Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.3.1:8.5.3.1 De bezwaren van de Algemene Rekenkamer
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.3.1
8.5.3.1 De bezwaren van de Algemene Rekenkamer
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457696:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 824.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 850.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 886.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 886, p. 2.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 886, p. 2.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 886, p. 3.
Artikel 30, zesde lid, ESM-verdrag.
Artikel 5, zevende lid, sub c, jo. artikel 5, negende lid, ESM-verdrag. Volgens artikel 4, vijfde lid, ESM-verdrag is sprake van een gekwalificeerde meerderheid vanaf tachtig procent van de uitgebrachte stemmen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Algemene Rekenkamer stelde de externe controle op het ESM voor het eerst aan de orde in een reactie op de oorspronkelijke versie van het ESM-verdrag uit juli 2011.1 In een brief aan de Tweede Kamer van augustus 2011 riep de Algemene Rekenkamer op om, mede gelet op het grote financiële belang van iedere lidstaat bij het ESM, tot een effectieve publieke controle via nationale rekenkamers te komen. Het oorspronkelijke verdrag voorzag in een accountantscontrole van de rekeningen van het ESM, maar daarbij werd niet gekeken naar de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van het ESM, aldus de Algemene Rekenkamer. De vraag of gevoerd beleid daadwerkelijk bijdraagt aan een oplossing voor de financiële crisis binnen de EU zou daarmee bijvoorbeeld buiten beschouwing blijven. De Algemene Rekenkamer riep in de brief op tot de oprichting van een zogeheten audit board, bestaande uit vertegenwoordigers van de nationale rekenkamers, die toezicht houdt op het ESM en daarover rapporteert aan de nationale parlementen van de ESM-leden. In de brief maakt de Algemene Rekenkamer ook melding van het initiatief van het Bundesrechnungshof, de Duitse zusterorganisatie, om, bij gebrek aan een effectieve regeling, met alle nationale rekenkamers van de ESM-leden te spreken over de publieke externe controle op het ESM.
Het kabinet reageerde positief op de ideeën van de Algemene Rekenkamer en beloofde die mee te nemen bij de aanpassing van het ESM-verdrag die op dat moment gaande was.2 De definitieve versie van het ESM-verdrag werd ondertekend in februari 2012. Nog diezelfde maand stuurde de Algemene Rekenkamer opnieuw het oordeel daarover aan beide Kamers.3 Het ESM-verdrag voorzag nu in de gewenste board of auditors. Desalniettemin was de Algemene Rekenkamer niet tevreden. Zij stelde dat ‘aan de mogelijkheden voor publieke externe controle van het ESM en aan het openbaar maken van de resultaten daarvan maar beperkt invulling [wordt] gegeven’.4 Dit bleek volgens de Algemene Rekenkamer bijvoorbeeld uit het feit dat het op grond van het ESM-verdrag onduidelijk was of de auditors elk gewenst soort onderzoek konden uitvoeren. Ook bleken de rapportagemogelijkheden van de board of auditors op grond van het verdrag beperkt tot een jaarverslag, dat slechts via de raad van gouverneurs openbaar gemaakt kan worden. Tot slot merkte de Algemene Rekenkamer op dat het ESM-verdrag niet voorzag in externe controle die voldoet aan internationale controlestandaarden. Volgens de Algemene Rekenkamer was daarmee sprake van een belangrijke lacune in het ESM-verdrag.5
Evenals in de vorige brief riep de Algemene Rekenkamer de Tweede Kamer op om deze punten mee te nemen bij de goedkeuring van het verdrag.6 Dit hoefde volgens de Algemene Rekenkamer niet te leiden tot uitstel van de ratificatie van het ESM-verdrag. Deze punten zouden hersteld kunnen worden bij de uitwerking van de zogenaamde by-laws, een soort statuten, die nog op grond van het ESM-verdrag tot stand zouden komen.7 De by-laws werden vastgesteld door de raad van gouverneurs. Wat de brief van de Algemene Rekenkamer echter niet vermeldt, is dat dit besluit met gekwalificeerde meerderheid, ofwel met tachtig procent van de stemmen, zou worden genomen.8 De Nederlandse minister van Financiën zou daarom overstemd kunnen worden.