De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/8.1:8.1 Inleiding
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384591:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Brief van Minister van Justitie Van der Steur aan de Tweede Kamer van 9 december 2016 over de voortgang van de modernisering van het ondernemingsrecht, Kamerstukken II, 2016/17, 29 752, nr. 9, p. 10-15 en p. 19-22.
Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992 houdende ‘Aanwijzingen voor de Regelgeving’ zoals van tijd tot tijd aangepast (laatstelijk in 2011).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken zijn bepaalde ontwikkelingen in het ondernemingsrecht, namelijk de ontwikkelingen met betrekking tot de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen, op detailniveau beschreven. Deze ontwikkelingen laten ook bepaalde algemene eigenschappen van het ondernemingsrecht zien. De belangrijkste eigenschap is een zekere mate van wispelturigheid. Visueel weergegeven zou de ontwikkeling van het ondernemingsrecht geen rechte lijn, maar een grillige figuur tonen. De ontwikkeling volgt geen vooropgezet plan, maar krijgt gaandeweg op incrementele wijze vorm, telkens op basis van omstandigheden en krachten die op dat moment spelen. De impact van specifieke ontwikkelingen kan telkens niet op voorhand worden ingeschat, maar vaak pas achteraf worden geduid.
Bij dit alles spelen de toevallig aanwezige omstandigheden een belangrijke rol. Zo kan met recht de vraag worden gesteld hoe de ontwikkeling van het Europese ondernemingsrecht zou zijn verlopen indien het Europese Parlement in de zomer van 2001 wél met het toenmalig ontwerp voor de Dertiende Richtlijn zou hebben ingestemd in plaats van tot een staking van de stemmen te komen (zie §5.3.1). In dit geval had één stem verschil wellicht tot een hele andere ontwikkeling van het beleid op Europees niveau – en daarmee op Nederlands niveau kunnen leiden. Hetzelfde geldt voor de toevallige combinatie van omstandigheden die ertoe leidden dat de twee grootste partijen in de Nederlandse regering (VVD, CDA) én de grootste oppositiepartij (PvdA) in 2003 gezamenlijk op een versterking van de positie van aandeelhouders in Nederlandse (beurs) vennootschappen waren gericht, zij het om geheel verschillende redenen. Juist vanwege de invloed van toevallige omstandigheden is het belangrijk om ontwikkelingen uit het verleden in hun contemporaine context te plaatsen.
Welke lessen kunnen uit de in de voorgaande hoofdstukken beschreven ontwikkelingen uit het verleden worden getrokken voor de toekomst? Het is verleidelijk om in antwoord op deze vraag een aantal conclusies en aanbevelingen te formuleren over specifieke wijzigingen in wet- en regelgeving of over beslissingsmaatstaven die de rechter zou moeten hanteren. Van dergelijke aanbevelingen kan ook een geruststellend effect uitgaan. De lezer krijgt een toekomstbeeld aangereikt waarin concrete aanbevelingen als houvast dienen voor de verwachte ontwikkelingen. Om redenen die ik hierna zal toelichten ben ik van mening dat dergelijke concrete conclusies en aanbevelingen af zouden leiden van waar het werkelijk om gaat (zie §8.2). Het onderzoek geeft wel aanleiding tot het maken van een aantal observaties over de wisselwerking tussen wijzigingen in wet- en regelgeving enerzijds en de achterliggende ideeën anderzijds, in het bijzonder waar het gaat om ideeën die afkomstig zijn uit andere rechtsstelsels of andere wetenschapsdisciplines (zie §8.3).
Belangrijker nog is dat naar aanleiding van deze studie bepaalde perspectieven kunnen worden geschetst die bij toekomstige herzieningen in het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen kunnen worden betrokken (§8.4). Deze vraag is actueel in het licht van de modernisering van het N.V.-recht en de mogelijke heroriëntatie op de verhoudingen in beursvennootschappen tussen de aandeelhouders onderling en de aandeelhouders enerzijds en de vennootschapsleiding anderzijds die in december 2016 in de ‘Nota voortgang modernisering ondernemingsrecht’ zijn aangekondigd.1 In zoverre behelst dit onderzoek zowel een evaluatie van het ondernemingsrecht over de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen dat met wetgeving, zelfregulering en rechtspraak in de periode tussen 1999 en 2004 tot stand is gebracht als ook een verkennende studie met het oog op mogelijke toekomstige aanpassingen in wetgeving en zelfregulering. Juist omdat gebleken is dat het in de periode tot 2004 tot stand gebrachte juridisch kader in de jaren erna op een aantal punten in de praktijk wezenlijk anders heeft uitgewerkt dan was voorzien, is het bij een toekomstige herziening van belang om – in lijn met Aanwijzingen 7 en 9 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving2 – vooraf een deugdelijke analyse te maken van de relevante feiten en omstandigheden, de doelstelling van een voorgestelde regeling, de noodzaak voor overheidsinterventie en de alternatieven daarvoor (waaronder zelfregulering), de verwachte effectiviteit van een voorgestelde regeling en de mogelijke neveneffecten daarvan. Zoals ik in §8.4 uiteen zal zetten, moet in dat kader eerst een aantal principiële keuzes worden gemaakt.