Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.3.1
8.2.3.1 Kwalificerende moeder-dochterverhouding en 5%-eis
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397121:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het is mijns inziens opvallend dat het kabinet een onderzoek heeft aangekondigd (in de loop van 2020) of de deelnemingsvrijstelling zodanig kan worden gewijzigd dat deze niet meer hoeft te worden toegepast als de aanwezigheid van een concern in Nederland zich beperkt tot één of meerdere nagenoeg ‘substanceloze’ (tussen)houdsters. Brief van de Staatssecretaris van Financiën, 23 februari 2018, Aanpak belastingontwijking en ontduiking, kenmerk 2018-0000026987, V-N 2018/14.2.
Tot 1 januari 2007 was het mogelijk de deelnemingsvrijstelling ook toe te passen op belangen kleiner dan 5%, indien het aanhouden van dit pakket lag in de lijn van de normale bedrijfsuitoefening van de moedermaatschappij of met de verwerving van het aandelenpakket(je) het algemeen belang was gediend (art. 13 lid 3 Wet VPB 1969 (oud).
Voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling dient er sprake te zijn van een kwalificerende moeder-dochterverhouding die ook van voldoende omvang is. Als moedermaatschappij kunnen alle lichamen die vennootschapsbelastingplichtig zijn in Nederland de deelnemingsvrijstelling toepassen, met uitzondering van fiscale beleggingsinstellingen (art. 13 lid 8 Wet VPB 1969).1
Als dochtermaatschappij moet het gaan om deelnemingen in vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal, open fondsen voor gemene rekening, een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag dan wel om een commanditaire deelname in een open commanditaire vennootschap (art. 13 lid 2 Wet VPB 1969). Voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling moet de moedermaatschappij in principe ten minste 5% van het nominaal gestort kapitaal van de dochtermaatschappij bezitten. De 5%-eis vindt zijn oorsprong in het verschil tussen deelnemen enerzijds en beleggen anderzijds.2 Bij deelnemen wordt een grotere betrokkenheid bij de in de dochtervennootschap gedreven onderneming verondersteld. Deze betrokkenheid wordt niet aanwezig geacht bij beleggen en er is volgens de wetgever derhalve geen reden om beleggingen in aandelen anders te behandelen dan beleggingen in bijvoorbeeld onroerende zaken of obligaties. Vanaf 1 januari 2007 is de bezitseis – om eenvoudsredenen - verworden tot een harde eis en is toepassing van de deelnemingsvrijstelling ten aanzien van de zogenoemde deelneming-door-gelijkstelling niet meer mogelijk.3
Art. 13 lid 4 en 5 Wet VPB 1969 bevat een tweetal uitbreidingen van het deelnemingsbegrip, te weten de meesleepregeling die geldt voor winstbewijzen en voor schuldvorderingen die bij de schuldenaars feitelijk functioneren als eigen vermogen ex art. 10 lid 1d Wet VPB 1969, alsmede de meetrekregeling die van toepassing is op belangen in een deelneming van een verbonden lichaam. Daarnaast is in art. 13 lid 16 Wet VPB 1969 een regeling opgenomen voor zogenoemde aflopende deelnemingen. Een aflopende deelneming is een belang waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, maar dat bijvoorbeeld door een gedeeltelijke vervreemding of door een verwatering van het belang niet meer voldoet aan het vereiste van ten minste 5%. De regeling houdt in dat, ondanks het ontbreken van een kwalificerend belang, de deelnemingsvrijstelling nog gedurende een periode van drie jaar van toepassing is. Deze driejaarsperiode vangt aan op het moment dat het belang onder de 5% is gezakt. Voorwaarde is wel dat de belastingplichtige het belang in de deelneming reeds meer dan een jaar heeft gehouden en dat hij in deze periode onafgebroken voor de deelnemingsvrijstelling in aanmerking kwam.