Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/3.3.2.1
3.3.2.1 Art. 80 AWR en het AAFD-Protocol
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270086:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 156 WvSv: “Lid 1: Ambtenaren, met de opsporing van strafbare feiten belast, die geen hulpofficier van justitie zijn, doen door hen opgemaakte processen-verbaal, alsmede bij hen binnengekomen aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de hulpofficier van justitie onder wiens rechtstreeks bevel of toezicht zij staan dan wel aan de officier van justitie, indien een richtlijn van het openbaar ministerie dat voorschrijft of de officier van justitie zulks beveelt. Lid 2: De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij hen binnengekomen of door hen opgemaakt, de aangiften, berichten en inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie. Lid 3: Toezending kan met instemming van de officier van justitie achterwege worden gelaten.”
De Commissie Van Slooten wenste in 1992 expliciet het bijzondere fiscale vervolgingsstelsel te behouden, wat inhield dat de keuze tussen oplegging van een boete of overdracht ter strafrechtelijke vervolging bij de fiscus berust (zie art. 80, tweede lid, laatste volzin AWR), evenals de bevoegdheid om met de verdachte een transactie aan te gaan (art. 76 AWR). Rapport van de Commissie Van Slooten van 18 maart 1992, p. 7 en 18.
De terminologie is verouderd. In art. 12 Grondwet, het Wetboek van Strafvordering en in de Algemene Wet op het Binnentreden wordt gesproken over het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner. Deze opsomming van dwangmiddelen in art. 80 lid 2 AWR is overigens niet limitatief. Ook de inzet van andere dwangmiddelen kan de OvJ bevoegd maken, zoals bijvoorbeeld het opnemen/afluisteren van telefoongesprekken (art. 126m WvSv.).
In het geval dwangmiddelen zijn ingezet dient de OvJ dominus litis te zijn. De reden hiervan is dat de inzet van deze dwangmiddelen de zaak in de justitiële sfeer brengt doordat voor de inzet van deze dwangmiddelen doorgaans toestemming vereist is van de OvJ of de r-c, welke laatste dat slechts kan doen op vordering van de OvJ.
Bharatsingh 2004, onderdeel 3.1.
HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4311, NJ 1987/304.
Bharatsingh 2004, onderdeel 3.1.
Kamerstukken II 1954/1955, 4080, nr. 3, p. 26-27.
Kamerstukken II 1954/1955, 4080, nr. 3, p. 26-27.
Wortel 1991, p. 228.
HR 24 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0771, NJ 1997, 724.
De Bont 2005a, onderdeel 3.1.
De verdachte geniet in het strafproces de bescherming van twee elementaire beginselen, te weten het beginsel dat de verdachte niet behoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling en het beginsel dat hem een zwijgrecht toekomt. Beide beginselen zijn een uitwerking van het recht op een eerlijk proces dat wordt gewaarborgd door art. 6 EVRM.De bescherming die deze beginselen beogen te bieden aan een verdachte is echter niet absoluut en kan onder druk komen te staan indien de verdachte, naast een strafrechtelijk onderzoek, ook voorwerp is van onderzoek door de Belastingdienst.Deze druk komt voort uit het feit dat de Belastingdienst de belastingplichtige kan verplichten informatie te verstrekken zoals in art. 47 AWR. Deze spanning tussen enerzijds de strafrechtelijke sfeer en anderzijds de controlesfeer wordt normaliter in de literatuur beschreven onder de begrippen sfeerovergang en sfeercumulatie. Hierover wordt in dit boek nadrukkelijk niet geschreven, zie de beperkingen in § 1.5.
Overigens kan de OvJ wel in algemene zin aanwijzingen geven aan de opsporingsambtenaar in deze fase van het onderzoek (art. 4 Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, Kamerstukken II 2004/2005, 30 182, nr. 3, p. 18.
De verplichting in plaats van de mogelijkheid het p-v aan de OvJ te doen toekomen.
Bharatisingh (2004, onderdeel 2) concludeert terecht dat de Belastingdienst dus zowel in de bestuurlijke als de strafrechtelijke optie een hele belangrijke rol speelt. Bij de bestuurlijke weg is het de inspecteur die de boete oplegt en bij het strafrechtelijk alternatief is het de contactambtenaar die namens de Belastingdienst meebeslist in de strafrechtelijke vervolging.
