De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/1.2:1.2 Het doel van het onderzoek
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/1.2
1.2 Het doel van het onderzoek
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS369125:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De centrale onderzoeksvraag van dit boek is de volgende:
Hoe ziet de huidige zittingspraktijk (comparitie na antwoord) eruit in termen van doelbereik en rechtvaardigheid, waar liggen aandachtspunten voor verbetering en wat is een goede zittingsaanpak?
Deze vraag kan geconcretiseerd worden in de volgende 10 deelvragen.
In welke mate worden de wettelijke doelen van de zitting bereikt?
Zijn er verschillen in perceptie tussen partijen, advocaten en rechters met betrekking tot het bereiken van deze wettelijke doelen van de zitting?
Wat zijn de persoonlijke doelen van partijen, advocaten en rechters voor de zitting?
In welke mate worden de persoonlijke doelen van partijen, advocaten en rechters tijdens de zitting bereikt?
Hoe rechtvaardig is de zitting in de ogen van de procesdeelnemers (partijen en advocaten)?
Hoe rechtvaardig denken rechters dat hun eigen zitting was voor de aanwezige partijen en in welke mate komt deze inschatting overeen met de zelfgerapporteerde rechtvaardigheidspercepties van partijen?
Is er een verband tussen het wettelijk doelbereik, het persoonlijk doelbereik en de rechtvaardigheidspercepties van de procesdeelnemers?
Waar liggen aandachtspunten voor verbetering van de huidige zittingspraktijk?
Welke verbetervoorstellen zijn binnen Nederland voor de comparitie na antwoord gedaan en in Duitsland en de Verenigde Staten voor vergelijkbare zittingen?
Wat is een goede zittingsaanpak voor comparitierechters vanuit het perspectief van rechtvaardigheid en doelbereik?
De huidige zittingspraktijk wordt aan de hand van twee aspecten in kaart gebracht: (wettelijk en persoonlijk) doelbereik en rechtvaardigheid.
Doelbereik heeft allereerst betrekking op de mate waarin de doelen, die voor de comparitie zijn geformuleerd, worden bereikt. Dat zijn de volgende drie doelen:
het beproeven van een schikking (artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
het verkrijgen van inlichtingen van partijen (artikel 88 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
overleg met partijen over het vervolg van de procedure.
Dit derde doel is weliswaar niet in de wet opgenomen, maar in de praktijk is dit doel algemeen erkend (Van Nispen e.a., 2005). In de rest van dit boek duid ik deze drie doelen — voor het gemak — verder aan als ‘wettelijke doelen’. De huidige zittingspraktijk wordt in termen van het wettelijk doelbereik onderzocht, omdat de huidige (en toekomstige) praktijken zoveel mogelijk (zouden) moeten bijdragen aan het bereiken van deze doelen.
Doelbereik betreft ten tweede de mate waarin de persoonlijke doelen van partijen, advocaten en rechters bereikt worden. Persoonlijk doelbereik zegt iets over de verwachtingen die partijen, advocaten en rechters van een zitting hebben. Als zij namelijk helder voor ogen hebben wat er op de zitting gaat gebeuren, dan zullen zij — naar alle waarschijnlijkheid — meer realistische persoonlijke doelen formuleren die in hogere mate bereikt kunnen worden.
De huidige zittingspraktijk wordt daarnaast in kaart gebracht aan de hand van rechtvaardigheid. Hierbij gaat het om de mate waarin procesdeelnemers de inrichting van de zitting (procedurele rechtvaardigheid), de behandeling door de rechter (interpersoonlijke rechtvaardigheid) en de informatie over de zitting (informatieve rechtvaardigheid) als rechtvaardig ervaren. Wetenschappelijk onderzoek toont aan, dat deze rechtvaardigheidspercepties van burgers belangrijke sleutels zijn bij het verklaren van hun reacties op ervaringen met autoriteiten. Een hogere ervaren (procedurele) rechtvaardigheid blijkt van invloed te zijn op de rechtvaardigheid van de uitkomst, de acceptatie van die uitkomst, de tevredenheid met de geschil-oplosser, het vertrouwen in het rechtssysteem en mate waarin burgers zich aan de wet houden (Lind e.a., 1993; Lind & Tyler, 1988; McEwen & Maiman, 1984; Paternoster e.a., 1997; Thibaut & Walker, 1978; Tyler, 2006b; Tyler & Huo, 2002; Wissler, 1995). Daarnaast is het relevant om rekening te houden met wat burgers in een procedure belangrijk vinden omdat het civiele rechtssysteem en de procedures die daar onderdeel van uitmaken, in het leven zijn geroepen om de belangen van burgers bij de naleving van contractuele afspraken en andere maatschappelijke spelregels te waarborgen.
De ervaren rechtvaardigheid van de uitkomst (distributieve rechtvaardigheid) is bij de onderzochte zittingen niet gemeten. Hiervoor is gekozen omdat de uitkomst (en de rechtvaardigheid daarvan) direct na de zitting, toen de vragenlijsten aan de procesdeelnemers werden voorgelegd, nog niet in alle zaken bekend was. De rechter wijst namelijk bij de onderzochte rechtbanken op zijn vroegst zes weken na de zitting vonnis. Een mogelijkheid zou zijn geweest om partijen en advocaten opnieuw te benaderen nadat het vonnis was gewezen, maar hiervan is afgezien vanwege de tijdsinvesteringen (en dus extra kosten) die daarmee gemoeid zouden zijn geweest.