Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/1.3.4.1
1.3.4.1 Beheer(s)verbod/bestuursverbod
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS443731:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Slagter (Personenassociaties III), II.12.2, Mohr & Meijers (2009), nr. 4.5.2.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 74, Meijers (1996), p. 68-69.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 74.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 74. Zo ook Pitlo/Raaijmakers (2000), p. 160.
Art. 7:809-812 BW zoals voorgesteld in het Voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek, Kamerstukken II, 2002/03, 28 746, nr. 2, deels gewijzigd door het Voorstel van wet tot aanpassing van de wetgeving aan en invoering van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (Invoeringswet titel 7.13 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken II, 2006/07, 31 065, nr. 2. Beide voorstellen tezamen duid ik hierna in deze studie aan als het ‘wetsvoorstel Personenvennootschappen’.
Zo ook Pitlo/Raaijmakers (2006), nr. 2.6.9.
Doorenbos (2008), p. 422-425. In deze betekenis wordt het bestuursverbod ook wel ‘director disqualification’ genoemd; zie Bras & Winter (2004), p. 328-334.
Brief van hetMinisterie vanVeiligheid en Justitie aan deVoorzitter van de Tweede Kamer van 27 juni 2013 inzake wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht, Kamerstukken II, 2012/ 13, 33 695, nr. 1. Hieraan is een internetconsultatie vooraf gegaan, zie http://www.internetconsultatie. nl/civielbestuursverbod. Zie over het consultatieontwerp: Koster (2013), p. 106-107.
Hetzelfde geldt voor de regel van art. 2:298 lid 3 BW, waarin wordt bepaald dat een door de rechter ontslagen bestuurder van een stichting gedurende vijf jaren na zijn ontslag geen bestuurder van een stichting kan worden. Deze regel wordt ook wel aangeduid als een bestuursverbod, zie Asser/Rensen 2-III* (2012), nr. 353.
Zoals hierboven al kort is vermeld verbiedt art. 20 lid 2 WvK de commanditaire vennoot een daad van beheer te verrichten of in de zaken van de vennootschap werkzaam te zijn. Dit verbod wordt doorgaans dan ook aangeduid als het ‘beheersverbod’ of ‘beheerverbod’.1 Nu is ‘beheren’ een oude term, die in dit verband verwarrend en daarmee ongelukkig is. Taalkundig duidt zij op een weinig dynamische bezigheid van hoofdzakelijk administratieve aard, waarbij verantwoordelijkheid, zorg en bewindvoering kernelementen zijn.2 Juridisch kan het begrip ‘beheren’ het misverstand oproepen dat daden van beschikking hier niet onder zouden kunnen vallen.3 Dat is geenszins de bedoeling: met ‘beheren’ wordt bedoeld het verrichten van alle handelingen die, gelet op de doeleinden van de vennootschap in kwestie, tot haar normale bedrijfsexploitatie behoren.4 In modern taalgebruik wordt deze activiteit aangeduid met de term ‘besturen’.5 Dat is ook de term die het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel Personenvennootschappen voor deze activiteit hanteerde.6 Ik sluit mij in deze studie bij dit taalgebruik aan. In het verlengde daarvan zal ik het verbod van art. 20 lid 2 WvK niet aanduiden als het ‘beheer(s)verbod’, maar als het ‘bestuursverbod’.7 Deze term wordt ook in twee andere betekenissen gebruikt. Als eerste noem ik de ontzetting uit het beroep van bestuurder, die de rechter als bijkomende straf kan opleggen aan een persoon die is veroordeeld voor misdrijven van financieel-economische aard: dan is dus sprake van een ‘strafrechtelijk bestuursverbod’.8 Te onderscheiden daarvan is een ‘civielrechtelijk bestuursverbod’. Daarmee wordt gedoeld op een verbod om gedurende een bepaalde periode de functie van bestuurder van een rechtspersoon te vervullen. Een dergelijk verbod kan door de rechter worden opgelegd aan een bestuurder van een failliet verklaarde vennootschap die zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Een dergelijk verbod kent ons recht nog niet, maar het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft aangekondigd ernaar te streven in het najaar van 2013 een wetsontwerp over het opnemen van een dergelijk civielrechtelijk bestuursverbod in de Faillissementswet ter advisering aan te bieden aan de Raad van State.9 Het strafrechtelijk en het civielrechtelijk bestuursverbod wijken wat hun opzet en werking betreft duidelijk af van het bestuursverbod in de context van art. 20 lid 2 WvK.10 Het lijkt mij dan ook uitgesloten dat het gebruik van de term ‘bestuursverbod’ in deze laatste context tot misverstanden kan leiden over de vraag welk van deze bestuursverboden is bedoeld. Ik houd het in het kader van de onderhavige studie dus toch maar op ‘bestuursverbod’. Overwogen zou kunnen worden het in deze studie behandelde type bestuursverbod een ‘vennootschapsrechtelijk’ of ‘vennootschappelijk’ bestuursverbod te noemen teneinde dit te onderscheiden van beide bovenbedoelde vormen van een bestuursverbod, maar zolang dat niet nodig is om misverstanden te vermijden ware het alleen al om redenen van taalefficiëntie beter daarvan af te zien.