AAFD-Protocol 2015.
Voor een uitgebreid overzicht van de fiscale vervolgingsrichtlijnen vanaf 1985 wordt verwezen naar Westra 2006, hoofdstuk 3.
De wijziging van de naam: van ATV naar AAFD had te maken met de vervanging van de fiscale transactie (T) door de strafbeschikking per 1 juli 2011. De verschillen tussen de AAFD 2011 en de ATV 2010 zijn verder beperkt en voornamelijk tekstueel van aard.
In de richtlijnen die golden tot 2015 gold in feite ook al wel de optimum remedium-gedachte, maar deze werd niet als zodanig expliciet benoemd. “Alle handhavingsinspanningen zijn gericht op de naleving van wet- en regelgeving en het bevorderen van compliant gedrag. Hiertoe zijn diverse handhavinginstrumenten beschikbaar, waaronder het strafrecht. De inzet van bestuursrecht of strafrecht wordt bepaald aan de hand van de vraag welk instrument het meest efficiënt en effectief is. Zo zal het strafrecht worden ingezet ter correctie van die gevallen waarin sprake is van flagrante schendingen van de rechtsorde, waardoor grote schade aan de belangen van burger en staat kunnen ontstaan. Het strafrecht is daarbij onderdeel van de totale handhavingsketen. Maar het strafrecht dient een breder doel. De meerwaarde van het strafrecht zit ook in de normstellende en normbevestigende werking ervan en het preventieve effect dat ervan uitgaat. Door het strafrecht als integraal onderdeel van de handhaving in te zetten kan het benut worden om als totale keten proactief op te treden en brede maatschappelijke effecten te sorteren. In lijn met deze koers zal het strafrecht steeds meer worden ingezet ter ondersteuning van en in wisselwerking met het toezicht om zo de rechtshandhaving te stimuleren en compliance te bevorderen.”
AAFD-Protocol 2015, p.1.
HR 28 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4258, BNB 1990/194 (Leidraad Administratieve Boeten) en HR 19 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC:8556, NJ 1991/119.
Veelal gaat het over het ‘ten onrechte’ kiezen voor de strafrechtelijke route, waardoor de term van verdachte meestal passend is.
De Bont 2007, onderdeel 4.
Kamerstukken II 2006/2007, 31 124, nr, 3, p. 67.
Haas en Jansen 2018, p. 45.
AAFD-Protocol 2015.
Art. 80 AWR als afwijking van art. 5:44 lid 2 Awb
Het keuzemodel dat forumkeuze begeleidt in fiscale zaken, is neergelegd in art. 80 AWR en het AAFD-Protocol. In art. 5:44 lid 2 Awb is bepaald dat bij wettelijk voorschrift of afspraak tussen bestuursorgaan en OM kan worden afgeweken van de hoofdregel dat een gedraging, indien zij tevens een strafbaar feit is, aan de OvJ wordt voorgelegd. Art. 80 AWR kan als zodanig wettelijk voorschrift worden beschouwd en is in die zin dus een afwijking van de Awb.1 Op grond van deze bepaling is het namelijk zo dat een gedraging kán worden voorgelegd aan de OvJ.
Art. 80 AWR luidt als volgt:
Met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast.
In afwijking van de artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten ingezonden bij het bestuur van ’s Rijks belastingen. Het bestuur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie. De overige processen-verbaal doet het bestuur, met de inbeslaggenomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien het een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weder in handen van het bestuur van ’s Rijks belastingen te stellen, hetwelk daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 76.
Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin het bestuur van ’s Rijks belastingen het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.“
Art. 80 lid 2 AWR
In afwijking van art. 156 WvSv2 worden op grond van lid 2 van art. 80 AWR alle processen verbaal (hierna: p-v’s) betreffende fiscale feiten ingezonden bij het bestuur van ’s Rijks belastingen. De vraag of in een fiscale zaak strafrechtelijke vervolging moet plaatsvinden, zal volgens deze wettelijke bepaling dus primair door de Belastingdienst worden beantwoord.3 Het bestuur wordt vervolgens verplicht de p-v’s betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast, dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden,4 te doen toekomen aan de bevoegde OvJ. De p-v’s waarvoor de doorzendplicht niet geldt, gaan alleen richting de OvJ indien het bestuur dit wenselijk acht. Van het aan het OM voorleggen van de overtreding kan worden afgezien in de gevallen waarvoor zulks tussen bestuur en OM is overeengekomen (zie later het AAFD-Protocol).5Lid 2 van art. 80 AWR brengt dus tot uitdrukking dat in eerste instantie de Belastingdienst de opportuniteit bepaalt van een strafrechtelijke vervolging in een fiscale fraudezaak, hetgeen slechts uitzondering lijdt in de hiervoor genoemde gevallen.6 Bharatsingh beschrijft dat – in geval de OvJ op eigen houtje handelt zonder dat daartoe een initiatief is genomen door het bestuur of de contactambtenaar – deze in zijn vervolging niet-ontvankelijk kan worden verklaard.7
Volgens de Hoge Raad moet uit lid 2 ook worden afgeleid dat de bevoegdheid tot strafrechtelijke vervolging wel helemaal bij het OM berust.8 En Bharatsingh schrijft nog iets stelliger, dat het OM, in feite omdat het als enige over kan gaan tot strafrechtelijke vervolging, de opportuniteitsbeslissing toch nog in handen heeft:
“Het zal duidelijk zijn dat de officier geheel vrij is in zijn opportuniteitsoordeel over strafrechtelijke afdoening van het begane fiscale strafbare feit. Hij heeft de keuze om te dagvaarden maar ook (on)voorwaardelijk te seponeren dan wel de zaak terug te geven aan de Belastingdienst.”9
De opportuniteitsbeslissing in fiscale zaken ligt dus in eerste instantie bij de Belastingdienst en in tweede instantie bij het OM. De wetgever heeft de afwijking van het Wetboek van Strafrecht, waarin uitsluitend het OM beslist inzake de opportuniteit van de vervolging, toegelicht bij de invoering van de AWR.10
“Kenmerkend voor het bestaande fiscale strafprocesrecht is, dat de administratie der belastingen in belangrijke mate aan de opsporing, vervolging en berechting van fiscale delicten deelneemt of daarop invloed uitoefent. (…) De ambtenaren van de belastingdienst zijn in het algemeen de meest aangewezen personen tot het opsporen van fiscale delicten, doordat hun de uitvoering van de belastingwetten is opgedragen en zij tevens voor de naleving van de fiscale voorschriften hebben te waken en daarop toezicht en controle uitoefenen, waartoe hun ook bijzondere bevoegdheden, als die tot boekenonderzoek — eventueel door gespecialiseerde ambtenaren —, ten dienste staan. Zij beschikken over bijzondere kennis van de belastingwetten, hebben ervaring in de toepassing daarvan en hebben inzicht in de werking en de techniek van het bedrijfsleven. Al zullen ook de algemene opsporingsambtenaren in rijksbelastingzaken niet onbelangrijke diensten kunnen bewijzen, steeds zal op dit terrein de belangrijkste taak zijn weggelegd voor de belastingadministratie. De ambtenaren van de belastingdienst stuiten bij de uitoefening van hun werkzaamheden op talloze overtredingen van de belastingvoorschriften, die tot het opmaken van proces-verbaal aanleiding kunnen geven. Zouden al deze processen-verbaal, die voor het merendeel onbelangrijke delicten betreffen, bij het Openbaar Ministerie moeten worden ingezonden, dan zouden