Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.6
3.6.6 Academische vrijheid van de leraar
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949391:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 31a van de Wpo, artikel 7.8 van de Wvo 2020, artikel 4.1a.1 van de Web en artikel 31a van de Wec.
Artikel 9.19, tweede lid, van de Whw.
Rechtbank Noord-Holland 2 november 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:9468, Rechtbank Noord-Holland 2 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9139 en CRvB 10 januari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2017:9139.
Zie hierover ook Huisman 2020, p. 12-14, Zoontjens en van Berkel 2020, p. 23 & 57 en Buiting 2018.
Artikel 7.12c, eerste lid, van de Whw.
Artikel 7.12, tweede lid, van de Whw.
Artikel 7.12c, tweede lid, van de Whw.
Stb. 1986, 414.
Artikel 21 van de Wwo 1986.
Artikel 7.12 van de Whw (Stb. 1992, 593).
Artikel 7.10, tweede lid, van de Whw.
Zoontjens en van Berkel 2020, p. 23.
Anders dan in de andere onderwijssectorwetten, is in de Whw geen bepaling opgenomen over het beroep van leraar en zijn professionele ruimte.1 In de Whw is dan ook niet bepaald dat aan de leraar binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de school verantwoordelijkheid draagt voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school. Wel is geregeld dat de hoogleraar verantwoordelijk is voor de inhoud van het te geven onderwijs binnen zijn vakgebied.2 Alle leraren in het hoger onderwijs kunnen daarnaast, op basis van de Whw en op basis van verschillende verdragen, aanspraak maken op academische vrijheid. Deze vrijheid komt immers niet enkel toe aan de onderzoeker, maar ook aan de leraar en de student. De academische vrijheid van de leraar houdt in dat hij, aan de hand van zijn wetenschappelijke opvattingen, de inhoud van het onderwijs kan bepalen. Deze vrijheid is niet onbegrensd. De leraar dient zijn onderwijs op een didactisch verantwoorde wijze te geven. Ook dient hij zich onder meer te houden aan het, in de onderwijs- en examenregeling vervatte, onderwijsprogramma. Hierin zijn onder meer de inhoud van de opleiding zoals de vakken en de af te nemen tentamens vastgelegd. De leraar kan hier niet op eigen houtje van afwijken. Wel heeft hij binnen deze kaders de academische vrijheid om zelf de inhoud van het onderwijs te bepalen. Dat de academische vrijheid niet zo ver gaat dat de leraar zich niet hoeft te houden aan het door de instelling vastgestelde onderwijsprogramma, is bevestigd in verschillende uitspraken.3
De leraar in het hoger onderwijs heeft bij het afnemen van tentamens een bijzondere positie.4 Enkel de leraar die is aangewezen als examinator is bevoegd om tentamens af te nemen en de uitslag daarvan vast te stellen.5 De leraar wordt als examinator aangewezen door de examencommissie. De examencommissie heeft tot taak om op objectieve en deskundige wijze vast te stellen of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden om in aanmerking te komen voor een graad.6 Elke opleiding of groep van opleidingen heeft een examencommissie. In die examencommissie is tenminste één lid als docent verbonden aan een van de opleidingen die onder die examencommissie valt.7 De examencommissie kan echter in beginsel niet zelf de tentamens afnemen en de uitslag daarvan vaststellen. Hiervoor dient de examencommissie een of meer examinatoren aan te wijzen. De bevoegdheid om het tentamen af te nemen en de uitslag daarvan vast te stellen wordt door de wetgever geattribueerd aan de door de examencommissie aangewezen examinator. De examinator dient desgevraagd wel inlichtingen te verschaffen aan de examencommissie.8 Op de verhouding tussen de examinator en de examencommissie wordt dieper ingegaan in § 4.8.3.
De huidige regeling waarbij de examencommissie een examinator dient aan te wijzen die het tentamen afneemt en de uitslag daarvan vaststelt, dateert uit 1992 toen de Whw tot stand kwam. Onder de voorloper van de Whw, de Wwo 19869, kon de examencommissie examinatoren aanwijzen, maar kon de examencommissie ook zelf de tentamens afnemen.10 De examencommissie was destijds anders ingericht. Onder de Wwo 1986 zaten in de vaste commissie voor de examens alle leden van de wetenschappelijke staf die waren belast met het geven van onderwijs. De vaste commissie stelde vervolgens uit haar leden per studierichting een examencommissie in met leden die met het onderwijs voor die studierichting belast waren. De examencommissie was destijds dan ook als geen ander geëquipeerd om de tentamens van die studierichting af te nemen. Onder de Whw nam niet langer al het onderwijzend personeel zitting in de examencommissie.11 De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Whw niet duidelijk gemaakt waarom de examencommissie in beginsel niet langer zelf tentamens mag afnemen en de uitslag daarvan mag vaststellen. Vermoedelijk is hiervoor gekozen zodat de leraar die het onderwijs geeft, en geen onderdeel uitmaakt van de examencommissie, ook het tentamen kan afnemen. Dit sluit aan bij de academische vrijheid waaruit voortvloeit dat de leraar in beginsel zelf de inhoud van zijn onderwijs mag bepalen. Onder onderwijs wordt mijns inziens ook het afnemen en vaststellen van de uitslag van het tentamen verstaan.
Op het uitgangspunt dat de leraar in het hoger onderwijs exclusief bevoegd is om de student te beoordelen bestaat een uitzondering. In de Whw is bepaald dat het examen, buiten de tentamens om, een onderzoek kan bevatten naar de kennis, inzicht en vaardigheden van de student.12 Zoontjens en van Berkel schrijven dat, zover bekend, van deze mogelijkheid om buiten de tentamens om de student te beoordelen enkel gebruik wordt gemaakt bij een voortgangstoets aan de Universiteit Maastricht.13 Deze toets beslaat het gehele onderwijsprogramma en kan niet gekoppeld worden aan één vak.