Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.F.4
4. We zijn weer terug bij af: toch weer objectieve verbetering?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479844:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel A.4.b van dit hoofdstuk.
Zie onderdeel G.6.i van het vorige hoofdstuk.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 21. Zie tevens onderdeel E.l.d van dit hoofdstuk.
Art 2.3 lid 1 jo. art 2.4 leden 1-3 Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma Noord- Brabant 2012-2016.
Art 9.5.2 sub e Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011.
Art 1.1 Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied Limburg.
Art. 2.1.1.1 lid 2 sub d PMJP 2007-2013 Gelderland, deel 3: Het subsidiekader.
Er kan over deze kwestie zeker anders gedacht worden, getuige J.W. Wiltink, ‘Reactie naar aanleiding van het artikel ‘Kavelruil anno 2010: de stand van zaken’ in Agrarisch Recht 2010, p. 316’, p. 9. Wiltink stelt onder meer: ‘Vanuit maatschappelijk oogpunt is het goed te verdedigen dat provincies bovenwettelijke eisen stellen aan subsidiëring (…) Hoewel de door verschillende provincies gestelde criteria voor subsidieverlening discutabel kunnen zijn, is het gebruik van criteria op zichzelf een geschikt middel om een belangenafweging te maken met betrekking tot de investering en de te realiseren beleidsdoelen.’ Het primaat van de provincies op subsidiegebied weegt volgens de auteur derhalve zwaar. Het moge duidelijk zijn dat ik op dit punt een andere mening ben toegedaan.
Zie omtrent de fiscale ‘hoofdprijs’ nader de grenspost 2 van dit onderzoek.
Ontleend aan: H.J.W. Leenen, ‘Kavelruil; een populaire vorm van landinrichting’, p. 106. Zie tevens onderdeel G.6.h, nt. 495 van het vorige hoofdstuk.
Artikel 16 WILG bevat, zoals reeds besproken, 1 een doelomschrijving. In dit artikel is bepaald dat landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijke gebied. In tegenstelling tot hetgeen in de Instructie Kavelruil bepaald was voor ‘Landinrichtingswet-kavelruilen’, 2 hoeft er voor kavelruilen onder de WILG niet langer toetsing aan deze ‘objectieve verbeteringseis’ plaats te vinden. Een en ander blijkt duidelijk uit de (inmiddels bekende) brief van de minister van LNV van 8 september 2006, 3 waarin hij aangeeft dat de in artikel 16 omschreven doelstelling niet een extra eis behelst, waaraan kavelruilen dienen te voldoen.
Des te opvallender is het dat veel provincies in hun provinciale subsidieverordeningen de additionele eis stellen dat de kavelruil moet bijdragen aan een verbetering van het landelijk gebied. Het woord ‘verbetering’ heeft menig wenkbrauw doen fronzen: men zal toch niet…? Een kleine bloemlezing uit de provinciale proza biedt duidelijkheid:
Allereerst de provincie Noord-Brabant. Volgens de provinciale verordening moet er, om een kavelruil ‘subsidiewaardig’ te laten zijn, sprake zijn van ‘verbetering van de landbouwkundige structuur’,
“(…) door verbetering van:
de verkaveling of de ligging van kavels ten opzichte van elkaar;
de toegankelijkheid van kavels en percelen;
landbouwgronden;
de energievoorziening ten behoeve van de landbouw, of;
het waterbeheer.”4
Ziehier: een op onderdelen gedetailleerd uitgewerkte Brabantse objectieve verbeteringseis.
