Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.6.5:6.3.6.5 Uniformiteit
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.6.5
6.3.6.5 Uniformiteit
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611437:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor is opgemerkt, meen ik dat de begrippen ‘verbonden persoon’ en ‘verbonden lichaam’ niet alleen kunnen gelden voor de terbeschikkingstellingsregelingen van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001, maar ook voor de vergelijkbare begrippen in art. 3.6, art. 3.30a en art. 3.46 Wet IB 2001. In deze bepalingen zijn steeds verbondenheidsbegrippen met een antiontgaansfunctie of antimisbruikfunctie bedoeld.
Overigens vertonen de verschillende definities nu al enige gelijkenis. Zij kunnen naar mijn mening echter nog meer worden geüniformeerd. Dit is al eerder opgemerkt door Stevens (2004), die meent dat er een uniform begrip ‘gelieerde samenwoner’ zou kunnen gelden ter vervanging van het begrip ‘verbonden persoon’ in art. 3.6 en 3.46 Wet IB 2001 en voor de meetrekregeling van het ‘aanmerkelijk belang’ van art. 4.10 Wet IB 2001. Voor dit begrip zou volgens hem kunnen worden aangesloten bij de omschrijvingen die zijn gehanteerd in art. 3.91 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001. In een latere publicatie heeft Stevens (2006) het begrip ‘gelieerde samenlever’ verder uitgewerkt. Daarbij stelt hij voor om de afbakening met het begrip ‘zorgverbonden partner’ tot stand te brengen op basis van art. 3 AWIR. Volgens deze bepaling wordt als ‘partner’ aangemerkt:
‘1. De partner van de belanghebbende is degene die hierna als eerste wordt genoemd:
a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner;
b. degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en: 1°. voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het berekeningsjaar kiest voor kwalificatie als partner van de belanghebbende; 2°. ten overstaan van een notaris een samenlevingscontract heeft gesloten met de belanghebbende;
3°. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;
4°. een kind van de belanghebbende heeft erkend dan wel van wie een kind door de belanghebbende is erkend;
5°. in een aan het berekeningsjaar voorafgaand kalenderjaar partner van de belanghebbende was;
6°. voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belanghebbende is aangemeld, of
7°. samen met de belanghebbende een woning bewoont die voor hen een eigen woning is in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en aansprakelijk is of mede aansprakelijk is voor een schuld waarbij die woning als onderpand dient;
c. de meerderjarige die in het berekeningsjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert met de meerderjarige belanghebbende en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met uitzondering van:
1°. de bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belanghebbende;
2°. de bloed- of aanverwant in de tweede graad van de zijlijn van de belanghebbende gedurende de periode dat de belanghebbende op hetzelfde woonadres als zijn ouder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.’
De personen als bedoeld in art. 3 lid 1 onderdeel a AWIR zouden volgens Stevens als ‘zorgverbonden partner’ moeten worden beschouwd. De partners als bedoeld in onderdeel b en c zouden tot het begrip ‘gelieerde samenlever’ moeten worden gerekend. Ik sluit mij hierbij aan, maar omdat de relaties van ongehuwde samenwoners minder stabiel blijken, pleit ik wel voor de introductie van een tegenbewijs-mogelijkheid op basis waarvan hun verbondenheid kan worden weerlegd. Hierna licht ik dit nader toe.
In paragraaf 6.3.4 heb ik beargumenteerd dat het niet logisch is om voor het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 3.30a lid 11 Wet IB 2001 aan te sluiten bij een aanmerkelijkbelangpositie. Het aanmerkelijkbelangcriterium en de bijbehorende grens van 5% is geen goed criterium om de beleidsinvloed van een aandeelhouder uit te drukken, omdat in de huidige regeling van Hoofdstuk 4 Wet IB 2001 niet meer wordt uitgegaan van het ‘machtselement’. Naar mijn mening dient dit machtselement ook centraal te staan voor de toepassing van art. 3.92 Wet IB 2001. Gelet op de antiontgaansfunctie van het begrip ‘verbonden lichaam’, meen ik daarom dat een 331/3%-criterium beter zou passen in de regeling van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001. Op deze wijze geldt de terbeschikkingstellingsregeling alleen voor aandeelhouders die in het algemeen een belangrijke zeggenschap hebben in een lichaam.