruikt als ‘fishing expedition’.
3.11.
In zijn beschikking van 30 september 1983 heeft de Hoge Raad m.i. reeds in die zin beslist.’
- •
Rechtbank Oost-Brabant 28 mei 2013, RI 2014/9:18.
‘De Verplichting tot het verstrekken van inlichtingen reikt echter niet verder dan hetgeen noodzakelijk is voor een behoorlijke taakuitoefening door de curator; de rechter-commissaris of commissie uit schuldeisers.’
- •
B. Wessels, ‘Het horen van getuigen in het insolventierecht’MvV 2008/3, p. 45–48, p. 46:
‘Ter opheldering van omstandigheden kan de (…) bestuurder van de failliete vennootschap als getuige door de rechter-commissaris worden gehoord, ook wanneer de curator voornemens is tegen de eerstgenoemde vennootschap een procedure aan te spannen, aldus de Hoge Raad in 1983. Deze mogelijkheid dient beperkt te worden toegepast, in die zin dat het verhoor geen voortgang vindt indien het in zodanige mate verband houdt met deze voorgenomen procedure dat aan de curator misbruik van procesrecht kan worden tegengeworpen.’
- •
B. Wessels, Insolventierecht, deel IV, 2015, nr. 4036:
‘Geen fishing expedition. De strekking van art. 66 en het stelsel van de wet staan er-aan in de weg dat het verhoor door de rechter-commissaris in faillissementszaken wordt gebruikt voor een ander doel dan ter opheldering van alle omstandigheden die het faillissement betreffen, bijvoorbeeld teneinde feiten te verzamelen die kunnen leiden tot (…) een procedure met het oog op de aansprakelijkheid van een bestuurder of commissaris.’
- •
P.J. Neijt, ‘Het doel heiligt het verhoor’ in Ph. W. Schreurs e.a. (red) De Gereedschapskist van de Curator (Insoladbundel 2015), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 287–300:
‘Aan de opening van een voorlopig getuigenverhoor stelt de rechtbank strengere eisen, dan de rechter-commissaris stelt in geval van een faillissementsverhoor (…) Wanneer het doel van de curator of rechter-commissaris uitsluitend is de waarborgen van een voorlopig getuigenverhoor te omzeilen of een ‘fishing expedition’ te starten zou mogelijk sprake kunnen zijn van misbruik van recht. (…)
De derde conclusie is dat een inlichtingenverhoor en een faillissementsverhoor voldoende tijdig moet worden gehouden. Als beslissingen aangaande het te voeren boedelbeleid eenmaal zijn genomen en eventuele vorderingen van de boedel in kaart zijn gebracht, ligt het meer voor de hand de weg van het gewoon of voorlopig getuigenverhoor te volgen. Er zijn dan meer waarborgen voor de betrokkenen en de bewijskracht van het verhoor is groter. Het gebrek aan bescherming van de schuldenaar en de getuigen in de faillissementswet dwingt ertoe steeds het doel van de verschillende verhoren in het oog te houden. Daar ligt een van de grenzen van de mogelijkheden die de rechter-commissaris en de curator met de verhoren hebben.’
1.4.
In de Beschikking RC van 14 januari 2016 staat dat een beslissing van een rechter-commissaris ‘een feit [is] en niet iets dat externe verantwoording behoeft.’ De RC heeft nadien in zijn brief van 26 januari 2016 aan de rechtbank (opnieuw) uiteengezet dat hij zich niet gehouden acht zich te verantwoorden of de beweegredenen van het verhoor prijs te geven. De RC heeft de stelling van Verzoekers dat het verhoor ertoe strekt om feitenmateriaal te verzamelen voor een door de curator of door schuldeisers te entameren procedure niet weersproken. De rechtbank oordeelde in rov. 3.5 van de Beschikking dat het voor de beoordeling niet nodig was om de RC te verzoeken nader in te gaan op de stellingen van Verzoekers.
1.5.
