HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1015, rov. 2.2.
HR, 17-12-2024, nr. 22/02462
ECLI:NL:HR:2024:1848
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-12-2024
- Zaaknummer
22/02462
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1848, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑12‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1219
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:5075
ECLI:NL:PHR:2024:1219, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1848
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorhanden hebben van grote hoeveelheid waterpijptabak waarover geen accijns is betaald, art. 5.1B Wet op accijns. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Betekening oproeping in hoger beroep, art. 36e.3 Sv. 2. Is veroordeling in strijd is met art. 14.5 IVBPR, nu verdachte voor het eerst in h.b. is veroordeeld, terwijl feitelijke herbeoordeling van schuldigverklaring in cassatie niet mogelijk is? HR: art. 81.1 RO. CAG gaat in op ontvankelijkheid cassatieberoep (art. 432.2 Sv).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02462
Datum 17 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2022, nummer 21-002089-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vrijspraak in 1e aanleg en veroordeling in hb voor medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet op de accijns. Falende klachten dat (i) het impliciete oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep op juiste wijze is uitgereikt onbegrijpelijk is en (ii) de veroordeling in strijd is met art. 14.5 IVBPR, omdat de verdachte voor het eerst in hoger beroep is veroordeeld, terwijl een feitelijke herbeoordeling van de schuldigverklaring in cassatie niet mogelijk is. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02462
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 6 mei 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, (bij verstek) voor het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid waterpijptabak waarover geen accijns is betaald (feit 1 subsidiair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest. In eerste aanleg was de verdachte voor dit feit vrijgesproken.
1.2
Het cassatieberoep is op 6 juli 2022 ingesteld namens de verdachte. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over het impliciete oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. In het tweede middel wordt geklaagd dat de veroordeling in de onderhavige zaak in strijd is met art. 14 lid 5 IVBPR, omdat de verdachte voor het eerst in hoger beroep is veroordeeld, terwijl een feitelijke herbeoordeling van de schuldigverklaring in cassatie niet mogelijk is.
1.3
De uitkomst van deze conclusie is dat beide middelen falen.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Voordat ik overga tot het bespreken van de middelen, besteed ik aandacht aan de vraag of de verdachte kan worden ontvangen in het cassatieberoep. Het cassatieberoep is namelijk pas op 6 juli 2022 ingesteld. Dat is twee maanden nadat het hof zijn arrest heeft gewezen.
2.2
In de schriftuur wordt bepleit dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld en dus ontvankelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de dagvaarding in hoger beroep en de oproeping voor de (nadere) terechtzitting niet aan de verdachte in persoon zijn betekend, de verdachte niet op de (nadere) terechtzittingen is verschenen, de verdachte binnen veertien dagen nadat hij bekend is geworden met het arrest van het hof het cassatieberoep heeft doen instellen en uit de gedingstukken het tegendeel niet is gebleken.
2.3
Art. 432 Sv bevat een regeling van de wettelijke termijnen waarbinnen cassatie moet worden ingesteld. Art. 432 lid 1 Sv is in het onderhavige geval niet van toepassing, omdat uit de gedingstukken blijkt dat de appeldagvaarding en de oproeping voor de (nadere) terechtzitting niet in persoon zijn betekend en de verdachte niet is verschenen op de (nadere) terechtzittingen. Ik heb uit de gedingstukken niet kunnen afleiden dat de dagen van de terechtzittingen in hoger beroep de verdachte tevoren bekend waren. Tussen de gedingstukken bevindt zich evenmin een betekening van de verstekmededeling. Daarmee komt de regel van art. 432 lid 2 Sv in beeld en rijst de vraag of het cassatieberoep is ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het bestreden arrest de verdachte bekend was. Aangezien het dossier ook over die omstandigheid geen informatie bevat, moet het ervoor worden gehouden dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld.1.De verdachte kan derhalve worden ontvangen in zijn cassatieberoep en ik ga daarom over tot het bespreken van de middelen.
3. Het eerste middel
3.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat “het impliciete oordeel van het hof dat de appeldagvaarding op juiste wijze is uitgereikt niet begrijpelijk is. Mitsdien heeft het hof bovendien ten onrechte verstek verleend en het onderzoek voortgezet zonder dat [de verdachte] van zijn aanwezigheidsrecht gebruik kon maken.” In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de appeldagvaarding (A-G: ik begrijp: de oproeping in hoger beroep) in strijd met art. 36e lid 3 Sv niet is toegezonden aan de (juiste) woon- of verblijfplaats van de verdachte in het buitenland, te weten [a-straat 1] te [plaats] , maar aan daarvan afwijkende adressen.
