De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.4:3.6.4 Academische vrijheid in het Nederlands recht
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.4
3.6.4 Academische vrijheid in het Nederlands recht
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949335:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1990/91, 21 073, nr. 11, p. 10-11.
Louw 2011, p. 34.
Zie het huidige artikel 1.6 van de Whw.
Louw 2011, p. 34.
Kamerstukken II 1980/81, 16 802, nrs. 3-4, p. 49 en Groen 2017, p. 79.
Groen 2017, p. 78. Zie over artikel 1.6 van de Whw uitgebreider Mohammad 2023, p. 223.
Louw 2011, p. 32
Mohammad 2023, p. 217.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot de totstandkoming van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs 1986 (Wwo 1986) was de academische vrijheid niet in de Nederlandse wetgeving geborgd.1 De wetgever nam desalniettemin aan dat ook voor die tijd de academische vrijheid een ongeschreven beginsel was in de Nederlandse rechtsorde, die door traditie was bepaald en ten grondslag lag aan de universitaire bestuursorganisatie. In de Wwo 1986 werd de academische vrijheid evenwel als volgt vastgelegd:
“Artikel 6 Academische vrijheid
Aan de instellingen van wetenschappelijk onderwijs wordt de academische vrijheid in acht genomen.”2
De wetgever besloot in eerste instantie dat in de Whw, de opvolger van de Wwo 1986, de academische vrijheid niet expliciet hoefde terug te keren.3 De academische vrijheid zou een fundamenteel beginsel zijn dat inherent is aan wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Dit beginsel moet dan ook in acht genomen worden, ongeacht of dit wettelijk is vastgelegd. Het expliciet vastleggen van de academische vrijheid zou daarom geen toegevoegde waarde hebben. Daarnaast heeft de Whw, anders dan de oude Wwo, ook betrekking op het hoger beroepsonderwijs. Het toepassen van de academische vrijheid op het hoger beroepsonderwijs zou volgens de wetgever op bezwaren stuiten.4 Naar aanleiding van vragen vanuit de Kamer besloot het kabinet toch de academische vrijheid op te nemen in het ontwerp van de Whw. De nieuwe bepaling over de academische vrijheid was gelijkluidend aan die in de Wwo 1986.5 De academische vrijheid zou volgens de wetgever in het hoger beroepsonderwijs toch ook van belang zijn bij het overdragen van door wetenschappelijk onderzoek verworven kennis.6 Louw schrijft dat door de introductie van lectoren in het hoger beroepsonderwijs het belang van de academische vrijheid voor deze sector is toegenomen.7
De wetgever merkt in de toelichting bij het artikel over de academische vrijheid in de Wwo 1986 op dat enerzijds uitgebreid wordt ingegaan op de academische vrijheid omdat hij duidelijk wil aangeven wat hieronder verstaan dient te worden en anderzijds omdat hij aan handhaving van de academische vrijheid grote waarde hecht.8 De academische vrijheid zou daarom niet langer als ongeschreven beginsel moeten blijven bestaan. Evenwel geeft de wetgever in de toelichting aan niet te streven naar een gedetailleerde omschrijving van de academische vrijheid, dit zou kunnen leiden tot verstarring en letterknechterij. De wetgever heeft ervoor gekozen om de academische vrijheid in algemene zin in de wet en in de toelichting te omschrijven. Dit laat ruimte om in een concrete situatie tot een eigen interpretatie te komen. Uit de toelichting blijkt tevens dat de academische vrijheid een beginsel is en geen recht.9 Een beginsel zoals de academische vrijheid draagt volgens Groen het karakter van een afweging, waarbij dit beginsel tegen andere beginselen wordt afgewogen. De academische vrijheid als beginsel is dan ook niet onbegrensd.