De rechtbank oordeelde in rov. 3.5–3.8 en rov. 3.10–3.12 dat de rechtbank niet weet wat de RC wil vragen en dat (dus) nog niet kan worden vastgesteld of het verhoor de kaders van het bepaalde in artikel 66, 105 en 106 Fw te buiten zou gaan. De rechtbank oordeelde:
‘3.8.
Het probleem is natuurlijk: de rechtbank weet niet wat de rechter-commissaris wil gaan vragen tijdens het verhoor van [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. Verzoekers weten het ook niet.
3.10.
In het kader van deze appelprocedure kan dus niet aan de orde worden gesteld of een vraag van de rechter-commissaris al dan niet het onderzoekskader van artikel 66 Fw en artikel 105 juncto 106 Fw te buiten zal gaan. Zo'n eventuele overschrijding is op voorhand wel denkbaar, maar kan enkel eerst tijdens het verhoor zelf worden vastgesteld en zo nodig aan de orde worden gesteld.
3.11.
Hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
3.12.
De rechtbank kan de rechter-commissaris dus op dit moment niet verbieden om verzoekers op te roepen voor verhoor. En daarmee komt elke grond aan de verzoeken — in alle varianten — te ontvallen.’
Klachten tegen het oordeel in rov. 3.5–3.8 en rov. 3.10–3.12
1.6.
Het oordeel in rov. 3.10 dat in een appelprocedure ‘niet aan de orde [kan] worden gesteld of een vraag van de rechter-commissaris al dan niet het onderzoekskader van artikel 66 Fw en artikel 105 juncto 106 Fw te buiten zal gaan’ en dat ‘zo een overschrijding eerst tijdens een verhoor’ kan worden vastgesteld is rechtens onjuist. Dit klemt eens temeer omdat Verzoekers gemotiveerd en onbetwist stelden dat het verhoor als zodanig misbruik van recht oplevert omdat het wordt bevolen met een ander doel dan waarvoor het is bestemd.19. De onjuiste rechtsopvatting van de rechtbank brengt mee dat een beroep op de voet van artikel 67 Fw tegen een beschikking om een verhoor te gelasten of doorgang te doen vinden altijd moet falen zolang nog niet precies bekend is welke vragen worden gesteld. De rechtbank miskent daarmee dat ook de bevoegdheid getuigen op te roepen (en dus niet alleen het voorleggen van specifieke vragen) kan worden misbruikt. Dat wordt ook algemeen aangenomen in de rechtspraak en literatuur zoals die ook in deze procedure door Verzoekers aangehaald (zie § 1.3 hiervoor). Dat artikel 66 en 105 Fw een rechter-commissaris een ruime bevoegdheid toekennen maakt dit niet anders omdat dit onverlet laat dat die ruime bevoegdheid weldegelijk begrensd is en een rechter-commissaris die bevoegdheid kan misbruiken.20. Het oordeel van de rechtbank gaat aldus uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van artikel 3:13 BW, althans art. 66, 105 en 106 Fw.
1.7.
Rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, is voorts het (kennelijke) oordeel dat (beslissende) betekenis toekomt aan het feit dat op voorhand niet (precies) duidelijk is welke vragen zullen worden geformuleerd en of een rechter-commissaris misschien kennis heeft genomen van nieuwe feiten.21. Dergelijke onzekerheden laten immers onverlet dat Verzoekers onbetwist hebben gesteld dat het doel van het verhoor is gericht op het verkrijgen van informatie ten behoeve van een civiele procedure en dat om die reden sprake is van misbruik van recht.22. Als duidelijk is dat het verhoor wordt bevolen voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is dan is sprake van misbruik, ongeacht of precies duidelijk is welke vragen gesteld zullen worden. Overigens heeft te gelden dat de vragen bij een verhoor vooraf nooit vaststaan en het oordeel van de rechtbank tot gevolg zou hebben dat nimmer een geslaagd beroep op artikel 3:13 BW zou kunnen worden gedaan. Dat oordeel is onjuist, zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde rechtsbronnen (zie § 1.3). Het oordeel van de rechtbank gaat aldus uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van artikel 3:13 BW, althans art. 66, 105 en 106 Fw. Althans, het oordeel is zonder een nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
1.8.