3.2
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende:
(i) op 28 mei 2008 is als huidig BRP-adres van de verdachte geregistreerd [b-straat 1] , [e-straat 1] in Polen. Dit is het enige bekende historische BRP-adres van de verdachte;
(ii) op 24 april 2018 heeft de verdachte bij zijn verhoor bij de FIOD als woonadres opgegeven [c-staat 1] , [plaats] en verklaard eventuele gerechtelijke stukken te willen ontvangen op het door hem opgegeven adres in Polen. Dit adres wordt ook genoemd in het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte dat door de FIOD is afgenomen op 26 april 2018;
(iii) op 25 april 2018 is geregistreerd dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft (ZVWOVHTL);
(iv) op 15 april 2019 is de verdachte bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, vrijgesproken van de gehele tenlastelegging;
(v) op 16 april 2019 is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemd vonnis;
(vi) de behandeling van de zaak is op de eerste terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2021 aangehouden, omdat de aanzegging van het hoger beroep niet conform de wet aan de verdachte in persoon was betekend (art. 409 lid 4 Sv) en de vertaling van de dagvaarding te laat was toegezonden aan het adres van de verdachte in het buitenland;
(vii) op 1 oktober 2021 zijn de aanzegging van het hoger beroep en een Poolse vertaling daarvan middels een rechtshulpverzoek aan Polen in persoon betekend. De Poolse reactie van het arrondissementsparket te Szczecin (Polen) op het rechtshulpverzoek vermeldt als (woon)adres van de verdachte [plaats] , [c-staat 1] , zijnde hetzelfde adres als dat de verdachte bij zijn verhoren bij de FIOD heeft opgegeven. De Nederlandse vertaling van bovengenoemde reactie vermeldt als (woon)adres van de verdachte [plaats] , [c-staat 1] . Blijkens de (vertaalde) ontvangstbevestiging hoort de [postcode] bij het adres [a-straat 1] . In de Nederlandse vertaling zijn (per abuis) bij de aanduiding van de stad twee letters omgewisseld en is bij de aanduiding van de straat de letter “e” vervangen door de letter “a” (zie de dikgedrukte, gecursiveerde en onderstreepte delen van de stads- en straataanduidingen hierboven);2.
(viii) op 11 februari 2022 is een afschrift van de oproeping d.d. 10 februari 2022 voor de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2022, met een vertaling naar het Pools, verzonden naar het in de oproeping vermelde adres van de verdachte, te weten [b-straat 1] , [e-straat 1] (Polen);
(ix) op 11 februari 2022 is ook een afschrift van de oproeping d.d. 10 februari 2022 voor de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2022, met een vertaling naar het Pools, verzonden naar het in de oproeping vermelde adres van de verdachte, te weten [d-straat 1] , [plaats] (Polen) ;
(x) op 17 februari 2022 is nog een afschrift van de oproeping d.d. 17 februari 2022 voor de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2022, met een vertaling naar het Pools, verzonden naar het in de oproeping vermelde adres van de verdachte, te weten [c-staat 1] , [plaats] (Polen) ;
(xi) de behandeling van de zaak is op de tweede terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2022 hervat. De verdachte is niet verschenen. Evenmin is een advocaat van de verdachte verschenen. Het hof heeft op vordering van de advocaat-generaal bij het hof verstek verleend tegen de verdachte. Vervolgens heeft het hof de strafzaak tegen de verdachte inhoudelijk behandeld en de verdachte bij verstek veroordeeld.
Het juridisch kader
3.3
Art. 36e lid 3 Sv luidt:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
3.4
Als op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), niet in Nederland is gedetineerd en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, vindt – zoals volgt uit art. 36e lid 3 Sv – de uitreiking van de oproeping in hoger beroep plaats door toezending van de oproeping hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Door die toezending is de oproeping rechtsgeldig betekend.3.Het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland moet kunnen worden opgemaakt uit de stukken van het geding en niet door een latere opgave zijn achterhaald.4.
De bespreking van het middel
3.5
De verdachte is niet verschenen op de terechtzittingen in hoger beroep van 27 januari 2021 en 22 april 2022. Evenmin is namens hem een advocaat verschenen. Uit de inhoud van de gedingstukken moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de uitreiking van de oproeping in hoger beroep niet in Nederland was gedetineerd. Hij stond ook niet (meer) ingeschreven in de BRP en van hem was in Nederland niet een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend. Van de verdachte waren wel adressen in het buitenland bekend, namelijk in Polen.