de parketten dermate worden overbelast, dat een vlotte en op de merites van elk afzonderlijk geval afgestemde behandeling niet gewaarborgd is. (…) Er zijn intussen belastingstrafzaken, waarin de officier van Justitie naar het inzicht van de ondergetekenden in elk geval dominus litis behoort te zijn. Dit zijn de zaken waarin bij de opsporing bijzondere dwangmiddelen zijn toegepast. Het ligt voor de hand, dat de officier, zodra de zaak in de justitiële sfeer is gekomen, ook de bevoegdheid tot het nemen van verdere beslissingen over de afdoening van het feit behoudt. De ondergetekenden achten het verantwoord en uit praktische overwegingen ook aangewezen, dat met betrekking tot de overige belastingdelicten het bestuur van ’s Rijks belastingen bevoegd wordt verklaard, te beslissen dat vervolging achterwege kan blijven of met de verdachte een transactie aan te gaan. (…) Het Openbaar Ministerie zal in de voorgestelde regeling ook in rijksbelastingzaken staan onder de bevelen van de minister van Justitie en in zijn te nemen requisitoir met name onafhankelijk zijn van het bestuur van ’s Rijks belastingen. De ondergetekenden vertrouwen door de voorgestelde regeling de juiste middenweg te hebben gehouden. Het bestuur van ’s Rijks belastingen behoudt, in aansluiting aan hetgeen voor een belangrijk gedeelte der belastingzaken reeds lange tijd bestaat, zodanige invloed op de opsporing en de vervolging van fiscale delicten als wenselijk is om de belastingheffing tegen strafrechtelijke inbreuken te beschermen. De eigenlijke berechting en strafoplegging hebben plaats overeenkomstig de daarvoor in het algemeen nuttig geachte regeling door de rechterlijke macht op requisitoir van het Openbaar Ministerie.”11
Waarom is de opportuniteitsbeslissing in fiscale nu op de manier zoals in art. 80 lid 2 AWR, dus met een prominente rol voor de fiscus, ingevuld? Voor het fiscale handhavingsrecht is het kenmerkend dat de Belastingdienst in belangrijke mate deelneemt aan de opsporing van fiscale delicten of daarop invloed uitoefent. De ambtenaren van de Belastingdienst hebben zo’n grote rol bij het opsporen van fiscale delicten, doordat zij uit hoofde van hun werkzaamheden toezien op de naleving van fiscale voorschriften en daarop controle uitoefenen, in welk kader zij ook speciale controlebevoegdheden hebben.12 Bovendien kan de inspecteur voor de uitvoering van de Belastingwet op grond van art. 55 AWR gegevens opvragen bij andere instanties van de Rijksoverheid en lagere overheden, zoals de politie. Wenst een overheidsinstantie niet aan de informatieverplichting te voldoen, dan kan de Minister van Financiën op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen.13 De belangrijke rol in de opsporing rechtvaardigt mogelijk de belangrijke rol in de vervolgingsbeslissing. Het OM zou bovendien bedolven worden onder een onwerkbare hoeveelheid fiscale strafzaken, indien de Belastingdienst niet zelf de bevoegdheid zou hebben om te beslissen over de vervolging.14 Bij grotere aantallen overtredingen is het met andere woorden niet doelmatig en uit oogpunt van een consistent beleid ook minder gewenst dat dit overleg over iedere individuele overtreding plaatsvindt.15 Kortom: om optimaal gebruik te kunnen maken van beide vormen van afdoening is vereist dat de Belastingdienst de beslissingsruimte behoudt om toepassing te geven aan een administratieve boete, zonder dat het OM daar tussen kan komen of dit kan verhinderen met het instellen van vervolgingsdaden. Of, zoals Wortel het verwoordde:
“de wettelijke regeling maakt het mogelijk voor de Belastingdienst om beleid te ontwikkelen met betrekking tot de wijze van afdoening van vergrijpen, gezien de omvang, graad van verwijtbaarheid en andere factoren, zonder dat het OM dergelijk beleid kan verstoren.”16