De rechtbank heeft ook/althans in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 19, 24 althans 149 Rv. Verzoekers hebben immers onbetwist gesteld dat het verhoor misbruik van recht oplevert omdat het wordt bevolen met een ander doel dan waarvoor het is bestemd.23. De Curator en de betreffende schuldeisers zijn (bewust) niet als belanghebbende verschenen. De RC heeft wel zijn zienswijze naar voren gebracht maar heeft bij die gelegenheid, noch op enig ander moment, betwist dat het verhoor is bevolen teneinde informatie te verzamelen ten behoeve van een civiele procedure. De rechtbank had daarop dit onweersproken feit tot uitgangspunt moeten nemen en had moeten vaststellen dat sprake was van misbruik van recht. De rechtbank is evenwel buiten de grenzen van het partijdebat getreden en heeft een eigen verrassingsargumentatie ontwikkeld althans, is eigenhandig de door Verzoekers gestelde feiten gaan betwisten. Verzoekers waren daar niet op bedacht24. en hebben zich daarover niet kunnen uitlaten.
1.9.
Althans, voor zover de rechtbank al eigenhandig de juistheid van de gemotiveerde en onbetwiste stelling dat sprake was van misbruik van recht zou hebben mogen onderzoeken, is het oordeel van de rechtbank in rov. 3.6–3.11 niet, althans onvoldoende gemotiveerd. In het bijzonder geldt dat de vaststelling dat de rechtbank en Verzoekers niet zouden weten waarover het verhoor zou gaan (rov. 3.6–3.8) niet voldoende gemotiveerd is. De rechtbank is immers niet kenbaar ingegaan op de essentiële stellingen van Verzoekers waarvan de strekking is dat zij op basis van de hen bekende verslagen en stukken alle reden hebben om aan te nemen dat het verhoor zal zien op hun aansprakelijkheid.25. Tot die stellingen behoren o.m. de stelling inzake het zeer lange tijdsverloop sinds datum faillissement,26. het besluit van de eerdere rechter-commissaris het faillissementsverhoor geen doorgang te laten vinden,27. en de stelling uit het faillissementsverslag d.d. 16 november 2014 blijkt dat de curator een getuigenverhoor over de rol van [verzoeker 1] en/of [verzoeker 2] voor ogen stond.28.
1.10.
Althans, voor zover de rechtbank al eigenhandig de juistheid van de gemotiveerde en onbetwiste stelling dat sprake was van misbruik van recht zou hebben mogen onderzoeken, dan had de rechtbank ten minste tot nader onderzoek moeten overgaan. Dit geldt eens te meer omdat de rechtbank vaststelde dat voor de beoordeling de vraagstelling van de RC relevant is en dat de rechtbank eveneens vaststelde dat zij dienaangaande niet (afdoende) geïnformeerd was.29. De rechtbank had tenminste — zoals geopperd ter zitting30. en juist omdat zij aangaf niet te weten wat de RC zou vragen — kunnen en moeten nagaan bij de RC (en/of derden) of het verhoor inderdaad was ingegeven door de wens informatie te verzamelen ten behoeve van een civiele procedure tegen o.m. [verzoeker 1].
2. Eerder was definitief beslist om verzoekers niet te horen
Eerdere beslissingen en beschikkingen
2.1.
