Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.1
12.1 Inleiding
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364088:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Schaick, WPNR 2000, p. 594.
TK zitting 1992-1993, 22599 nr. 5, p. 5.
In het kindermishandelingsarrest van 25 juni 1999, NJ2000, 16 kent Hoge Raad belangrijke betekenis toe aan de woorden in ieder geval, een nadruk die het hem overigens bepaald niet gemakkelijker maakte later in het kader van de asbestzaken de termijn toch voor uitzondering vatbaar te achten — zie wat lager in de hoofdtekst. In vergelijkbare zin ook A-G Spier in zijn conclusie voor het asbestarrest Van Hese/De Schelde (28 april 2000, NJ 2000, 430), onder 10.10.
In HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 (Van Hese/De Schelde).
BR 28 april 2000, NJ 2000, 430 (Van Hese/De Schelde), r.o. 3.3.1.
Brunner, Themis 2001, p. 248. Brunner is sterk gekant tegen het nieuwe recht, in het bijzonder tegen de objectieve termijn. In zijn redenering blijft enigszins onderbelicht dat onder het oude recht een vordering evenzeer kon verjaren nog voordat de crediteur haar geldend kon maken. In feite gold vroeger ook een objectief aanvangsmoment: het ging toen om het moment van opeisbaarheid. Dat moment kan zeer wel gelegen zijn voor het moment waarop de benadeelde in staat is te ageren. Denk, bijvoorbeeld, aan onbekendheid met de onrechtmatige daad of het causaal verband; die onbekendheid staat niet aan opeisbaarheid in de weg, maar belet de crediteur wél juridische actie te nemen. Zie nader over Brunners kritiek § 18.3.3.
Asser/Hartkamp 4-1, nr. 674c.
Van Schaick, WPNR 2000, met name p. 592. Van Schaick verdedigt de objectieve termijn niet met zoveel woorden — hij neemt de objectieve termijn als zijnde geldend recht eenvoudig tot uitgangspunt — maar zijn stuk impliceert de positieve waardering van die termijn, onder andere doordat hij zijn strenge handhaving bepleit. Tjittes bepleit die handhaving ook wel, maar doet dat 'gevoelsmatig met forse tegenzin', een bedenking waaruit geen instemming met de objectieve termijn als zodanig spreekt.
Zie voor de verwerping van het algemeen belang als rechtvaardigingsgrond voor verjaring § 8.3.
Die commotie kreeg vaste vorm in het door J. de Ruiter opgestelde rapport, Asbestslachtoffers. Advies in opdracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, VUGA, Den Haag, maart 1997.
De wet tot 'Wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek voor gevallen van verborgen schade door letsel of overlijden', wet van 27 november 2003, nr. 26 824.
Had de wetgever volstaan met subjectieve termijnen, dan zouden sommige vorderingen nooit of pas na onafzienbare tijd verjaren. Om dat te voorkomen is er de objectieve termijn; die laat de bijl vallen, ook al had de crediteur nooit de mogelijkheid zijn vordering in te stellen. Houdt men deze implicatie helder voor ogen, dan is eigenlijk direct het centrale probleem van de objectieve termijn gegeven; verlies van recht voordat het recht kon worden uitgeoefend strookt slecht met het rechtsgevoel.
Lezing van literatuur over de absolute termijn wekt de indruk dat die intrinsieke hardvochtigheid van de absolute termijn onvoldoende onder ogen wordt gezien. Zo schrijft Brunner in zijn noot onder HR 25 juni 1999,1 waar hij de vraag bespreekt of strak moet worden vastgehouden aan de absolute termijn: "De doctrine neemt veelal, vooral voor gevallen waarin de crediteur zijn recht niet geldend heeft kunnen maken, een ruimhartiger standpunt in". De aan dit citaat ten grondslag liggende veronderstelling dat krachtens de absolute termijn ook vorderingen kunnen verjaren die de benadeelde wél heeft kunnen geldend maken, is dus onjuist; als de benadeelde zijn vordering al wel geldend had kunnen maken, was deze krachtens de relatieve termijn verjaard.
Vergelijkbare verwarring ontstaat als wij bij Van Schaick in zijn introductie tot Van Hese/De Schelde lezen:
"Een bijzondere situatie doet zich voor als de gebeurtenis pas schade veroorzaakt ná het verstrijken van de absolute verjaringstermijn. Dan bestaat er vóór het verstrijken van de termijn geen rechtsvordering en betekent een geslaagd beroep van de schuldenaar op verjaring dat de schuldeiser zijn aanspraak nooit heeft kunnen uitoefenen."2
Dat een aanspraak krachtens de objectieve termijn verjaart voordat de schuldeiser zijn aanspraak heeft kunnen uitoefenen is dus juist niet bijzonder; het is precies wat de absolute termijn behelst.