Nu de werking van art. 80 lid 2 besproken is, volgt hier nu een tweetal formele noties. Ten eerste: het wettelijk systeem gaat ervan uit dat het p-v naar de OvJ wordt gezonden door het bestuur van de Belastingdienst. Het is ook mogelijk dat een contactambtenaar formeel recht optreedt namens het bestuur.17 En ten tweede: de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 juni 1997 uitgemaakt dat, aangezien de FIOD onder leiding staat van het bestuur van de Belastingdienst, ervan kan worden uitgegaan dat indien FIOD-ambtenaren zelf het p-v insturen aan de OvJ, dit gebeurt met toestemming van het bestuur van de Belastingdienst.18 De Bont schrijft dat ieder FIOD-onderzoek in de praktijk wordt verricht onder supervisie van de OvJ. De p-v’s worden derhalve direct naar die OvJ toegezonden, waarbij het bestuur van ’s Rijks belastingen of de gemandateerde contactambtenaar formeel recht geen rol vervult.19
Art. 80 lid 3 en 4 AWR
Uit het bovenstaande volgde tot nu toe dat de Belastingdienst een belangrijke rol heeft voor wat betreft de vervolging van fiscale fraude. De Belastingdienst kan echter niet eenzijdig beslissen tot vervolging en het OM daartoe niet dwingen. Immers, de OvJ is bevoegd het p-v dat door de Belastingdienst is ingestuurd aan het OM, weer terug te sturen aan de Belastingdienst voor afdoening (art. 80 lid 3 AWR).20 Tot slot en volledigheidshalve: art. 80 lid 4 AWR bepaalt dat art. 148 lid 2 WvSv geen toepassing vindt indien het p-v van het fiscale onderzoek nog niet is ingezonden aan de OvJ. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat de OvJ aanwijzingen kan geven aan de opsporingsambtenaren.21 De OvJ krijgt de leiding van het onderzoek wel indien het p-v aan de OvJ wordt toegezonden. Nogmaals: of de Belastingdienst het p-v ter vervolging instuurt, kan de Belastingdienst zelf beslissen en is slechts in enkele gevallen verplicht.22
Resumerend
Kennelijk komt de Belastingdienst op papier een grote rol toe met betrekking tot de vervolging van fiscale strafbare feiten. Zolang het p-v niet is naar de OvJ is verzonden kan de Belastingdienst zelfstandig besluiten een zaak niet te vervolgen, maar bijvoorbeeld bestuursrechtelijk af te doen. Andersom kan de Belastingdienst niet helemaal zelfstandig beslissen tot vervolging door het p-v in te sturen aan de OvJ. Immers, de OvJ heeft de bevoegdheid het p-v weer terug te sturen. Bovendien kan alleen de OvJ de vervolging daadwerkelijk ter hand nemen door het uitbrengen van een dagvaarding of het uitvaardigen van een strafbeschikking. Wortel meent dat het merkwaardig is dat bij de uitzondering op de regeling van art. 80 lid 2 AWR23 tevens de voorlopige hechtenis wordt genoemd, aangezien dit een maatregel is in het vooronderzoek die door de rechter uitsluitend op vordering van de OvJ kan worden bevolen. Volgens hem zal geen OvJ zich ervoor lenen om op zijn vordering de bewaring of de gevangenhouding te verkrijgen indien hij niet reeds door de fiscale autoriteiten als dominus litis wordt erkend en in zijn ogen vaststaat dat het OM in een vervolging een straf van niet geringe zwaarte zal nastreven. Anders gezegd kan een OvJ zich met zijn vordering tot bewaring aan de rechter-commissaris (hierna: r-c) zichzelf competent maken.
Het AAFD-Protocol
Gezien de hiervoor beschreven wederzijdse afhankelijkheid hebben de Belastingdienst24 en het OM afspraken gemaakt op basis waarvan tot vervolging kan worden besloten. Anders gezegd: de praktijk is dat in onderling overleg de keuze wordt gemaakt tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. De afspraken hierover zijn vastgelegd in het AAFD-Protocol.25 Het AAFD-Protocol bevat voorschriften voor de aanmelding en afhandeling van fiscale delicten en regelt de afstemming met het OM op grond van art. 5:44 lid 2 Awb, aldus valt te lezen in de inleiding van het protocol. Art. 80 AWR wordt hier opvallend genoeg dus niet genoemd.
