Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/2.3.4:2.3.4 De participatiedemocratie
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/2.3.4
2.3.4 De participatiedemocratie
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248530:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vierde democratiemodel is de participatiedemocratie. In dit type democratie wordt het van groot belang geacht dat iedereen aan het besluitvormingsproces mee kan doen op een directe wijze. Daarnaast moet dat proces in een participatiedemocratie integratief verlopen. Net als in een consensusdemocratie moeten minderheden bij de beleidsvorming worden betrokken om zo meer draagvlak te creëren en tot betere besluiten te komen. Gezien dit doel is gelijkheid een ideaal dat zeer hoog in het vaandel staat. Meer nog dan de kiezersdemocratie, is de participatiedemocratie een in de praktijk moeilijk te realiseren vorm van democratie. De nadruk op integratieve besluitvorming betekent dat besluitvorming een proces is van de soms zeer lange adem. Daar komt bij dat in participatiedemocratieën burgers niet alleen direct actief zijn bij het bepalen van het beleid dat gevoerd moet worden, maar ook bij de uitvoering van dat beleid. Er wordt, kortom, in participatiedemocratieën zoveel actieve betrokkenheid van burgers gevraagd dat het concept, als het überhaupt te realiseren valt, alleen werkbaar is op lokale schaal.1
Voor zover het te realiseren valt, komt een participatiedemocratie zoals gezegd alleen voor op het lokale niveau. De kenmerken die Hendriks beschrijft, zien dan ook op dat niveau.
Het bestuur is kleinschalig, net als de eenheid waarop dat bestuur betrekking heeft.
Het bestuur is collectief. Iedereen is in beginsel betrokken bij de uitvoering.
Het bestuur legt collectief verantwoording af. Iedereen die participeert controleert voortdurend en eist continu verantwoording.
Er is sprake van gedeelde idealen en ideeën over het algemeen belang, wat zorgt voor afstemming en gecoördineerde actie.
Organisatie vindt plaats van onderop. Autonome eenheden zijn vrijwillig bij het geheel betrokken.
Het geheel is meer dan de som der delen en is betekenis gevend.
Er is sprake van radicale loyaliteit. In het geval van onenigheid is meepraten en loyaliteit het uitgangspunt, maar is afscheiding in het uiterste geval een optie.
Belangen worden op groepsniveau behartigd.2
Een voordeel van een participatiedemocratie is dat burgers verantwoordelijk worden gemaakt voor hun eigen samenleving. Dit kan veel positieve energie losmaken in een gemeenschap en saamhorigheidsgevoelens genereren. Het gevaar dat het model in zich draagt is dat het besluitvormingsproces vastloopt zodra de praktijk niet aan hooggespannen verwachtingen voldoet. Overleg kost veel tijd, geld en energie en in verdeelde, heterogene samenlevingen is het ondenkbaar dat over alle kwesties consensus kan worden bereikt. Er zullen daarover toch beslissingen moeten worden genomen, maar daarvoor biedt de participatiedemocratie geen andere oplossing dan dat de groepen die het fundamenteel niet met de beslissing eens zijn zich dan maar moeten afscheiden. Daarnaast is het beroep dat op burgers wordt gedaan om te besturen groter dan dat zij kunnen en/of willen behappen. De participatiedemocratie kan daarom nooit de democratische hoofdstructuur van een staat vormen. Hendriks stelt dat het wel een waardevolle aanvulling op de andere drie democratiemodellen kan zijn. Het confronteert de penduledemocratie met het gegeven dat het voor goed bestuur nodig is om tussen verkiezingen in signalen uit de samenleving op te vangen. Het confronteert de consensusdemocratie met het gegeven dat politieke partijen en professionele belangenbehartigers niet over alle kennis beschikken en alle standpunten in een maatschappij vertegenwoordigen. Het confronteert de kiezersdemocratie met het gegeven dat aan een voor- of tegenstem verschillende beweegredenen ten grondslag kunnen liggen en dat mensen van elkaar kunnen leren door met elkaar in gesprek te gaan.