Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.6
3.6 Institutionele autonomie
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399604:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verhoeven 2010A, p. 44; Jans e.a. 2007, p. 18; Griffioen 2006, p. 293, Voermans 2004, p. 27.
Jans e.a. 2007, p. 18.
Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 65; Verhoeven 2010A, p. 44; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 161; Comijs 1998, p. 111.
Van der Burg & Voermans 2012, p. 59; E.M. Vermeulen 2001, p. 35.
HvJEG 16 juli 2009, C-428/07 (Mark Horvath), Jur. 2009, p. 1-6355, r.o. 49; HvJEG 5 juli 1994, C-435/92 (Association pour la protection des animaux savages), Jur. 1994, p. 1-67, r.o. 26; HvJEG 10 november 1992, C-156/91 (Hansa Fleisch), Jur. 1992, p. 1-5567, r.o. 23 en 24; HvJEG 12 juni 1990, C-8/88 (Duitsland/Commissie), Jur. 1990, p. 1-2321, r.o. 13; HvJEG 21 juni 1979, 240/78 (Atalanta), Jur. 1979, p. 2137, r.o. 4 en 5 en HvJEG 15 december 1971, gevoegde zaken 51/71-54/71 (International Fruit Company e.a./Produktschap voor Groenten en Fruit), Jur. 1971, p. 1107, r.o. 3 en 4.
HvJEG 16 juli 2009, C-428/07 (Mark Horvath), Jur. 2009, p. 1-6355, r.o. 51; HvJEG 27 september 1979, 230/78 (Eridania), Jur. 1979, p. 2749, r.o. 34.
Een voorbeeld biedt de richtlijn 85/511 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond-en-klauwzeer waarin voor Nederland het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) te Lelystad aangewezen als uitsluitend bevoegde instantie om met levend MKZ-virus te werken. Zie artikel 13, gelezen in verbinding met Bijlage B van de Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond-en-klauwzeer, Pb. 1985, L 315/11. Zie voor meer voorbeelden Van der Burg & Voermans 2012, p. 59; Voermans 2004, p. 27-28.
Jans e.a. 2011, p. 20-21. Zie ook Van der Vlies & Widdershoven 1998, p. 30-31.
Jans e.a. 2011, p. 21.
Verhoeven 2011, p. 227-228. Zie ook Van der Vlies & Widdershoven 1998, p. 31.
Van der Burg & Voermans 2012, p. 59-60; Griffioen 2006, p. 294; Voermans 2004, p. 27; Comijs 1998, p. 111; Hessel & Mortelmans 1997, p.126 en Bonnes 1994, p. 125. Ook Adriaan-se lijkt er vanuit te gaan dat op EU-niveau bevoegde nationale organen kunnen worden aangewezen. Zie Adriaanse 2006, p. 69. Hetzelfde geldt voor Hofmann, Rowe & Trk. Zie Hofmann, Rowe & Trk 2011, p. 99.
Vergelijk Van der Burg & Voermans 2012, p. 59-60; Huisman & Jak 2010, p. 124; Voermans 2004, p. 31-32 en Gil Ibáriez 1999, p. 212.
HvJEG 21 juni 1979, 240/78 (Atalanta), Jur. 1979, p. 2137.
Zie de rechtsoverwegingen 4 en 5.
Ortlep 2009, p. 82; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 161. Dit geldt ook voor verordeningen in het algemeen: zie Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 25.
Zie hieromtrent verder de hoofdstukken 4 en 5.
Zie hieromtrent ook Hofmann, Rowe & Tlirk 2011, p. 261. Anders Jans e.a. 2011, p. 21. Zij schrijven dat slechts in een zeer beperkt aantal gevallen uit de Europese wetgeving rechtstreeks voortvloeit welke instanties met de toepassing van de EU-normen moeten worden belast of de eigenschappen van een dergelijke instantie nader worden gespecificeerd. Dit geldt in ieder geval niet voor de Europese subsidieregelgeving die van toepassing is in de programmaperiode 2007-2013 waarin juist veel eisen worden gesteld aan de aan te wijzen bevoegde nationale uitvoeringsorganen. Soms wordt zelfs vereist dat een nieuw orgaan wordt opgericht. Zie verder hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.
Zie ook hoofdstuk 5, paragraaf 52.
Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 17-19 en Gil Ibátiez 1999, p. 142 e.v. Zie HvJEG 13 december 1991, C-33/90 (Commissie/Italië), Jur. 1991, p. 1-5987, r.o. 24-25.
