Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.2.3
7.2.3 Software
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258537:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Douanewaardestudie nr. 3, uitgegeven door de Raad voor samenwerking op douanegebied. Strikt genomen wordt in het rapport aangegeven dat de ‘costs and profits, in particular those connected with the reparation of the job plan’ niet in aanmerking moeten worden genomen voor het bepalen van de douanewaarde. Daaronder wordt in wezen de waarde van de software begrepen, vgl. Conclusie A-G Lenz 2 mei 1990, nr. C-79/89 (Brown Boveri & Cie AG tegen Hauptzollamt Mannheim), ECLI:EU:C:1990:176, r.o. 14.
Rekenkamer jaarverslag over het begrotingsjaar 1983 vergezeld van de antwoorden van de instellingen, PB C 348 van 31.12.1984, p. 193.
Preambule van Verordening (EEG) nr. 1055/85 van de Raad van 23 april 1985 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen, PB L 112 van 25.4.1985, p. 50.
Rekenkamer jaarverslag over het begrotingsjaar 1983 vergezeld van de antwoorden van de instellingen, PB C 348 van 31.12.1984, p. 193.
Decision 4.1. Valuation of carrier media bearing software for data processing equipment. (Adopted, 10th meeting, 24 September 1984).
Preambule van Verordening (EEG) nr. 1055/85 van de Raad van 23 april 1985 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen, PB L 112 van 25.4.1985, p. 50–50.
Verordening (EEG) nr. 1055/85 van de Raad van 23 april 1985 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen, PB L 112 van 25.4.1985, p. 50.
Commentary 13.1. Application of the decision on the valuation of carrier media bearing software for data processing equipment. (Adopted, 14th Session, 8 October 1987, 34.380).
HvJ EEG 18 april 1991, nr. C-79/89 (Brown Boveri & Cie AG tegen Hauptzollamt Mannheim), ECLI:EU:C:1991:153, r.o. 21.
Preambule punt 7 van Verordening (EG) nr. 444/2002 van de Commissie van 11 maart 2002 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek en Verordeningen (EG) nr. 2787/2000 en (EG) nr. 993/2001 (Voor de EER relevante tekst), OJ L 68, 12.3.2002, p. 11–17.
In preambule punt 7 van Verordening (EG) nr. 444/2002 wordt overigens verwezen naar het besluit 4.1 van 12 mei 1995 in plaats van 24 september 1984. Dat houdt verband met het feit dat besluit 4.1 is vastgesteld door de Commissie douanewaarde ten tijde van de Tokyo-ronde. De Commissie douanewaarde van de WHO heeft tijdens zijn vergadering op 12 mei 1995 de reeds vastgestelde besluiten aangenomen zonder wijziging, zie WTO (Committee on Customs Valuation) – Decisions Concerning the Interpretation and Administration of the Agreement on Implementation of Article VII of the GATT 1994 (Customs Valuation), G/VAL/5, 13.10.1995.
HvJ EG 16 november 2006, nr. C-306/04 (Compaq Computer International Corporation), ECLI:EU:C:2006:716. Uit dit arrest zou afgeleid kunnen worden dat de waarde van de software als royalty in de zin van (thans) artikel 71, lid 1, onderdeel c, DWU in aanmerking genomen moet worden voor de vaststelling van de douanewaarde. Ik meen echter dat software hoogstens als toelevering in aanmerking kan worden genomen, zie onderdeel 11.4.
Tot en met 30 juni 1980 werd in EU-verband de douanewaarde vastgesteld op grond van Verordening (EEG) nr. 803/68. Op basis van deze verordening werd de douanewaarde in lijn met de BWD vastgesteld (onderdeel 3.3.3.1). Voor het onder de BWD eenduidig bepalen van de douanewaarde van informatiedragers waarop software is opgeslagen, heeft de Technische commissie douanewaarde van de WDO een studieplan opgesteld. In de in 1979 herziene versie is opgenomen dat software (‘programmatuur’ in ‘goed’ Nederlands) niet in de douanewaarde van ingevoerde informatiedragers moet worden begrepen.1 De EU-lidstaten leken deze benadering onder toepassing van Verordening (EEG) nr. 803/68 te volgen.2
Met de inwerkingtreding van de CVA namen een aantal WHO-verdragslanden, waaronder de Europese Unie,3 de kosten die verband houden met software echter in aanmerking bij het bepalen van de douanewaarde van informatiedragers.4 Hierdoor kwam de eenvormige toepassing van de CVA in gevaar, omdat WHO-verdragslanden software anders gingen behandelen. De Commissie douanewaarde van de WHO heeft dit willen oplossen door in Decision 4.1 van 24 september 1984 vast te leggen dat het WHO-lidstaten vrijstaat om bij de invoer van informatiedragers waarop software is opgeslagen, louter de kosten van de informatiedragers in aanmerking te nemen voor het bepalen van de douanewaarde.5 In Decision 4.1 wordt WHO-lidstaten verzocht om de Commissie douanewaarde van de WHO in kennis te stellen, indien en vanaf welk moment zij hiertoe overgaan. In mijn optiek lost dit slechts een deel van de problematiek op, omdat WHO-landen niet verplicht zijn om hiertoe over te gaan waardoor de eenvormige toepassing van de CVA blijvend gevaar loopt. Het geeft echter wel aan dat het niet de intentie was van de opsteller van de CVA om software anders dan onder de BWD te behandelen.
