Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/10.2.1
10.2.1 Soort en fictief aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450602:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor kritiek op deze uitsluiting van de regeling van het verlies uit aanmerkelijk belang in geval van een soort aanmerkelijk belang R.M. Freudenthal, Differentiatie van aandeelhoudersrechten; all shareholders are equal, but some MBB 1994, nr. 6, blz. 205 e.v. en dezelfde. Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, academisch proefschrift, blz. 218 e.v., Kluwer, Deventer, 1996.
In dezelfde zin de Vakstudie in aantekening 20 op art. 60 Wet IB.
Zie voor kritiek op dit arrest T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, F'iscale monografie nr. 19, blz. 175-176, Kluwer, Deventer, 1993 en J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 225, Fed, Deventer, 1995.
Nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d, blz. 1-2.
Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling was art. 60 Wet IB ingevolge art. 39, derde lid, derde volzin, (oud) Wet IB niet van toepassing op een zgn. soort aanmerkelijk belang. De achtergrond van deze uitsluiting was gelegen in mogelijk misbruik dat van de aanmerkelijkbelangverliesregeling zou kunnen worden gemaakt doordat een niet-aanmerkelijkbelanghouder, in het zicht van verkoop van de aandelen met (een niet-aftrekbaar) vermogensverlies, zich in een aanmerkelijkbelangpositie zou kunnen manoeuvreren door het nemen van quasi-preferente aandelen en aldus toegang zou kunnen verkrijgen tot de aan-merkelijkbelangverliesregeling van art. 60 Wet IB.1 De nieuwe aanmerkelijkbelangregeling bevat niet een met art. 39, derde lid, derde volzin, (oud) Wet IB vergelijkbare regeling, zodat het er mijns inziens op moet worden gehouden dat onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling ook een zgn. soort aanmerkelijk belang tot een op de voet van art. 60 Wet IB in aanmerking te nemen verlies uit aanmerkelijk belang kan leiden.2 Een met art. 39, derde lid, derde volzin, (oud) Wet IB vergelijkbare regeling is onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling ook niet noodzakelijk, aangezien in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling het nemen van een verlies uit aanmerkelijk belang door zich geforceerd in een aanmerkelijkbelangpositie te manoeuvreren, wordt voorkomen doordat de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen ingevolge art. 20c, vijfde lid, Wet IB ten hoogste wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment waarop deze tot een aanmerkelijk belang gaan behoren (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4). Hierdoor is het niet mogelijk om een verlies uit aanmerkelijk belang dat materieel betrekking heeft op de niet-aanmerkelijkbelangperiode in aanmerking te nemen, nadat een (eventueel soort) aanmerkelijk belang is ontstaan.
Voorts is art. 60 Wet IB blijkens HR 21 juni 1978, BNB 1978/207 niet van toepassing op een zgn. fictief aanmerkelijk belang ex art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB, krachtens een ingevolge art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde, art. 68a Wet IB of art. 68aa Wet IB (zie tevens hoofdstuk 9, onderdeel 9.3.3).3 Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer heeft dit arrest onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling zijn belang behouden.4