Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/3.4.5
3.4.5 Gevolgen: de kosten
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS594944:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mildred 2002, p. 598.
PD 12.4. Hodges 2001, p. 109-11 behandelt de algemene regels over proceskostenveroordelingen neergelegd in Part 44 CPR die ook hier van belang zijn. In beginsel geldt de regel 'the loser pays', maar factoren die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden zijn de totale opstelling en handelwijze van de betrokkenen, eventuele (in)adequate reactie op offers to settle etc.
Mildred 2000, p. 443.
Rule 48.6A (1) (b), Andrews 2003, p. 983.
Rule 48.6A (3), Hodges 2001, p. 112, Andrews 2003, p. 983.
Rule 48.6A (7) CPR, Hodges 2001, p. 115-6, Mildred 2000, p. 424, Andrews 2003, p. 984 die ook een uitzonderingsgeval behandelt.
Mildred 2002, p. 599.
Andrews, 2003, p. 984, Mildred 2002, p. 600.
Rule 48.6A (6) CPR, Hodges 2001, p. 115-116, Andrews 2003, p. 985, Mildred 2002, p. 598.
Hodges 2001, p. 114 behandelt deze. Zie ook Mildred 2002, p. 598-9.
Hodges 2001, p. 114-5.
Hodges 2001, p. 114.
Mildred 2000, p. 443 e.v., Mildred 2002, p. 597-8.
Mildred 2000, p. 602.
Mildred 2002, p. 602.
Hodges 2001, p. 116. Zie voorts the Practice Guidelines for solicitors in disaster litigation, p. 5: te raadplegen via de zoekfunctie van de site van de Law Society (<http://www.lawsociety.org.uk/>).
Mildred 2002, p. 602.
De GLO heeft ook belangrijke gevolgen voor de verdeling van de proceskosten(veroordeling) onder de groepsleden. Vanaf het moment dat een GLO is uitgevaardigd, worden namelijk officieel gemeenschappelijke kosten gemaakt. Het kostenvraagstuk is essentieel in het GLO-proces, omdat een partij niet snel akkoord zal gaan met haar selectie als een test case als ze alle kosten en het procesrisico zelf zou moeten dragen.1 De rechter kan daarom aanwijzingen geven over de manier waarop de gemeenschappelijke kosten onder de partijen moeten worden verdeeld.2 De regel maakt het voor de rechter mogelijk om in één keer een uitspraak te doen over het kostenaspect en hierover niet in elke individuele zaak te moeten oordelen.3 De gemeenschappelijke kosten kunnen in drie categorieën worden ingedeeld: (1) kosten ten aanzien van de GLO-kwesties, (2) individuele kosten in de zaken die als test case verder gaan en (3) administratieve kosten gemaakt door de lead solicitor.4 Een cost order dient tevens te worden gemaakt ten aanzien van de kosten van de verweerder, indien deze de procedure wint. Doorgaans zal dat via een zogenaamde `common costs order' geschieden, hetgeen inhoudt dat alle partijen die geregistreerd zijn en die onder de GLO vallen voor een gelijk deel voor die kosten aansprakelijk zijn.5
De vraag van de (proces)kostenverdeling vergt in een aantal situaties bijzondere aandacht. Met name indien partijen in verschillende fasen van het proces besluiten om niet verder te procederen, bijvoorbeeld omdat ze alsnog een individuele schikking met de verweerder treffen of indien partijen op latere tijdstippen lid worden van de groep. Al deze situaties kunnen nog gecompliceerd worden doordat ten aanzien van de gemeenschappelijke vragen slechts partieel succes wordt geboekt, omdat de vordering slechts voor een deel wordt toegewezen of omdat over de gemeenschappelijke vragen positief wordt geoordeeld, maar individuele eisers alsnog verliezen op basis van de specifieke omstandigheden van hun geval.
