Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.4.1:7.4.1 Inleiding
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.4.1
7.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS574048:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Gerven 2002, p. 70; HvJ EG 20 september 2001, zaak C-453/99 (Courage/Crehan), Jur. 2001, p. 1-6297.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht moet gebruik worden gemaakt van het instrumentarium dat het nationale recht biedt. Het nationale recht dient wel aan enkele communautaire minimumvereisten te voldoen. Zo mogen regels die van toepassing zijn in een mededingingsrechtelijk geschil met een communautaire dimensie niet ongunstiger zijn dan die welke voor nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel, ook wel genoemd het non-discriminatie of assimilatiebeginsel). Tevens mogen regels die van toepassing zijn in een geschil met een communautaire dimensie de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maken (effectiviteitsbeginsel of doeltreffendheidsbeginsel). Zie § 5.5.3.
In zijn conclusie in de zaak Banks heeft A-G Van Gerven verdedigd dat het recht op vergoeding van schade — geleden doordat een onderneming direct werkende communautaire mededingingsregels schendt — zijn grondslag vindt in de communautaire rechtsorde zelf (zie § 7.3.1). Het arrest Courage/Crehan lijkt de visie van A-G Van Gerven te bevestigen. Hoewel gebruik moet worden gemaakt van het instrumentarium dat het nationale recht biedt, lijken uit het arrest Courage/Crehan zelfstandige Europese criteria te ontstaan waaruit een recht op schadevergoeding kan voortvloeien. Bij de eventuele invoering van een verordening of richtlijn met specifieke bepalingen voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht, dient dan ook onderzocht te worden of kan worden aangesloten bij de criteria die in de jurisprudentie van het HvJ EG zijn ontwikkeld.1