Het AAFD-Protocol heeft een aantal voorgangers.26 Het AAFD-Protocol is de opvolger van de Richtlijnen AAFD (die hebben gegolden van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2015) en van de Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen (hierna: ATV-richtlijnen) (die hebben gegolden van 1 januari 2006 tot 30 juni 2011).27 Omdat het AAFD-Protocol en zijn voorgangers vergelijkbaar zijn, zij het dat vanaf de Richtlijnen AAFD de modaliteit van de transactie vergezeld wordt door die van de strafbeschikking, is ook literatuur en jurisprudentie over de vorige richtlijnen nog steeds van belang voor het thans geldende beleid. De belangrijkste verandering bij ingang van het AAAFD-Protocol in 2015, is dat de visie op de inzet van het strafrecht expliciet is gewijzigd van ultimum remedium naar optimum remedium.28 De handhavingspraktijk vraagt volgens het AAFD-Protocol tegenwoordig om een snel en flexibel besluitvormingstraject. Daarnaast is meer aandacht nodig voor bijzondere zaken met een maatschappelijk uitstralingseffect. Ook is het drempelbedrag (ter indicatie van mogelijke strafrechtelijke vervolging) verhoogd naar 100.000 euro en heeft het overleg tussen de Belastingdienst en het OM de naam afstemmingsoverleg gekregen in plaats van selectie- en tripartiteoverleg.29
Status
In het verleden is de vraag regelmatig aan de orde gekomen wat de juridische status was van de – toen nog – ATV-richtlijnen. Sinds de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 1990 (belastingkamer) en 19 juni 1990 (strafkamer) is duidelijk dat die richtlijnen, derhalve ook de Richtlijnen AAFD en het AAFD-Protocol, worden beschouwd als recht in de zin van art. 79 Wet RO.30 De consequentie van deze vaststelling is dat de belastingplichtige (verdachte31) ten overstaan van de rechter een beroep toekomt op de inhoud van deze regels, en dat de rechter de beslissing daaraan kan toetsen (en de Hoge Raad ook), aldus De Bont.32
Melding bij de boete-fraudecöördinator
Het proces van verdenking tot eventuele strafrechtelijke vervolging in fiscale zaken verloopt als volgt. In lid 6 van paragraaf 15 van het BBBB valt te lezen dat de ambtenaar van de Belastingdienst een vermoeden van een strafbaar feit bij de boete-fraudecoördinator meldt als het nadeelbedrag ten minste 20.000 euro bedraagt. Het nadeelbedrag is het bedrag dat door de in of over de onderzoeksperiode gepleegde feiten die daartoe strekten, te weinig is of zou zijn geheven of te veel is of zou zijn toegekend als de aangifte of aanvraag van belanghebbende was gevolgd.
De belastingheffende ambtenaar is bij nadeelbedragen onder de 20.000 euro ook degene die boeten oplegt. De boete-fraudecoördinatoren geven aan hen de kaders van het boetebeleid aan.33 Volgens de parlementaire geschiedenis bij de Aanpassingswet vierde tranche Awb is sprake van een verplichting bij deze collega’s advies in te winnen inzake boeteoplegging in concrete situaties.34 Haas en Jansen schrijven dat deze verplichting niet zo stellig wordt nageleefd; onder andere niet in het beleid van paragraaf 25 lid 4 BBBB, waarin enkel staat dat afstemming moet plaatsvinden in geval van vergrijpboeten.35
Nog steeds in paragraaf 15 lid 6 BBBB wordt beschreven dat de boete-fraudecoördinator, wanneer de melding ter uitvoering van het AAFD-Protocol is binnengekomen, beoordeelt of voor ten minste 20.000 euro vermoedelijk sprake is van opzet. Indien dit het geval is, vindt het zogenoemde afstemmingsoverleg plaats.
Het afstemmingsoverleg
De geselecteerde aanmeldingen worden inbracht in dit overleg van de Belastingdienst (vertegenwoordigd door de contactambtenaar formeel recht), de FIOD en het OM. In dit overleg wordt de keuze gemaakt voor de wijze van afdoening. Als richtlijn geldt daarbij het volgende stramien:
Bij een nadeelbedrag van meer dan 100.000 euro is strafrechtelijke afhandeling mogelijk als sprake is van een vermoeden van opzet.