Deze infractieprocedure is geregeld in artikel 258 en 260 VWEU. Zie omtrent de infractieprocedure bijvoorbeeld Peers 2012; Craig & De Bárca 2011, p. 408 e.v.; Lenaerts 2007, p. 1636; Gil Ibátiez 1999, p. 90 e.v.
Zie artikel 260 VWEU. Sinds het arrest Commissie/Frankrijk (HvJEG 12 juli 2005, C-304/02, Jur. 2005, p. 1-6263) is duidelijk dat zowel een forfaitaire als dwangsom kan worden opgelegd (zie r.o. 82 en 83).
Zie bijvoorbeeld de artikelen 99 en 100 van de Verordening nr. 1083/2006.
Indien de lidstaten zijn betrokken bij de uitvoering van het Europese recht, wordt er in de literatuur vanuit gegaan dat deze uitvoering wordt beheerst door het beginsel van institutionele autonomie.1 Dit beginsel houdt in dat het de aangelegenheid van de lidstaten is welke nationale uitvoeringsorganen voor de uitvoering van het Europese recht worden aangewezen. De opvatting is dat de EU zaken doet met de lidstaten als zodanig en er in beginsel niet in is geïnteresseerd welke organen van de lidstaat — provincies, gemeenten, regio's dan wel onafhankelijke entiteiten — het Europese recht uitvoeren.2 De lidstaten zijn zelf het best in staat uit te maken welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan is geëquipeerd om het desbetreffende Europese recht uit te voeren.
De omstandigheid dat Eu-bepalingen doorgaans zijn geadresseerd tot de lidstaat of de bevoegde autoriteiten en niet aan een specifiek nationaal orgaan, heeft uiteraard ook een praktische achtergrond. Als een Europese regeling de bevoegde nationale organen zou willen aanwijzen, zou dat, gelet op de grote verschillen in bestuurlijke organisaties tussen de lidstaten, in de meeste gevallen slechts kunnen door 27 organen op te sommen.3
Het Hof van Justitie heeft het beginsel van institutionele autonomie als zodanig nooit expliciet erkend.4 Het beginsel wordt afgeleid uit de jurisprudentie dat het aan de lidstaat is om te bepalen welke nationale autoriteit het desbetreffende Europese recht uitvoert, wanneer aan de lidstaten of de 'bevoegde autoriteiten' wel bevoegdheden worden toegekend of verplichtingen worden opgelegd, maar geen specifiek nationaal uitvoeringsorgaan is aangewezen.5 In andere arresten overweegt het Hof van Justitie dat wanneer de tekst van een verordening een lidstaat machtigt tot het nemen van uitvoeringsmaatregelen, de wijze waarop deze bevoegdheid wordt uitgeoefend, wordt geregeld door het publiekrecht van de betrokken lidstaat.6 Hieronder valt ook de aanwijzing van de bevoegde nationale autoriteiten.
In de arresten waaruit het beginsel van institutionele autonomie wordt afgeleid, ging het steeds om Europese bepalingen die waren gericht tot de lidstaten en niet tot een met name genoemd nationaal uitvoeringsorgaan. De praktijk laat bovendien zien dat het - hoewel niet vaak - wel degelijk voorkomt dat op Eu-niveau is voorgeschreven welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan is belast met de uitvoering van het desbetreffende Eu-recht.7 Gelet hierop, is het de vraag of het beginsel van institutionele autonomie wel zo absoluut geldt. In de literatuur zijn de meningen verdeeld. Sommigen zijn van mening dat het beginsel van institutionele autonomie met zich brengt, dat het Eu-recht weliswaar een bevoegdheid kan scheppen, maar in principe geen nationale organen als bevoegde organen kan aanwijzen.8 Omdat deze organen deel uitmaken van de nationale rechtsorde, is het deze rechtsorde die hun bevoegdheden toebedeelt.9 Deze opvatting heeft tot gevolg dat de institutionele basis voor een door een nationaal uitvoeringsorgaan op grond van het Eu-recht uit te oefenen bevoegdheid altijd moet zijn gelegen in het nationale recht.10 Het is in deze visie niet voldoende dat in een rechtstreeks toepasselijke Europese verordening het specifieke bevoegde nationale uitvoeringsorgaan wordt aangewezen. Anderen zien er minder problemen in dat Europese verordeningen, richtlijnen en besluiten voorschrijven welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan wordt belast met de uitvoering van bijvoorbeeld een Europese verordening.11 Het beginsel van institutionele autonomie betekent in deze visie niet meer en niet minder dat wanneer ter uitvoering van het Eu-recht nationale instanties moeten worden aangewezen het — bij gebreke aan Eu-rechtelijke bepalingen op dat punt — aan de lidstaat is overgelaten om specifieke nationale organen aan te wijzen. Dit mag niet worden omgedraaid, door het beginsel van institutionele