In de eerste situatie (voortijdige afhakers) is de richtlijn dat de betrokkenen aansprakelijk blijven voor de gemeenschappelijke kosten die reeds gemaakt zijn. Dit om 'free riders' te ontmoedigen.6 De beslissing om niet voort te procederen kan verschillende achtergronden hebben. De betrokkenen kunnen door voortschrijdend inzicht of ontwikkelingen in het recht tot de conclusie komen dat hun actie weinig kansrijk is. Maar ook kan het voorkomen dat ze eerst op basis van een ruime formulering van de gemeenschappelijke kwesties of een onjuiste toepassing van de ingangscriteria in het groepsregister zijn ingeschreven, waarna blijkt dat de inschrijving onterecht is geweest. Het ziet er niet naar uit dat hiermee rekening kan worden gehouden.7
De gedachtegang in geval van minnelijke regelingen is dat de beslissing om te schikken gezamenlijk en vrijwillig is en dat daarom van de schikkende partijen mag worden verwacht dat ze in de vaststellingsovereenkomst een voorziening opnemen over de eventuele bijdrage van de verweerder aan de gemeenschappelijke kosten.8 In het geval van nieuwkomers is de hoofdregel dat deze aansprakelijk zijn ook voor de gemeenschappelijke kosten die zijn gemaakt voordat ze lid werden van de groep. Ze profiteren immers van het werk dat al gedaan is. Het moet voor de kostenverdeling niet uitmaken op welk tijdstip een partij lid is geworden van de groep.9
Bij de situatie van partieel succes gaat het vooral om het geval dat de eisers winnen ten aanzien van de gemeenschappelijke kwesties, maar dat sommige individuele eisers verliezen op basis van de specifieke omstandigheden van hun geval. Ten aanzien hiervan zijn drie verschillende benaderingen mogelijk,10 maar in de rechtspraak lijkt 'the individual costs approach' te overheersen, die inhoudt dat succesvolle eisers een percentage van hun kosten vergoed krijgen dat gelijk is aan het percentage eisers dat in de individuele zaken succesvol is.11 Aangenomen wordt dat deze benadering gunstiger is voor de verweerders, omdat het kansrijke eisers straft die ervoor gekozen hebben om met minder kansrijke samen te werken.12 Een nadeel van deze benadering voor eisers is voorts dat de eerste groep lange tijd in onzekerheid verkeert over de bijdrage die ze van de 'medestrijders' ontvangt.
De 'richtlijnen' zijn voornamelijk gedestilleerd uit de rechtspraak uit het pre-Woolf tijdperk.13 Het gaat te ver om alle ins en outs, modaliteiten en implicaties van de cost-sharing orders uitgebreid te bespreken. Van belang is wel om de kritiek te vermelden die men daarover in de literatuur tegenkomt. De stelling is dat `cost-sharing orders create complexity, obscurity and expense'.14 De combinatie van 'the loser pays' -regel en het `indemniteitsbeginser maken dergelijke orders echter noodzakelijk, evenals het opt in regime dat op twee gedachten hinkt: de nadruk op individuele afwikkeling, maar ook het streven om kosten te besparen daar waar dat mogelijk is, voornamelijk op gemeenschappelijke vraagstukken. Het door elkaar spelen van gemeenschappelijke en individuele aspecten en het bijhouden van de bijhorende 'administratie' hebben uiteraard een onmiddellijke uitwerking op het kostenaspect. De discussies waarmee de kostendeling gepaard gaat, de zogenaamde `satellite litigation' ofwel discussie over randvoorwaarden, zijn langdurig en kostbaar. Te veel rekening houden met individuele vraagstukken vermindert de hanteerbaarheid van de GLO. Vooral bij de financiering van multi-party actions door middel van een conditional fee agreement (cfa), waarover hierna meer, lijkt dit vraagstuk extra problematisch te zijn.15 In de literatuur worden verschillende oplossingen geopperd. Enerzijds het zo vroegtijdig mogelijk treffen van betalingsregelingen of afspraken tussen de eisers over de gemeenschappelijke kosten, waarbij een rechterlijke interventie nuttig en wenselijk kan zijn.16 Anderzijds vragen sommige auteurs zich af of de introductie van een 'zuiver' no cure no pay-regime niet te prefereren zou zijn, omdat het duidelijker, voorspelbaarder en transparanter is dan het huidige cfa.17