De rechtbank heeft in rov. 2.2–2.7 met juistheid vastgesteld op welke wijze de communicatie verliep tussen de Curator, de vorige rechter-commissaris, de RC en Verzoekers. Daaruit blijkt duidelijk dat de Curator, de vorige rechter-commissaris en de RC lange radiostiltes lieten vallen. Voorts blijkt dat zij telkens weer een ander standpunt innamen en terugkwamen op eerder gemaakte afspraken en eerdere beslissingen. Aanvankelijk zou [verzoeker 1] door de Curator worden uitgenodigd voor een gesprek. [verzoeker 1] werd echter niet uitgenodigd maar ontving maanden daarna onaangekondigd een oproeping voor een faillissementsverhoor. Dat verhoor zou later echter geen doorgang vinden omdat het faillissement zou worden afgewikkeld. Het faillissement werd nadien evenwel niet afgewikkeld en de rechter-commissaris besloot alsnog schriftelijke vragen voor te leggen aan o.m. [verzoeker 1]. De schriftelijke vragen bleven echter uit en na een lange stilte volgde opnieuw onaangekondigd een oproep voor een faillissementsverhoor:
‘2.2.
(…) Ter zake van discussiepunten die partijen verdeeld hielden, werd begin 2011 een minnelijke regeling getroffen met de curator, voor € 75.000,00 tegen finale kwijting ‘voor alles wat tot heden heeft plaatsgevonden’.
2.3.
Circa twee jaar na de — finale — regeling stuurt de curator een email naar de advocaat van [verzoeker 1], met de suggestie dat [verzoeker 1] nog iets aan de boedel zou zijn verschuldigd. Nog diezelfde dag vroeg de advocaat van [verzoeker 1] per email aan de curator waar hij op doelde. De vraag werd nimmer beantwoord door de curator.
2.4.
Na lange radiostilte kreeg [verzoeker 1] een oproeping voor een faillissementsverhoor op 1 juli 2014, terwijl de curator in het faillissementsverslag van 16 februari 2014 nog had geschreven dat hij [verzoeker 1] en diens advocaat nog zou uitnodigen voor een bespreking over de nog af te wikkelen zaken. De advocaat van [verzoeker 1] gaf aan de rechter-commissaris aan dat [verzoeker 1] ook zonder een faillissementsverhoor graag bereid was om vragen te beantwoorden en hij verzocht om het faillissementsverhoor op 1 juli 2014 niet te laten doorgaan. De rechter-commissaris heeft het faillissementsverhoor toen afgelast en besloten om het faillissement af te wikkelen.
2.5.
De griffier van de rechter-commissaris maakte rond 16 september 2014 aan de advocaat van [verzoeker 1] duidelijk dat alvorens tot afwikkeling werd overgegaan, eerst nog vragen schriftelijk aan het bestuur van failliet zouden worden voorgelegd. In de faillissementsverslagen van 16 september 2014 en 18 februari 2015 is dit ook neergelegd.
2.6.
In het verslag van 16 november 2015 is neergelegd dat de drie grootste schuldeisers (Fair en Co, Queis en Global Management Services) zich bij de curator hadden gemeld en dat de curator zich had gewend tot de rechter-commissaris met het verzoek om een mondeling getuigenverhoor te gelasten in plaats van een schriftelijk.
2.7.
Op 5 januari 2016 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] een oproep van de rechtercommissaris ontvangen om op 27 januari 2016 inlichtingen te verstrekken ex artikel 105 en 106 van de Faillissementswet (Fw).’
2.2.
Verzoekers hebben onbetwist gesteld dat de (vorige) rechter-commissaris in het faillissement van Q-Solutions heeft beslist dat er definitief geen faillissementsverhoor van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] plaats zou vinden.31. Verzoekers hebben bepleit dat het alsnog houden van een verhoor gelet op eerdere beschikkingen en de toezegging dat vragen schriftelijk zouden worden toegezegd disproportioneel is en bovendien onverenigbaar met de rechtszekerheid.32. Deze almaar zwalkende opstelling was volgens Verzoekers strijdig met ‘gewoon fatsoen’.33.
Klachten
2.3.