autonomie uit te leggen als zou het beginsel eraan in de weg staan dat in het Eu-recht zelf wordt bepaald welke specifieke nationale instantie de desbetreffende bevoegdheid uit de Europese verordening gaat uitoefenen.12 Dit valt ook af te leiden uit het arrest Atalanta13 In dit arrest overweegt het Hof van Justitie weliswaar dat het aan iedere lidstaat staat om de organen aan te wijzen die in de interne rechtsorde bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen ter uitvoering van de aan de orde zijnde Europese verordeningen, maar niet dan nadat het Hof heeft vastgesteld dat in deze verordeningen niet wordt bepaald welke organen in iedere lidstaat bevoegd zijn en de aanwijzing van bedoelde organen dus aan de lidstaten wordt overgelaten.14
Op het terrein van Europese subsidies bestaat geen enkele Europese bepaling die zich specifiek richt op een met name genoemd bestaand nationaal uitvoeringsorgaan.15 De Europese subsidieregelgeving richt zich tot de lidstaten, de bevoegde autoriteiten, de beheersautoriteit en de managementautoriteit, maar bepaalt niet welk specifiek bestaand nationaal uitvoeringsorgaan als de desbetreffende bevoegde autoriteit moet worden aangewezen.16 De consequentie hiervan is dat in het nationale recht zal moeten worden bepaald welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan met de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving is belast. Europeesrechtelijk zijn de lidstaten daartoe verplicht op grond van het beginsel van loyale samenwerking. Ook het nationale recht zal op grond van de beginselen van legaliteit en rechtszekerheid veelal eisen dat is vastgelegd welk nationaal uitvoeringsorgaan bevoegdheden uit het Eu-recht uitoefent. In de praktijk blijkt dat bij de aanwijzing door de lidstaten van het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan problemen kunnen rijzen. Deze komen in hoofdstuk 4 aan de orde.
Hoewel in de Europese subsidieregelgeving geen specifiek bestaand nationaal orgaan als bevoegde autoriteit wordt aangewezen, wordt steeds vaker aan de lidstaten de verplichting opgelegd om de bevoegde nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen. In dat kader wordt meer en meer bepaald welke naam een dergelijk orgaan krijgt, zoals beheersautoriteit, managementautoriteit of Nationaal Agentschap. Daarbij komt dat in de Europese subsidieregelgeving in toenemende wordt gespecificeerd aan welke kenmerken de aan te wijzen nationale uitvoeringsorganen moeten voldoen.17 Zo moeten zij bijvoorbeeld geëquipeerd zijn de desbetreffende Europese bevoegdheden en taken uit te voeren of financieel gezond zijn. Het voorgaande heeft in een aantal gevallen tot gevolg dat per definitie een nieuw orgaan dient te worden opgericht, omdat geen van de bestaande nationale uitvoeringsorganen aan de Europese vereisten voldoet. In de praktijk heeft het beginsel van institutionele autonomie op het terrein van de Europese subsidies dan ook beperkte betekenis.18 Dat de EU op het terrein van de uitvoering van Europese subsidieregelgeving steeds meer eisen stelt aan de nationale uitvoeringsorganen, is vanuit het beginsel van institutionele autonomie niet problematisch. Dit beginsel heeft, zoals blijkt uit de hiervoor besproken jurisprudentie van het Hof van Justitie, alleen betekenis voor zover in het Europese recht niets omtrent de aanwijzing van nationale uitvoeringsorganen is geregeld.
Dat het de aangelegenheid van de lidstaten is om binnen de grenzen van het Europese recht te bepalen welke nationale uitvoeringsorganen worden aangewezen om alle taken, bevoegdheden en verplichtingen neergelegd in de Europese subsidieregelgeving uit te voeren, neemt niet weg dat de lidstaat richting de EU aansprakelijk blijft.19 Dit betekent dat indien een regionale autoriteit bij de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving in strijd handelt met het Europese recht, de lidstaat hiervoor aansprakelijk is en de Europese Commissie tegen de lidstaat een infractieprocedure kan starten.20 Deze procedure kan tot gevolg hebben dat het Hof van Justitie een forfaitaire som en/of een dwangsom oplegt.21 In de context van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving is van belang dat de Europese Commissie de Europese gelden terugvordert van de lidstaat en dus niet van het desbetreffende verantwoordelijke nationale uitvoeringsorgaan, indien de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving te wensen overlaat.22