Het beginsel van academische vrijheid kent volgens de wetgever drie aspecten:
De vrijheid in het geven van onderwijs
De vrijheid in het ontvangen van onderwijs
De vrijheid in het beoefenen van wetenschap
De academische vrijheid zoals vastgelegd in de Wwo 1986 was dan ook specifiek gericht op individuele docenten, onderzoekers en studenten. Zij mogen respectievelijk in vrijheid onderwijs geven, onderzoek doen en onderwijs ontvangen. Daarbij mogen zij hun eigen wetenschappelijke inzichten volgen, zonder afhankelijk te zijn van bepaalde politieke, filosofische of wetenschapstheoretische opvattingen. De academische vrijheid ziet de wetgever als recht dat ten nauwste samenhangt met de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting. De academische vrijheid is volgens de wetgever van belang om de wetenschap te laten bloeien.
De vrijheid in het geven van onderwijs, als aspect van de academische vrijheid, betekent volgens de wetgever:
“de vrijheid van de docent om op zijn vakgebied die wetenschappelijke opvattingen te verkondigen die naar zijn mening de juiste zijn en vervolgens op zijn bevoegdheid inhoud en methode van het door hem te geven onderwijs te bepalen.”10
De docent heeft dan ook een grote mate van vrijheid om, aan de hand van zijn wetenschappelijke opvattingen, de inhoud van zijn onderwijs te bepalen. Deze vrijheid is volgens de wetgever niet onbegrensd en wordt beperkt door onder meer de kaders die door de faculteitsraad en het vakgroepbestuur worden vastgesteld. Daarnaast dient de leraar op didactisch verantwoorde wijze onderwijs te geven om studenten verder te brengen in het betreffende vak. Hoewel aan de docent de vrijheid toekomt om de inhoud van zijn onderwijs te bepalen, hoeft de student dit onderwijs niet lijdzaam te ondergaan. De academische vrijheid houdt volgens de wetgever ook de vrijheid van de student in om niet te worden gedwongen bepaalde wetenschappelijke opvattingen aan te hangen of te verkondigen. De student dient gevrijwaard te worden van indoctrinatie.
Naast de vrijheid om onderwijs te geven en de vrijheid in het ontvangen van het onderwijs is de academische vrijheid ten slotte gericht op de vrijheid in het beoefenen van wetenschap. Deze vrijheid houdt volgens de wetgever in dat de onderzoeker zelf het onderzoeksthema mag initiëren en dat hij bij het verrichten van onderzoek zijn eigen inzicht mag volgen.11 Ook bij het doen van onderzoek is de academische vrijheid niet onbegrensd. Het onderzoek moet onder meer passen in het onderzoeksprogramma van de universiteit, dat weer in relatie staat tot het nationaal wetenschapsbeleid. Ook dient het onderzoek te voldoen aan ethische en maatschappelijke normen en dient het onderzoek te voldoen aan door vakgenoten erkende maatstaven.
Uit het oude artikel 6 van de Wwo 1986, en het gelijkluidende artikel 1.6 van de Whw, kan opgemaakt worden dat de academische vrijheid van toepassing is binnen de interne verhoudingen in de hogeschool of universiteit, deze vrijheid ziet dus niet op de verhouding tussen de universiteit en bijvoorbeeld de Staat.12 Het volgende is immers bepaald:
“Aan de instellingen voor hoger onderwijs en aan de academische ziekenhuizen wordt de academische vrijheid in acht genomen.”
Louw schrijft dat de academische vrijheid, zoals vastgelegd in de Whw, enkel de vrijheid van de docent, onderzoeker en de student betreft.13 Deze vrijheid is dan ook niet van toepassing op de instelling of de faculteit. De academische vrijheid, zoals vastgelegd in de Whw, heeft dan ook een beperkte strekking. De onderzoeker, docent of student kan zich niet richting derden beroepen op dit artikel. Mohammad ziet in artikel 1.6 van de Whw een rechtens afdwingbare vrijheid voor onderzoekers, docenten en studenten jegens het instellingsbestuur.14 Dit artikel regelt de interne verhoudingen binnen de universiteit. De academische vrijheid zoals vastgelegd in artikel 1.6 van de Whw is een beginsel en een zorgplicht voor de instellingen.