Terug naar het dilemma: een echte weging van argumenten ten aanzien van "schuldeloos verlies van recht" door de objectieve termijn is in de parlementaire geschiedenis van het nieuwe verjaringsrecht eigenlijk niet te vinden. Dát de Minister bereid is verlies van recht te aanvaarden voordat actie genomen kon worden, blijkt onder andere uit zijn uiteenzettingen over verjaring en sluipende schade, in welk verband hij het voor de aanvang van de termijn niet noodzakelijk acht dat de gebeurtenis reeds schade teweeg heeft gebracht.3 Natuurlijk ligt ook reeds in het enkele bestaan van een objectieve termijn de aanvaarding van die consequentie besloten, net als in de formulering dat verjaring "in ieder geval" intreedt na twintig jaar. Maar de vraag waarom precies de vordering van de crediteur door louter tijdsverloop tenonder moet gaan terwijl hem niet het verwijt treft dat hij onvoldoende werk van zijn recht heeft gemaakt, blijft onbeantwoord.
Zo lichtvoetig als in de parlementaire geschiedenis over deze kwestie werd heengestapt, zo hard kreeg vervolgens de rechter het dilemma voor de voeten geworpen. De asbestzaken dienden zich aan en in die zaken zou bij onverkorte handhaving van de objectieve termijn de schadevergoedingsvordering verjaard zijn, nog voordat de slachtoffers ook maar ziek werden. Dat vond de Hoge Raad onaanvaardbaar, maar hij was zich er natuurlijk zeer wel van bewust dat de wetgever niet voor niets een objectieve termijn in het leven had geroepen die de vordering "in ieder geval"4 doet verjaren. Uiteindelijk oordeelt de Hoge Raad5 dat het beroep op de objectieve termijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan zijn, maar zijn motivering draagt de sporen van de twijfel die hij heeft gehad; in de opmaat tot zijn beslissende overweging staat dat de objectieve termijn een "in beginsel absoluut"6 karakter heeft, een contradictio in terminis waarop wij de Hoge Raad niet dagelijks betrappen.
Zo was dus door de rechter een bres geschoten in de dam die het eeuwige voortbestaan van vorderingen zou moeten keren. Ook in de literatuur lag de objectieve termijn onder vuur. Brunner schrijft in een pleidooi tegen het nieuwe verjaringsrecht dat:
"een vorderingsrecht niet moet kunnen verjaren, indien de rechthebbende het niet kon geldend maken door oorzaken die hem niet kunnen worden toegerekend; (...) volstaan moet worden met verjaringstermijnen die eerst lopen vanaf het moment dat het recht daadwerkelijk kon worden geldend gemaakt.7
Hartkamp schrijft in het kader van zijn kritische bespreking van de toevoeging van een vijfde lid aan art. 3:310 BW, krachtens welk voor vorderingen tot vergoeding van personenschade aan de objectieve termijn worden onttrokken:
"[Ik meen] dat het probleem beter op andere wijze had kunnen worden opgelost, en wel door de lange verjaringstermijn over de hele linie te schrappen. Volstaan kan worden met een korte termijn die begint te lopen vanaf de dag waarop de vordering daadwerkelijk kan worden ingesteld."8
Onomwonden verwerping van de objectieve termijn dus, door zowel Brunner als Hartkamp. Uitgesproken verdedigers van de objectieve termijn hebben zich in Nederland niet geroerd, met uitzondering zou men kunnen zeggen van Van Schaick.9 Hij is van mening dat aan het algemene belang dat met de objectieve termijn wordt gediend, het belang van de individuele crediteur soms moet worden opgeofferd.10
Ook de wetgever vond bij nader inzien in sommige gevallen de absolute termijn een minder gelukkige regel. Hij besloot in het licht van de maatschappelijke commotie11 die het verjaringsprobleem van de asbestslachtoffers veroorzaakte de personenschade aan de werking van de absolute termijn te onttrekken door toevoeging van een vijfde lid aan art. 3:310 BW.12
Grote druk dus, op de objectieve termijn, zowel vanuit de doctrine als vanuit rechtspraak en wetgeving. Hij leek aanvankelijk absoluut te gelden, vervolgens liet de Hoge Raad uitzonderingen toe en nu heeft de wetgever hem ook nog geschrapt voor een zeer belangrijke categorie van vorderingen. Niet de minste auteurs pleiten voor zijn algehele afschaffing.
Moet inderdaad het regime van de objectieve termijn, inclusief zijn uitzonderingen — de asbestarresten en art. 3:310 lid 5 BW — op de schop? Of is dat niet zo, is het principe van een objectieve termijn deugdelijk, moest hij alleen nog van wat scherpe randjes worden ontdaan en hebben wij met de corrigerende asbestarresten en het toegevoegde lid vijf een bevredigende status quo bereikt? Ik zal hierna proberen die vraag te beantwoorden, mede tegen de achtergrond van het thans te bespreken Duitse en Engelse recht.