Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/5.4:5.4 Rechtsbescherming bij oplegging van een boete volgens de toelichting op de Wet Boeten
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/5.4
5.4 Rechtsbescherming bij oplegging van een boete volgens de toelichting op de Wet Boeten
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258924:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 250.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de parlementaire behandeling van de Wet Boeten hadden verscheidene leden van het parlement hun zorgen geuit over de rechtsbescherming van de belanghebbende die een boete opgelegd krijgt. Om die zorgen weg te nemen heeft het kabinet aangegeven dat bij het opleggen van een boete de volgende rechtsbescherming wordt gegeven.1
De belanghebbende wordt vooraf in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de op te leggen boete naar voren te brengen. Dit zou verdergaande bescherming bieden dan bij andere financiële beschikkingen ingevolge de van toepassing zijnde Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In overeenstemming met de Awb heeft bezwaar of beroep tegen een besluit geen schorsende werking. Er zijn overigens vragen gesteld door parlementsleden of dit niet zou leiden tot een extra gang naar de rechter om de schorsende werking van het boetebesluit te verzoeken (art. 8:81 Awb). Het kabinet heeft echter bewust voor een parate executie gekozen om te voorkomen dat men een belang zou krijgen bij alleen het indienen van een bezwaarschrift. Vanwege de daaraan verbonden opschorting zou de weg namelijk open staan voor indiening van een bezwaarschrift met allerlei chicaneuze verweren die geen automatisch uitstel van betaling zouden rechtvaardigen.2
De volledige beroepsgang (bezwaar, beroep en hoger beroep) staat open.
Bij de tenuitvoerlegging van boetebesluiten door middel van (derden)beslag staan de gebruikelijke mogelijkheden tot verzet ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering open. Hier wordt overigens opgemerkt dat de uitvoeringsorganen niet altijd (onmiddellijk) gebruik hoeven te maken van hun executoriale titel, omdat het in sommige gevallen verstandig kan zijn om te wachten (bij vrijwillig voldoen of grote kosten van executie).3
Bij zorgen over de samenloop van de boete en de maatregel geeft het kabinet aan dat de boete wordt opgelegd bij overtreding van de inlichtingenplicht en de maatregel in beginsel bij overtreding van de overige wettelijke verplichtingen. Dat zou betekenen dat in beginsel voor eenzelfde gedraging niet beide sancties kunnen worden opgelegd.4
Ook de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6 lid 2 EVRM5 gelden bij de oplegging van een boete, hetgeen inhoudt dat de bewijslast van de schending van artikel 25 WW rust op het uitvoeringsorgaan. Bij twijfel wordt dan ook in het voordeel van de uitkeringsgerechtigde beslist.6