In de Beschikking wordt in het geheel niet ingegaan op de essentiële stelling van Verzoekers dat het rechtens niet toelaatbaar was van de RC om af te wijken van (i) de eerdere beschikking van een eerdere rechter-commissaris om definitief af te zien van een faillissementsverhoor, en/of (ii) de nadien gedane toezegging (althans beschikking) waarvan de strekking was dat vragen schriftelijk aan [verzoeker 1] en/of [verzoeker 2] zouden worden voorgelegd.34. De Beschikking van de rechtbank is om die reden onvoldoende gemotiveerd, althans strijdig met artikel 24 Rv.
2.4.
Indien in de Beschikking een impliciet rechtsoordeel besloten zou liggen waarvan de strekking is dat een rechter-commissaris altijd, althans in dit specifieke geval, zonder enige toelichting meermaals zou mogen terugkomen op eerder genomen beslissingen en/of beschikkingen is dat oordeel rechtens onjuist. De gedachte dat een rechter-commissaris zonder meer terug zou kunnen komen op eerdere beschikkingen is strijdig met het uitgangspunt dat een eerdere onherroepelijke beschikking waarin definitief wordt afgezien van een faillissementsverhoor gezag van gewijsde heeft. Ook aan beschikkingen komt immers gezag van gewijsde toe. Bovendien is het onverenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel indien een rechter-commissaris een alsmaar zwalkend beleid uitzet. De strekking van het vertrouwensbeginsel is dat de overheid in beginsel handelt in overeenstemming met het door haar opgewekte vertrouwen.35. Het is algemeen aanvaard dat ook een rechtbank in een democratische rechtsstaat vertrouwen moeten wekken en (in dat kader) rechtszekerheid moeten bevorderen.36. Voor zover het onder omstandigheden al mogelijk zou zijn voor een rechter-commissaris om meermaals terug te komen op eerdere onherroepelijke beschikkingen dan mag daar tenminste de eis aan worden gesteld dat een rechter-commissaris die beslissing afdoende motiveert.37. Het is dan ook onaanvaardbaar dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zonder enige motivering (en bovendien zonder dat zij zijn gehoord38.) in afwijking van eerdere beslissingen zijn opgeroepen voor een verhoor en dat zij ook nadien, indien zij dit aan de orde stellen, enkel een briefje ontvingen met de mededeling dat een oproeping van een rechter-commissaris ‘een feit [is] en niet iets dat externe verantwoording behoeft’.39.
Voorbehoud aanvulling
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling was ten tijde van het opstellen van dit cassatiemiddel niet beschikbaar. Hoewel om een afschrift daarvan is verzocht heeft de rechtbank nog geen proces-verbaal aan Verzoekers verstrekt. Verzoekers behouden zich het recht voor om het cassatiemiddel aan te vullen voor zover hier aanleiding toe zou blijken te zijn.
Conclusie
Verzoekers verzoeken u de bestreden Beschikking en de Beschikking RC te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Dit verzoekschrift is ingediend in negenvoud.
Rotterdam, 25 maart 2016
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑03‑2016
De Beschikking RC is overgelegd als productie 1 bij het verzoekschrift d.d. 14 januari 2016.
Zie productie 30 zoals overgelegd bij de vermeerdering van het verzoek d.d. 8 maart 2016. ‘Ik wijs er echter op dat dit geen verweerschrift is en dat ik in deze ook geen verweerder ben. (…) Wat mijn nonstatus als procespartij (laat staan verweerder) betreft, zij er hier nog op gewezen dat de RC in deze zelfstandig tot het houden van een getuigenverhoor heeft besloten.’ Zie Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, nr. 3.
Zie Beschikking, rov. 2.6. Zie ook productie 30 zoals overgelegd bij de vermeerdering van het verzoek d.d. 8 maart 2016.
De Beschikking noemt in rov. 1.1 een brief die op 7 maart 2016 is ontvangen. Verzoekers nemen aan dat dit de brief van 3 maart 2016 betreft die Verzoekers als productie 30 hebben overgelegd.
