Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.3.1
13.3.1 Vereisten aan economische eigendom
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232977:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In relatie tot vermogensrechten zou de term “economische rechthebbende” zuiverder zijn. Aangezien algemeen echter de term economische eigenaar gebruikt wordt, zal ik deze ook hanteren.
Zie voor een toelichting van deze elementen van economische eigendom op basis van jurisprudentie, alsmede literatuur op dit gebied De Leeuw 2018, hoofdstuk 2.
Zie bijvoorbeeld A.C. Rijkers en J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling in de Wet IB 1964 en de Wet IB 2001, FED Deventer 2000, pagina 192, S.M.H. Dusarduijn, Certificering van vermogen: vereenzelviging voor de inkomstenbelasting?, WPNR 2007/6737, paragraaf 3.1 en P.W. Hofman en S. Singh, Certificeren van Vermogen, WFR 2017/7174, paragraaf 4.1.
Aangezien certificering berust op een obligatoire overeenkomst en er een grote mate van vrijheid bestaat bij de inrichting daarvan (zie paragraaf 7.5), is uiteraard denkbaar om een afspraak te maken die de certificaathouder slechts een aanspraak geeft op een gedeelte van de waarde van een goed. Ik ga evenwel uit van de gebruikelijke variant, waarbij de certificaathouder wel een vorderingsrecht heeft ter zake van de volledige waarde(mutaties).
Overdraagbaarheid speelt in dit kader ook een rol, aangezien verkoop van de certificaten een wijze kan zijn om de onderliggende waarde althans gedeeltelijk te verzilveren. De koopsom wijkt mogelijk echter af van de waarde van het gecertificeerde vermogen, vanwege de beperkingen die de certificering met zich brengt.
Dat kunnen zowel kosten zijn die verband houden met de (inning van de) desbetreffende inkomsten, als kosten die samenhangen met het beheer van de het gecertificeerde vermogen. Logischerwijs zullen de administratievoorwaarden voorzien in een mogelijkheid voor de STAK om beide soorten kosten in te houden, aangezien de STAK anders een negatief vermogen zou (kunnen) krijgen.
Bijvoorbeeld na het verstrijken van een bepaalde periode, als de certificaathouder een bepaalde leeftijd bereikt of in geval van een bepaalde gebeurtenis.
Vergelijk voorts Dusarduijn, WPNR 2007/6737, paragraaf 4.2, die opmerkt dat ook sprake zal zijn van het behoud van het volledige economische belang indien dividenden en andere opbrengsten niet direct worden doorgestoten naar de certificaathouders, omdat ook in dat geval de certificaathouders bij uitsluiting bevoegd zijn om te beschikken over de door de STAK opgepotte opbrengsten en waarden van de gecertificeerde aandelen.
Aan de maatschappelijke aanvaardbaarheid van certificering onder dermate restrictieve voorwaarden kan men overigens twijfelen, zie paragraaf 7.14.3.
Zie De Leeuw 2018, paragraaf 2.4.
Uit de strekking van sommige fiscale regelingen kan evenwel voortvloeien dat het hebben van macht naast het economische belang een vereiste is voor toepassing daarvan, zoals artikel 3.55 Wet IB 2001 dat expliciet een vereiste mate van stemrecht noemt. In een dergelijk geval zal de certificaathouder uiteraard wel aan het gestelde zeggenschapscriterium dienen te voldoen, zie Dusarduijn, WPNR 2007/6737, paragraaf 3.3.
Hoewel in het laatste geval een onafhankelijke financier aanvullende zekerheden zal wensen.
In vergelijkbare zin Hofman en Singh, WFR 2017/7174, paragraaf 4.1.
Een alternatieve benadering is om ieder goed en iedere schuld van de STAK separaat te beoordelen op economische gerechtigdheid c.q. verplichting van de certificaathouder. Gezien de samenhang tussen beide binnen de certificering ligt dit naar mijn mening echter minder voor de hand. Bovendien kan zich bij een dergelijke separate beoordeling het probleem voordoen dat de goederen anders behandeld worden dan de schulden. Per goed bezien zal, tenzij sprake is van zeer restrictieve administratievoorwaarden of bijzondere bepalingen, de certificaathouder het volledige economische belang hebben en daarmee economisch eigenaar zijn van het desbetreffende goed. Voor schulden ligt dit echter anders, aangezien doorgaans niet bepaald wordt dat de certificaathouder verplicht is om de schulden van de STAK te voldoen, indien de STAK hier zelf bij gebrek aan middelen niet toe in staat is. Indien het vermogen van de STAK slechts voor een klein gedeelte met schuld is gefinancierd, lijkt mij zoals opgemerkt een redelijke benadering dat de certificaathouder de facto het volledige economische risico van die schuld draagt. Indien echter sprake is van zoveel schulden dat niet meer gezegd kan worden dat de certificaathouder economisch de schuldenaar is, dan zou het merkwaardige resultaat zijn dat de goederen fiscaal wel worden beschouwd als goederen van de certificaathouder, maar dat dit niet geldt voor de schulden. Praktisch gezien valt dit wellicht op te lossen door toch een verplichting ter grootte van de schuld (tot maximaal de waarde van de goederen) bij de certificaathouder in aanmerking te nemen, maar conceptueel leidt een separate benadering van goederen en schulden in potentie tot een onevenwichtig resultaat. Civielrechtelijk is er weliswaar een verschil, maar een redelijke uitkomst houdt naar mijn mening in dat bij certificering op vergelijkbare wijze rekening gehouden wordt met de gecertificeerde goederen en eventuele schulden.