Indien het gaat om een nadeelbedrag van minder dan 100.000 euro dan is strafrechtelijke afhandeling mogelijk als sprake is van een vermoeden van opzet en aan één of meer van de aanvullende wegingscriteria wordt voldaan. Deze criteria zijn: de mate van impact op de maatschappij en evenwichtige rechtshandhaving, de status van de verdachte, recidive, de mogelijkheid van verhaal, een combinatie van delicten, eventuele medewerking van een adviseur, slagvaardigheid, de mogelijkheid van een bestuurlijke boete, waarheidsvinding en thematische aanpak.
Hierna is de toelichting bij de aanvullende wegingscriteria letterlijk overgenomen.
De mate van impact op de maatschappij en evenwichtige rechtshandhavingStrafrechtelijk optreden kan, gelet op de impact van een zaak op de maatschappij, wenselijk zijn om de gestelde norm te handhaven of om een norm te bevestigen. Bijvoorbeeld in het geval dat fiscale fraude of toeslagen- of douanefraude maatschappelijke gevolgen heeft, zoals gevaar voor de volksgezondheid of veiligheid, of aantasting van de integriteit van het financiële verkeer. Ook de mate waarin onschuldige of naïeve burgers worden geschaad (piramidespelen of uitbuiting van werknemers) kan meewegen. Dit doet zich ook voor als de fraude ertoe leidt dat de verdachte een concurrentievoordeel behaalt ten opzichte van fiscaal integere personen of de fraude een olievlekwerking binnen een branche heeft. Het belang van de openbaarheid speelt hierbij ook mee. In sommige gevallen moet van gepleegde strafbare feiten in het openbaar verantwoording worden afgelegd, bijvoorbeeld tegenover aandeelhoudersvergaderingen, toezichthouders of brancheorganisaties.
Status verdachte/voorbeeldfunctie
Het gaat hierbij om situaties waarin de verdachte regionaal of landelijk een maatschappelijk aansprekende of bekende persoon is. Het kan hierbij ook gaan om personen die een openbaar ambt bekleden (burgemeesters, wethouders of politieke vertegenwoordigers) of die beroepsmatig invloed hebben op het handelen van derden of op de financiële integriteit van geldstromen (advocaten, adviseurs, accountants, notarissen, bankiers, effectenhandelaars).
Recidive
Er is sprake van recidive als de verdachte al eerder in de afgelopen vijf jaar wegens een fiscaal delict, douane delict, of een delict dat verband houdt met toeslagen of een financieel (niet aan de Belastingdienst gerelateerd) delict is veroordeeld, aan hem ter zake van een dergelijk delict een strafbeschikking is opgelegd of een transactie is aangeboden die daadwerkelijk is geëffectueerd, of aan hem een vergrijpboete is opgelegd. Het gaat daarbij om de tijd tussen het onherroepelijk worden van de sanctie en de vermoedelijke datum van het plegen van het nieuwe strafbare feit.
Verhaal onmogelijk
Het opleggen van een bestuurlijke boete is geen adequaat alternatief voor het strafrecht als deze boete niet geïnd wordt. Dit criterium moet daarom meewegen bij de beslissing of een zaak strafrechtelijk wordt aangepakt, gelet op het feit dat in het strafrecht ook andere dan financiële strafmodaliteiten bestaan.
Combinatie van delicten
De rechtsorde zal meer geschokt zijn als de verdachte verschillende soorten delicten pleegt. Daarom moet bij de beslissing of een zaak strafrechtelijk wordt afgedaan de combinatie van alle, vermoedelijk door de verdachte begane, delicten meewegen. De wetgever heeft een breed scala van gedragingen strafbaar gesteld, die in enig verband kunnen staan met strafbare gedragingen op het terrein van de fiscaliteit, douane of toeslagen. Voorbeelden hiervan zijn delicten die betrekking hebben op omkoping (steekpenningen), faillissementsfraude, verduistering, onttrekking aan het beslag, bedreiging van personen/ambtenaren, handel in drugs, aantasting van het milieu, het niet naleven van de ID-plicht (werken met illegalen), uitbuiting en de zogenoemde VGEM-delicten op het rechtsgebied van de Douane. Ook de deelname aan een criminele organisatie valt hieronder. Er is overigens géén sprake van het aspect combinatie van artikel 69 van de AWR met artikel 225 van het WvSr als aan de Belastingdienst valse facturen ten behoeve van de aangifte worden overgelegd, maar wél als bij boekenonderzoek valse facturen in de administratie aangetroffen worden. Het gaat erom of het ‘andere’ delict een voldoende eigenstandig karakter bezit.
