Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.5.3
6.5.3 De inbedding van de Code in het ondernemingsrecht
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS385818:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook kritisch Van Schilfgaarde 2007, p. 1954.
In dezelfde zin Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 30 onder f.
. Van der Krans 2016, p. 14-15 (verwijzend naar de parlementaire geschiedenis van het Wetsvoorstel corporate governance, zie §6.4.1). Van der Krans wijst ook op onderzoek van Melis waaruit blijkt dat veel institutionele beleggers ook kenbaar afwijken van de Code met een verklaring op hun website dat ze zich enkel aan de ‘wettelijke’ responstijd van 60 dagen conform artikel 2:114a BW houden. Zie ibid, p. 15 en voetnoot 10.
Over de status van de Code en haar plaats in het bestel van rechtsnormen in het ondernemingsrecht blijft nog altijd de nodige onduidelijkheid bestaan. Bij lezing van de beschikkingen van de Hoge Raad dringt de indruk zich op dat de normen van artikel 2:8 BW en 2:9 BW in beursvennootschappen vrijwel exclusief door de Code – als zijnde de op dit onderwerp in Nederland heersende rechtsovertuiging – worden ingevuld.1 Ik vraag me echter af in hoeverre alle individuele passages van de Code – zeker wanneer het gaat om de best practices – als weergave van de in Nederland levende rechtsovertuiging aangemerkt kunnen worden.2 Deze twijfel geldt vooral ten aanzien de punten waarop de wetgever thans een van de Code afwijkende koers hanteert. De rechtsregel uit de overwegingen van de Hoge Raad dat de Code als rechtsbron in de zin van artikel 3:12 BW aangemerkt kan worden, dient dan ook niet te breed te worden uitgelegd. Met de beschikking van de Ondernemingskamer inzake Cryo Save is weliswaar een volgende stap gezet in het proces van veralgemenisering van de doorwerking van de Code in het formele ondernemingsrecht, maar zoals eerder aangegeven ben ik er niet van overtuigd dat de discussie met deze beschikking is beslecht. Illustratief is het feit dat in bepaalde kringen nog altijd wordt betoogd dat aandeelhouders niet formeel aan een door de vennootschapsleiding ingeroepen responstijd tegen een agenderingsverzoek gebonden zijn.3 Ook een doorwerking van bepalingen van de Code op onderlinge verhoudingen bij niet-beursvennootschappen mag niet te snel worden aangenomen. De genoemde beschikkingen van de Hoge Raad zijn immers gewezen in geschillen over beursvennootschappen waarop de Code ingevolge het Besluit corporate governance van toepassing was. Hiermee staat niet per definitie vast wat de status van de Code is voor vennootschappen die buiten het formele toepassingsbereik van de Code vallen. Voorzichtigheid is en blijft dus geboden, zeker ook in de ‘corporate litigation’ praktijk, bij het duiden en het hanteren van de Code in het ondernemingsrecht.