In de Europese Unie is de CVA in eerste instantie vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 1224/80. De Europese Unie lijkt de introductie van de CVA zo geïnterpreteerd te hebben, dat daaruit bepaalde (onbedoelde) wijzigingen in de douanebehandeling van informatiedragers zouden voortvloeien.6 Met andere woorden, de waarde van de op informatiedragers opgeslagen software zou wel in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde. In reactie op Decision 4.1 heeft de Europese Unie zijn zienswijze aangepast en is artikel 8bis geïntroduceerd in Verordening (EEG) nr. 1224/80. Hierin is opgenomen dat:7
Niettegenstaande de artikelen 2 tot en met 8 wordt voor de bepaling van de douanewaarde van ingevoerde informatiedragers die gegevens of instructies bevatten bestemd voor gebruik in gegevensverwerkende apparatuur, slechts rekening gehouden met de kosten of de waarde van de informatiedrager zelf. In de douanewaarde van ingevoerde informatiedragers die gegevens of instructies bevatten, zijn derhalve de kosten of de waarde van de gegevens of instructies niet begrepen, mits deze kosten of deze waarde van de kosten of de waarde van de betreffende informatiedrager onderscheiden zijn.
Voor de toepassing van dit artikel zijn:
onder de term «informatiedrager" niet begrepen: geïntegreerde schakelingen, halfgeleiders en soortgelijke componenten of artikelen die dergelijke schakelingen of componenten bevatten;
onder de termen „gegevens of instructies" niet begrepen: geluids-, cinematografische of videoopnamen.
De Europese Unie heeft de Commissie douanewaarde per brief in kennis gesteld van de inwerkingtreding van voornoemde bepaling per 1 mei 1985.8 Voornoemd artikel lijkt letterlijk overgenomen uit de tekst van paragraaf 2 van Decision 4.1. Zowel in Decision 4.1 als in artikel 8bis Verordening (EEG) nr. 1224/80 is voorgeschreven dat de kosten van de software niet in aanmerking genomen hoeven te worden voor het bepalen van de douanewaarde, mits deze kosten of deze waarde van de kosten of de waarde van de informatiedragers te onderscheiden zijn. De Technische commissie douanewaarde van de WDO heeft in dat kader in Commentary 13.1 aangegeven dat het voor het onderscheiden van de kosten voldoende is dat er gegevens over de waarde van de informatiedragers voor handen is.9 Mocht de waarde van de software toch separaat opgegeven moeten worden en de waarde daarvan niet bekend zijn, dan kan deze waarde met redelijke middelen worden geschat in overeenstemming met de beginselen en algemene principes die aan de CVA ten grondslag liggen.
Voor het bepalen van de transactiewaarde van informatiedragers waarop software is opgeslagen die voor 1 mei 1985 zijn ingevoerd, zullen de kosten die betrekking hebben op de software in aanmerking moeten worden genomen bij het waarderen van de informatiedragers. Een en ander voor zover de software in de informatiedragers is belichaamd, omdat dan, aldus het Hof van Justitie: “[…] de kosten voor verkrijging van het immateriële goed als bestanddeel van de voor het voorwerp betaalde of te betalen prijs en derhalve van de transactiewaarde worden beschouwd”.10
Artikel 8bis Verordening (EEG) nr. 1224/80 is in nagenoeg soortgelijke bewoordingen overgenomen in artikel 167 TCDW. Dat artikel is echter met de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 444/2002 komen te vervallen, omdat:11
“Artikel 167, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 had ten doel de heffing van douanerechten op programmatuur die zich op ingevoerde gegevensdragers bevindt, te vermijden, een doelstelling die sedertdien dankzij de ondertekening van de Overeenkomst inzake de handel in informatietechnologieproducten (ITA-overeenkomst), goedgekeurd bij Besluit 97/359/EG van de Raad is bereikt en het is derhalve, onverminderd de toepassing van Besluit 4.1 van 12 mei 1995 van de GATT, niet meer noodzakelijk in specifieke uitvoeringsbepalingen voor de vaststelling van de douanewaarde van gegevensdragers te voorzien.”
Voornoemde beweegreden om artikel 167 TCDW te schrappen, lijkt ook de reden waarom in het DWU-wetgevingspakket een equivalent van artikel 8bis Verordening (EEG) nr. 1224/80 en artikel 167 TCDW ontbreekt. Hoewel uit de ITA-overeenkomst volgt dat de douanerechten van in die overeenkomst genoemde informatietechnologieproducten worden geschrapt, betekent dit niet zondermeer dat voor deze producten niet de douanewaarde vastgesteld zou moeten worden. Het bepalen van de douanewaarde is immers niet alleen van belang voor de heffing van het verschuldigd invoerrecht, ook heeft het bijvoorbeeld betekenis voor het bepalen van de belastbare grondslag van andere heffingen die bij invoer worden geheven zoals de btw. Het schrappen van uitvoeringsbepalingen lijkt derhalve niet op zijn plaats, hoewel in de preambule van Verordening (EG) nr. 444/2002 wel is opgemerkt dat het schrappen van een uitvoeringsbepaling niet afdoet aan de toepassing van Decision 4.1.12
Ondanks dat de onverminderde toepassing van Decision 4.1 ertoe strekt dat de waarde van software in beginsel niet in aanmerking genomen hoeft te worden voor de vaststelling van de douanewaarde, betekent dit niet dat de waarde van software nooit in aanmerking genomen moet worden bij het bepalen van de transactiewaarde van ingevoerde goederen. Onder voorwaarden zal software namelijk als toelevering aan de verkoperworden aangemerkt en moet de waarde van de software als zodanig in aanmerking genomen moeten worden bij het bepalen van de douanewaarde (zie nader onderdeel 11.4).13