Ook de provincie Overijssel eist (een vorm van) objectieve verbetering, getuige de navolgende passage:
“aanvragen voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 9.5.1, sub d (vrijwillige kavelruil, JR), voldoen aan de volgende criteria:
minimaal 3 grondeigenaren brengen onroerende zaken in en na de ruiling krijgen minimaal 2 eigenaren weer gronden terug;
de gronden waarvoor subsidie gevraagd worden liggen in de provincie Overijssel;
de ruiling leidt tot een betere verkaveling in het belang van landbouw al dan niet in samenhang met natuur of landschap. 5
De laatste zin is, zoveel moge duidelijk zijn, een duidelijke reminiscentie naar artikel 16 WILG,
Vervolgens is het de beurt aan Limburg. Ook in deze zuidelijke contreien is artikel 16 WILG nooit ver weg:
“Op projectniveau dient sprake te zijn van een duidelijk landbouwkundig nut, dat wil zeggen verbetering van de verkavelingsstructuur gericht op een efficiëntere bedrijfsvoering of vergroting van het multifunctioneel grondgebruik ten behoeve van de landbouw, met name op hellingen, in beekdalen of-laagten. Het betreft met name meer grond bij huis, grotere en beter gevormde kavels of gebruikspercelert, afstandsverkorting van de veldkavels, verbetering van de bereikbaarheid en vergroting van het multifunctioneel grondgebruik. De betekenis van de verschillende aspecten is sterk afhankelijk van het bedrijfitype en de aard van de gebieden.”6
En tot slot eindigt deze korte provinciale rondgang in Gelderland. Ook deze provincie kan de band met artikel 16 WILG maar niet doorknippen en bepaalt, zij het in iets andere bewoordingen dan de overige provincies:
“Het ruilproject heeft aantoonbaar maatschappelijk nut. De ruiling draagt bij aan effectiever gebruik van gronden voor de huidige functie dan wel draagt bij aan realisatie van een nieuwe functie."7
.Aantoonbaar maatschappelijk nut’ dient men in dit kader te lezen als een synoniem voor ‘objectieve verbetering’.
In bovenstaande voorbeelden heeft de oplettende lezer ‘artikel 16-achtige formuleringen’ ontwaard. In veel provincies is derhalve de ‘objectieve verbeteringseis’ via de achterdeur opnieuw binnengehaald. Hiermee gaan de provincies voorbij aan het gestelde in de ministeriële brief.’We zijn weer terug bij af is een gevoel dat mij in dit kader, hopelijk ten onrechte, bekruipt.
De decentralisatiedrang van de overheid heeft op dit terrein dus voor grote onduidelijkheid en onzekerheid gezorgd. Weliswaar zijn de provincies, tot 1 januari 2014 indachtig de bestuursovereenkomsten en sinds 1 januari 2014 op grond van de verdere decentralisatie, vrij om voor het subsidietraject nadere eisen te stellen, maar door op grote schaal een duidelijke mededeling van de minister uit diens brief van 8 september 2006 in de provinciale verordeningen te doorkruisen ‘misbruiken’ de provincies de aan hen gegeven vrijheid in mijn opinie. 8 De ‘spookbeelden’ uit de oude Land- inrichtingswet-rechtspraak, die als gevolg van de ministeriële mededeling uit het collectieve geheugen waren verdrongen, worden via provinciale weg weer in voile omvang opgerakeld. Dit is mijns inziens een voor de kenbaarheid, eenduidigheid en toepassingsmogelijkheden van de kavelruil in Nederland ongewenste ontwikkeling.
Voor de volledigheid: ik ben mij er volledig van bewust dat de ‘objectieve verbeteringsperikelen’ zich weliswaar enkel voordoen op subsidieterrein, maar aangezien subsidie, samen met de elementen civiel en fiscaal, de ‘drietand’ van de kavelruil vormt, is het belang voor de praktijk van eenduidige en heldere regelgeving op alle drie de terreinen en dus ook op subsidieterrein, groot.
De gevolgen van onduidelijke casu quo met de civiele vereisten strijdige subsidieverordeningen doen zich mijns inziens, hoewel ik dit helaas niet met statistische gegevens kan onderbouwen, gevoelen. Zowel uit eigen ervaring als uit signalen die ik van collega’s uit den lande ontvang, blijkt dat men in de kavelruilpraktijk anno 2014 vaak niet langer ‘voor de subsidie gaat’, maar (enkel) inzet op de fiscale faciliteiten (de vrijstelling van overdrachtsbelasting), 9 Deels is deze ontwikkeling verklaarbaar door de huidige economische recessie en de daarmee gepaard gaande bezuinigingen op subsidiegebied, maar een (groot) deel van deze ontwikkeling moet in mijn opinie zeker op het conto komen van de op onderdelen strenge, onduidelijke en soms zelfs onredelijke provinciale vereisten, die een rem zetten op de subsidieaanvragen voor kavelruil.
Om de kavelruil, waar de subsidie als gezegd een integraal en onmisbaar onderdeel van uitmaakt, toekomstbestendig te houden, moet voorkomen worden dat de subsidie in verhouding tot de fiscale vrijstelling, een nog groter ‘troostprijskarakter’ krijgt dan thans al het geval is.10