Medewerking van adviseur, deskundige derde of douane-expediteur
Dit criterium is van groot belang, omdat het gaat om een situatie waarin het vertrouwen van de overheid wordt misbruikt. Een reden te meer om dit misbruik aan te pakken is dat de Belastingdienst adviseurs en douane-expediteurs (vergaande) faciliteiten toekent of met hen afspraken maakt over horizontaal toezicht. De Belastingdienst moet de vaststelling dat de adviseur, deskundige derde of douane-expediteur vermoedelijk op de hoogte was van de fraude én daaraan actief dan wel passief zijn medewerking verleende, met aanwijzingen onderbouwen. Daarbij hoeft niet komen vast te staan dat sprake is van een verdachte.
Slagvaardigheid
In sommige zaken die voor strafrechtelijke afhandeling zijn geselecteerd, is te voorzien dat een strafrechtelijk onderzoek zo lang zal duren, dat het beter is een bestuurlijke boete op te leggen. Verder kan handhaving met een bestuurlijke boete een adequate(re) wijze van bestraffen zijn als de verdachte een rechtspersoon is die over voldoende middelen beschikt om een dergelijke sanctie te voldoen. In dergelijke gevallen ligt bestuurlijke afhandeling meer voor de hand. Het wegingscriterium ‘slagvaardigheid’ is dus – anders dan de andere wegingscriteria – een argument om niet voor strafrechtelijke vervolging te kiezen. Dit contra-argument zal meegenomen moeten worden in de totaalafweging.
Geen bestuurlijke boete mogelijk
Fiscale delicten en delicten die verband houden met toeslagen kunnen in het merendeel van de gevallen met een bestuurlijke boete worden bestraft. Dit geldt echter niet voor het gros van de douanedelicten en voor bepaalde omissiedelicten. In dergelijke, niet-beboetbare zaken wordt dus eerder gekozen voor een strafrechtelijke afhandeling. Dat is ook het geval wanneer een (mede)dader niet met een bestuurlijke boete kan worden gestraft, terwijl het wel wenselijk is om deze dader een sanctie op te leggen.
Waarheidsvinding
Het kan voorkomen, dat de bij een belastingcontrole vastgestelde feiten en omstandigheden, die op zich een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit opleveren, nog onvoldoende grond opleveren voor een gewenste bestuurlijke afdoening. In dat geval kan het aangewezen zijn om met het oog op een wenselijk geachte strafrechtelijke waarheidsvinding en afdoening, met toepassing van opsporingsbevoegdheden, strafrechtelijk onderzoek te verrichten naar die feiten en omstandigheden.
Thematische aanpak
Bepalend voor de vraag of een zaak in een gezamenlijke aanpak door partijen in de keten van toezicht kwalificeert voor de toepassing van het strafrecht is de mate waarin een strafzaak bijdraagt aan het realiseren van vooraf benoemde effecten van deze aanpak. Bij deze zaken is sprake van een actie gericht op specifieke (groepen) belanghebbenden of gericht op bepaalde delicten, zoals omissiedelicten.”36
De criteria zijn niet gerangschikt, en ook is het niet zo dat er een minimum aantal criteria moet kunnen worden afgevinkt, alvorens strafvervolging kan worden ingesteld. Om deze reden kan het voor de betreffende belastingplichtige onduidelijk zijn of en zo ja, wanneer en op grond waarvan het bestuursrechtelijke of strafrechtelijke traject zal worden opgestart.
De aanmeldingscriteria zijn ook van toepassing op omissiedelicten, zoals het opzettelijk niet doen van aangifte. Het komt voor dat door een omissiedelict een nadeel ontstaat dat niet of niet voldoende kwantificeerbaar of bepaalbaar is. De Belastingdienst kan een dergelijk omissiedelict evenwel toch aanmelden voor strafrechtelijke afhandeling als één of meer van de aanvullende wegingscriteria daartoe aanleiding geven, aldus het protocol.