Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.6.5:1.6.5 De verhouding tot het vervolgingsmonopolie
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.6.5
1.6.5 De verhouding tot het vervolgingsmonopolie
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover paragraaf 1.2.1 en 4.8.
Hof ‘s-Hertogenbosch 22 februari 2000, NJ 2000, 322.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander punt betreft de samenhang tussen het opportuniteitsbeginsel en het vervolgingsmonopolie. Deze verhouding is van belang omdat het bij veel discussies over een mogelijke Europeesrechtelijke beïnvloeding van het opportuniteitsbeginsel in ieder geval deels lijkt te gaan over een beperking van het vervolgingsmonopolie. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de vraag of de vervolgingsverplichtingen inzake meineed voor het Hof van Justitie en schending van Europese atoomgeheimen betekenis hebben voor het opportuniteitsbeginsel of voor het vervolgingsmonopolie.1
In het licht van de twee betekenissen van het opportuniteitsbeginsel, zoals hierboven aangeduid, is het van belang om de verdeling van de strafvorderlijke beslissingsbevoegdheid, en de mogelijkheden om die beslissingen te beïnvloeden, niet zonder meer te beschouwen als inbreuken op het opportuniteitsbeginsel. De mogelijkheid voor de officier van justitie om na het opsporingsonderzoek te seponeren, die nauw samenhangt met het opportuniteitsbeginsel, kan in veel gevallen niet worden uitgeoefend. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het Hof in een artikel 12 Sv-procedure het instellen van vervolging heeft bevolen, en het om van verdere vervolging wil afzien. De officier van justitie kan dan slechts na bewilliging van het Hof seponeren (artikel 243 lid 5 Sv). Het Hof gebruikt echter ook het algemeen belang als maatstaf voor zijn beslissing op het beklag tegen niet-vervolging (artikel 12i Sv). Het opportuniteitsbeginsel blijft dan overeind, namelijk als algemeen uitgangspunt dat bij beslissingen omtrent opsporing en vervolging het algemeen belang moet kunnen worden betrokken.
Er wordt echter wel een inbreuk gemaakt op het opportuniteitsbeginsel, wanneer degene die met een beslissing omtrent opsporing of vervolging is belast ten aanzien van een haalbare zaak rechtens geen rekening mag houden met het algemeen belang, maar verplicht is tot de inzet van het desbetreffende strafvorderlijke middel. Dan is er geen sprake van een andere verdeling van bevoegdheden rondom het nemen van een concrete beslissing omtrent opsporing en vervolging, maar van het ontbreken van een discretionaire ruimte bij degene die met het nemen van de beslissing is belast. Daarom betreft het in die gevallen niet een aantasting van het vervolgingsmonopolie, maar van het opportuniteitsbeginsel. Dergelijke verplichtingen kunnen voortvloeien uit de wet (waarvoor meestal de term legaliteitsbeginsel wordt gebruikt) maar het is ook mogelijk dat deze in de rechtspraak worden aangenomen.2 Niet in alle gevallen waarin de uiteindelijke beslisser over de inzet van een bepaald strafvorderlijk middel geen mogelijkheid heeft om het algemeen belang mee te laten wegen, hoeft er te worden gesproken over het legaliteitsbeginsel. Dat beginsel betekent namelijk dat er een wettelijke verplichting is tot inzet van het strafrecht wanneer een naar de wettelijke omschrijving strafbare gedraging is geconstateerd. Verplichtingen tot strafrechtelijk handelen uit andere bronnen dan de wet hoeven dus niet te worden aangeduid met de term ‘legaliteitsbeginsel’. Een dergelijke verplichting zou echter wel een beperking van het opportuniteitsbeginsel kunnen inhouden, omdat er in dat geval geen autoriteit is die het algemeen belang mag betrekken bij een beslissing omtrent opsporing of vervolging. Dan is er dus niet slechts een andere bevoegdheidsverdeling ten aanzien van, bijvoorbeeld, de vervolgingsbeslissing, maar wordt een uitzondering gemaakt op het opportuniteitsbeginsel.