Het betreft hier twee separate documenten met aantekeningen van zowel mr. Rosbeek als mr. Schreurs die beiden optraden voor Verzoekers.
[verzoeker 2] was niet in loondienst van Q-Solutions.
Beschikking, rov. 2.2.
Beschikking, rov. 2.8, zie voorts het als productie 25 overgelegde faxbericht.
Aanvulling gronden hoger beroep § 55 e.v., aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 26.
Verzoekers hebben uiteen gezet dat het verhoor niet mag worden bevolen om de eigen belangen van enkele schuldeisers te dienen. Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 25.
Aanvulling gronden hoger beroep § 59, aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 23.
Aanvulling gronden hoger beroep § 61.
Aanvulling gronden hoger beroep § 62. Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 23.
Deze brief is overgelegd als productie 31 en daar is naar verwezen in de aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 31. In de brief staat: ‘Ik herhaal (…) dat ik de gang van zaken niet juist acht. Dat heeft zowel betrekking op de faillissementsaanvrage en advisering daartoe en de wijze waarop dat geregisseerd is (…) Ik behoud mij wat dat betreft alle rechten ten aanzien van alle betrokkenen voor.’
Aanvulling gronden hoger beroep § 56, aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 26, aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mr. Schreurs, § 6 e.v.
Zie faxbericht d.d. 8 januari 2016, p. 3, aanvulling gronden hoger beroep § 57, aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 22 en aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mr. Schreurs, § 8.
Zie ook B. Wessels, Insolventierecht, deel IV (4e druk), nr. 4404.
Zie de vindplaatsen in de stukken als genoemd in § 1.2 en □ hiervoor. Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, nr. 2. ‘De materiele bezwaren tegen de beschikking van mr. [plaatsvervangend rechter-commissaris], plaatsvervangend rechter-commissaris (…) en de motivering daarvan worden niet besproken, zodat de juistheid van hetgeen Appellanten daarover hebben gesteld, vast staat.’
Voor de goede orde: Verzoekers betwisten op zichzelf niet dat het wettelijk systeem een rechter-commissaris ruime bevoegdheden toekent.
Zie in het bijzonder rov. 3.6–3.8 van de Beschikking.
Zie de vindplaatsen in de stukken als genoemd in § 1.2 en □ hiervoor.
Zie de vindplaatsen in de stukken als genoemd in § 1.2 en □ hiervoor.
Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, nr. 2. ‘De materiele bezwaren tegen de beschikking van mr. [plaatsvervangend rechter-commissaris], plaatsvervangend rechter-commissaris (…) en de motivering daarvan worden niet besproken, zodat de juistheid van hetgeen Appellanten daarover hebben gesteld, vast staaf.’
Bedoeld is de stellingen zoals hiervoor in § 1.2 hiervoor.
Aanvulling gronden hoger beroep, § 59.
Aanvulling gronden hoger beroep, § 61.
Zie § 1.2 hiervoor en de daar genoemde vindplaatsen.
Zie in het bijzonder Beschikking, rov. 3.6–3.10.
Zie Beschikking, rov. 3.5.
Aanvulling gronden hoger beroep § 39–41, productie 23.
Aanvulling gronden hoger beroep § 65. Zie ook Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 34–41.
Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mr. Schreurs, § 13.
Aanvulling gronden hoger beroep § 65, 39–41. Zie ook Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 34–41.
Zie in algemene zin E.A. Vos, Europeanisering van het vertrouwensbeginsel (diss. Utrecht), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, hoofdstuk 6.
Zie bijv. EHRM 8 november 2007, (De la Fuente Ariza v. Spanje), nr. 3321/04.
Ook een inhoudelijke beschikking van een rechter-commissaris is immers een rechterlijk uitspraak die in beginsel een motivering behoeft (zie o.m. artikel 121 Gw en artikel 6 EVRM).
Aantekeningen d.d. 15 maart 2016 mrs. Rosbeek en Schreurs, § 14, 15.
Zie de Beschikking RC.