Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.5.3
5.5.3 De verhouding tussen erflater en het vermogen van de stichting
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232326:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
I.J.F.A. van Vijfeijken in haar noot onder HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3825, BNB 2002/281.
Het advies van Boschma en Snijder-Kuipers, sprekende over schenkingen en makingen aan reeds bestaande stichtingen, om voorwaarden te stellen zodat bij eventuele doelwijziging voorkomen wordt dat de gelden worden aangewend voor een ander doel dan de begunstiger voor ogen had, lijkt mij overbodig. Dit is slechts anders als men zekerheid wil over de aanwending van de schenking of making ten aanzien van een specifiek onderdeel binnen het doel van de stichting. Zo is het voorstelbaar dat een legaat aan de Nederlandse Kankerbestrijding gemaakt wordt onder de last dat de verkregen middelen slechts worden gebruikt ter bestrijding van één bepaalde kankersoort. H.E. Boschma & B. Snijder-Kuipers, ‘De bescherming van het (doel)vermogen van de stichting’, in: M.L. Lennarts, W.J.M. van Veen & D.F.M.M. Zaman (red.), De stichting, Kritische beschouwingen over de wettelijke regeling voor een veelzijdige rechtsvorm, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011, p. 51.
Eerder, in Reijnen 2013, noemde ik deze verplichting nog ‘opdracht.’ Bij nader inzien spreek ik liever van verplichting omdat ‘opdracht’ te veel verwijst naar artikel 7:400 BW. Het constateren van een opdracht is niet noodzakelijk voor mijn betoog. Vgl. ook Rechtbank Amsterdam 10 oktober 2018, ECLI:NL:2018:7062 (gepubliceerd op 16 juni 2020), waarin de rechtbank ten aanzien van een schenking aan een stichting oordeelde dat ‘tussen partijen bij de schenkingsoveeenkomst tevens een overeenkosmt van opdracht, althans een daarmee op één lijn te stellen rechtsverhouding is ontstaan.’ Deze uitspraak is echter in hoger beroep vernietigd door Hof Amsterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:930.
De erflater weet dat het bestuur de plicht heeft het doel van de stichting na te streven. Hij heeft er dan ook vertrouwen in dat de stichting dat zal nastreven en de door de erflater aan haar nagelaten middelen zorgvuldig zal beheren en aanwenden. Hij richt de stichting immers zelf op.
Dit vertrouwen komt veel voor. Het is als met de gift aan het Rode Kruis waarover Van Vijfeijken schreef:
‘A schenkt aan het Rode Kruis. Het Rode Kruis zal dit bedrag besteden aan de doelen die in de statuten staan omschreven. Niemand twijfelt eraan dat het Rode Kruis de begiftigde is, ondanks de omstandigheid dat de algemeen nuttige instelling de gelden niet voor zichzelf behoudt. Sterker nog, als het Rode Kruis de gelden voor zichzelf zou behouden, zou A niet schenken aan het Rode Kruis. Hij schenkt juist omdat het Rode Kruis het geld besteedt conform haar doelstelling.’1
De erflater/oprichter kan zich niet voorstellen dat de stichting de door hem aan de stichting nagelaten middelen niet conform het doel zal besteden.2
De erflater zal daarom bijzondere aandacht hebben voor de kring van begunstigden van de stichting, de personen die op grond van het doel een uitkering zouden kunnen krijgen. De erflater bakent de kring van begunstigden af met het doel van de stichting. Daardoor kan worden gezegd dat de stichting die tot doel heeft het doen van uitkeringen, in een fiduciaire verhouding staat tot het door de makingen van de erflater/oprichter verkregen vermogen. Het beheer van het vermogen en het belang bij dat vermogen berusten immers niet bij dezelfde persoon.3
Door het vastleggen van het doel van de stichting, legt de erflater/oprichter verplichtingen4 op aan de stichting. Hier wijs ik graag nogmaals op de woorden van Paul Scholten uit 5.5.2, dat de zelfstandigheid van een organisatie alleen zin heeft als daardoor een rechtsplicht ontstaat tot het naleven van het doel.