Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.4.6.5
3.4.6.5 Overige verschillen
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS584586:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is in 1936 verdedigd door Eggens, zie Wiersma 1970, p. 100, en later door Buijn 2000, p. 217. In Nederland is ook wel bepleit om alleen de restaansprakelijkheid van de uitgetreden vennoot als een subsidiaire aansprakelijkheid op te vatten. Aldus P. Scholten, aangehaald door Wiersma 1970, p. 100. In deze zin ook Zevenbergen 1929, p. 383 en 394; Tervoort 1999, p. 211. Voor dit laatste zie ik, met Wiersma 1970, p. 100/101 geen goede basis, om dezelfde reden dat restaansprakelijkheid niet kan worden uitgesloten.
Zie 3.2.2.2. Vgl. over de Amerikaanse partnership, de modelwet Revised Uniform Partnership Act (1997), art. 201(a), 203 en 501 (a partnership is an entity distinct from its partners) en art. 307(d) (partnership creditor must first exhaust partnership’s assets).
Zie 3.2.4.2.
Zie Kamerstukken II 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 19, waar subsidiariteit op grond van de ‘Nederlandse traditie’ werd afgewezen. Prinsen 2003, p. 67 gaat m.i. een stap te ver waar hij pleit voor subsidiaire aansprakelijkheid van vennoten ongeacht rechtspersoonlijkheid.
Volgens het op 15 juni 2016 besproken concept-rapport van de werkgroep, p. 91, diende de schuldeiser van een VOF (met of zonder rechtspersoonlijkheid) in beginsel eerst de VOF aan te spreken. In het definitieve rapport is dit vervallen. Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19, concept-MvT, p. 93.
HR 3 december 1971, NJ 1972/117(Hotel Jan Luycken). In deze zin ook Mohr/Meijers 2009, § 4.4.3, p. 153, naar aanleiding van het Ontwerp-Van der Grinten.
Zie 2.3.3.2.
Van Olffen 2007a, par. 3.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 6 lid 4.
Van Schilfgaarde 2009, p. 967/968. In dezelfde richting reeds: Janssen 1987, p. 34.
Er zijn nog enkele verschillen tussen de rechtsbevoegde VOF en de VOF-rechtspersoon die aandacht verdienen, zoals de kwestie van de vennotenaansprakelijkheid. Gaat men uit van rechtspersoonlijkheid, dan kan handelen in naam van de VOF worden opgevat als middellijke vertegenwoordiging van de vennoten. Dan zou het een logische stap zijn om de aansprakelijkheid van vennoten voor schulden van de VOF tot een subsidiaire te maken;1 vgl. artikel 7:421 BW en de Franse SNC.2 Bij de Duitse OHG, die geen rechtspersoonlijkheid geniet, is de persoonlijke aansprakelijkheid van vennoten wel akzessorisch, maar niet subsidiair.3 In het Ontwerp-Van der Grinten en het Ontwerp-Maeijer was de vennotenaansprakelijkheid bij de vennootschap-rechtspersoon niet subsidiair.4 In het voorstel van de werkgroep-Van Olffen is zij dat ook niet.5 Ik bepleit een onderscheid. Geen rechtspersoonlijkheid, dan geen subsidiariteit. Wel rechtspersoonlijkheid, dan ook subsidiariteit.
Ook in de sfeer van verhaal op goederen zijn verschillen denkbaar. Kent men aan de VOF rechtspersoonlijkheid toe, dan lijkt er weinig ruimte meer voor de regel uit het Jan Luycken-arrest, dat een veroordelend vonnis tegen alle vennoten persoonlijk onder omstandigheden voldoende is voor verhaal op het afgescheiden vermogen.6
Men kan de keuze tussen rechtsbevoegde VOF en VOF-rechtspersoon ook verbinden met de materiële kenmerken, die m.i. bij de VOF een nuttige functie vervullen. Bij de rechtspersonen van Boek 2 BW spelen materiële kenmerken geen rol meer als constitutief vereiste (afgezien van de informele vereniging).7 Door aan de VOF rechtspersoonlijkheid te onthouden, blijft de bestaande rechtszekerheid over het bestaan van een rechtspersoon behouden. De gevolgen van een eventuele nietigheid kunnen bij de VOF zonder rechtspersoonlijkheid goed vanuit het algemene vermogensrecht worden beredeneerd. Verder acht ik van belang dat, door bij de toepassing van de materiële kenmerken meer dan nu gewicht toe te kennen aan de uitgesproken partijwil,8 het aantal gevallen waarin nietigheid aan de orde kan zijn, wordt beperkt. Dit draagt ertoe bij dat aan meer categorische regels om nietigheid van de VOF te voorkomen in de praktijk niet veel behoefte zal bestaan.
Ten slotte zal bij de keuze tussen rechtsbevoegde VOF en VOF-rechtspersoon naar komend recht gelet moeten worden op de implicaties voor wetsbepalingen buiten titel 7.13 BW. Doordenking van dit vraagstuk leidde tot artikel 804 lid 2 van het Ontwerp-Maeijer: in wettelijke bepalingen buiten titel 7.13 werd met ‘rechtspersoon’ niet mede gedoeld op de OVR, tenzij anders bleek.9 Het voorstel van de werkgroep-Van Olffen kent eenzelfde bepaling.10 Terecht heeft Van Schilfgaarde erop gewezen dat het wettelijk begrip ‘rechtspersoon’ hiermee veel van zijn ordenende functie verliest.11 Wordt aan de VOF rechtspersoonlijkheid onthouden, dan kunnen dit soort wetsbepalingen worden gemist. Ook bestaat dan geen behoefte aan typeringen als ‘rechtspersoonlijkheid van eigen aard’, die aan verheldering van het rechtsbegrip niet bijdragen.