3.6
In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend door toezending daarvan aan de adressen (i) [b-straat 1] , [e-straat 1] , (ii) [d-straat 1] , [plaats] en (iii) [c-staat 1] , [plaats] , allen in Polen. Het hof heeft aan dat oordeel klaarblijkelijk ten grondslag gelegd dat één van die adressen heeft te gelden als het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland als hiervoor onder randnr. 3.4 bedoeld.
3.7
Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. Uit hetgeen onder randnr. 3.2, in het bijzonder onder ii en vii, is uiteengezet, kan worden afgeleid dat ten tijde van de betekening van de oproeping in hoger beroep het adres [plaats] , [a-straat 1] in Polen kon worden aangemerkt als een uit de stukken blijkend adres dat redelijkerwijs als laatst bekende feitelijke (en niet door een later opgave van een ander adres achterhaalde) woon- of verblijfplaats van de verdachte in het buitenland kon gelden. Dat betekent dat de oproeping in hoger beroep ingevolge art. 36e lid 3 Sv naar dat adres had moeten worden verzonden. De oproeping in hoger beroep is echter verzonden aan het adres [plaats] , [a-straat 1] in Polen. Dat is bijna het juiste adres. Er is sprake van een minimale en kennelijke verschrijving in de naam van de woonplaats van de verdachte, waarbij twee letters zijn omgewisseld, terwijl de adresgegevens voor het overige, te weten de straatnaam, het huisnummer, de postcode en het land, wel correct zijn. Het lijkt mij geen gewaagde stelling om aan te nemen dat in Nederland in een vergelijkbaar geval (bijvoorbeeld ‘Arhnem’ in plaats van ‘Arnhem’) de post zal aankomen op het juiste adres en dat de rechter bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de betekening vermoedelijk geen consequenties zal verbinden aan de onjuiste spelling van de plaatsnaam. Ik zie niet in waarom dit anders zou (moeten) zijn bij betekening van gerechtelijke mededelingen in het buitenland. Daarbij neem ik in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer post van Nederland wordt verstuurd naar een plaats in het buitenland en die plaats en dat land in het Nederlands worden aangeduid (bijvoorbeeld ‘Warschau’ in ‘Polen’), die post ook daadwerkelijk wordt bezorgd in die plaats (in het Pools: ‘Warszawa’) in dat land (in het Pools: ‘Polska’), mits de straatnaam, het huisnummer en de postcode wel correct zijn. Verder weeg ik mee dat de oproeping niet als onbestelbaar retour is gekomen, zodat niet kan worden vastgesteld dat deze niet per post kon worden bezorgd.5.
3.8
Gelet hierop is het kennelijke oordeel van het hof dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2022 rechtsgeldig is betekend, toereikend gemotiveerd. Dit brengt ook mee dat het oordeel van het hof dat verstek kon worden verleend en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep kon worden voorgezet toereikend is gemotiveerd.
3.9
Het eerste middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
In het tweede middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, wordt met verwijzing naar de zienswijze van het VN-mensenrechtencomité van 26 juli 2022 in de zaak Jaddoe tegen Nederland (CCPR/C/135/D/3256/2018) kort gezegd aangevoerd dat de veroordeling in de onderhavige zaak in strijd is met het bepaalde in art. 14 lid 5 IVBPR, omdat de verdachte voor het eerst in hoger beroep is veroordeeld, terwijl een feitelijke herbeoordeling van de schuldigverklaring in cassatie niet mogelijk is.
4.2
Het middel stuit af op het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de opvatting, dat uit de zienswijze van het VN-mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe volgt dat de cassatieprocedure als zodanig niet kan worden beschouwd als een beoordeling door een hoger rechtscollege in de zin van art. 14 lid 5 IVBPR, onjuist is.6.
4.3
Het tweede middel faalt.
5. Slotsom
5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep op 6 juli 2022 tot aan deze conclusie meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn zal moeten leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.7.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
Een zoekslag op Google leert dat het in de Nederlandse vertaling van de Poolse reactie op het rechtshulpverzoek vermelde adres “ [a-straat 1] ” in “ [plaats] ” geen resultaten oplevert, maar dat het in de Poolse reactie op het rechtshulpverzoek vermelde adres “ [a-straat 1] ” in “ [plaats] ” wel een resultaat oplevert. Het lijkt er dus op dat het adres dat door de Poolse autoriteiten wordt genoemd in hun reactie op het rechtshulpverzoek het juiste adres is. Dit is ook het adres dat door de verdachte als woonadres aan de FIOD is opgegeven.
Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken, rov. 3.19; HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1466, rov. 2.4; HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:270, rov. 2.3.2.
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3216.
Vgl. HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1251.
Vgl. HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:942 en de randnrs. 3.1-3.3 van de conclusie van A-G Harteveld vóór dat arrest.
Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2 doet zich hier niet voor.