Onder omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat niet degene die juridisch rechthebbende is op een goed als de fiscale eigenaar van dit goed beschouwd wordt, maar in plaats daarvan degene die het economische belang bij het goed heeft, de economische eigenaar1. Om economisch eigenaar te zijn, moet men voldoen aan een aantal vereisten:
de economische eigenaar moet het volledige belang bij waardemutaties (zowel waardestijgingen als waardedalingen) hebben;
hij moet tevens het volledige risico van tenietgaan van het goed dragen; en
ten slotte moet ook het volledige genot (in positieve en negatieve zin, oftewel zowel de vruchten c.q. het gebruik als de lasten) voor de economische eigenaar zijn.
In de literatuur bestaan verschillen van mening over of, dan wel de mate waarin, deze factoren zich voor moeten doen. Zo is ter discussie gesteld of daadwerkelijk het volledige belang bij waardemutaties vereist is, alsmede of het risico van tenietgaan nog een rol speelt. Ook is niet iedere auteur van mening dat het genot één van de vereisten is. Mijns inziens moeten gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad deze factoren zich evenwel (volledig) voordoen, alvorens een economisch belanghebbende bij een goed als de economisch eigenaar hiervan beschouwd kan worden. In de onderhavige context is bovendien met name van belang dat overigens in de literatuur een ruimer, maar niet een beperkter, begrip economische eigendom gehanteerd wordt.2
Vrij algemeen wordt aangenomen dat de certificaathouder economisch eigenaar is, althans kan zijn, van het gecertificeerde vermogen.3 Het certificaat geeft hem recht op (de waarde van) het gecertificeerde vermogen en de waardemutaties gaan ook enkel de certificaathouder aan en niet de STAK,4 met dien verstande dat deze waarde bij niet- of beperkt royeerbare certificaten mogelijk niet onmiddellijk te verzilveren is5. De certificaathouder draagt ook het risico van tenietgaan: dit komt volledig voor rekening van de certificaathouder. Indien het gecertificeerde goed teniet gaat, wordt het certificaat waardeloos, maar de economische positie van de STAK wijzigt niet. Het aspect van genot ligt wat genuanceerder: indien de STAK een verplichting heeft om inkomsten die opkomen uit het gecertificeerde vermogen direct door uit te keren aan de certificaathouder, althans na aftrek van kosten6, heeft de certificaathouder het (netto)genot. Het opnemen van een dergelijke doorstootverplichting is, hoewel om fiscale redenen bij bijvoorbeeld aanmerkelijkbelangaandelen zeer gebruikelijk, vanuit een civielrechtelijk perspectief echter niet noodzakelijk. Men kan in plaats daarvan in de administratievoorwaarden bijvoorbeeld opnemen dat de STAK de mogelijkheid heeft om naar eigen inzicht inkomsten te herinvesteren in plaats van uit te keren. Een alternatief is om de STAK bij een dergelijke bevoegdheid tot herinvestering geen volledige vrijheid te geven, maar bepaalde richtlijnen neer te leggen voor het doen van uitkeringen uit inkomsten.7. Ook kan de certificaathouder een rol krijgen bij het uitkeringsbeleid, bijvoorbeeld via inspraak voor een vergadering van certificaathouders.
Zeker indien de STAK volledige vrijheid heeft bij het al dan niet doen van uitkeringen en deze dus in theorie tot in het oneindige kan uitstellen, kan men zich afvragen of de certificaathouder nog wel het genot heeft. Dit zou naar mijn mening echter niet reeds het geval moeten zijn bij het enkel ontbreken van een doorstootverplichting.8 De certificaathouder blijft ook in dat geval economisch gerechtigd tot de door de STAK ontvangen inkomsten, dan wel de goederen waarin die inkomsten geïnvesteerd zijn, ook al ontvangt hij deze niet direct. Dit kan naar mijn mening evenwel anders liggen, afhankelijk van de voorwaarden waaronder de certificering heeft plaatsgevonden. In de meest restrictieve variant zou sprake zijn van (i) (volledig) niet-royeerbare certificaten, (ii) zonder doorstootverplichting en met een volledige vrijheid voor het bestuur van de STAK om al dan niet tot uitkering over te gaan, die (iii) onoverdraagbaar zijn en (iv) waarbij iedere invloed van de certificaathouder op de organisatie van de STAK via de statuten of de administratievoorwaarden tot het minimale is teruggebracht.9
Er valt naar mijn mening moeilijk een algemene uitspraak te doen over waar de grens ligt waarbij de voorwaarden, waaronder certificering heeft plaatsgevonden, zodanig beperkend zijn dat de certificaathouder niet langer als economisch eigenaar beschouwd kan worden. Indien men de hiervoor beschreven meest restrictieve kant van het spectrum beschouwt, dan ben ik echter van mening dat geen sprake is van economische eigendom. Weliswaar kan gezegd worden dat de certificaten een aanspraak verschaffen om ooit de waarde van het gecertificeerde vermogen en de daaruit voortgekomen inkomsten te ontvangen, maar gezien de daaraan verbonden voorwaarden wordt deze aanspraak mijns inziens wel erg theoretisch. De certificaathouder heeft geen enkele mogelijkheid om te beïnvloeden op welke moment hij (een deel van) zijn economische belang kan verzilveren; deze macht berust geheel bij het bestuur van de STAK. Dit heeft in mijn ogen tot gevolg dat de certificaathouder niet langer het volledige economische belang heeft en daarmee dat hij geen economisch eigenaar is van het gecertificeerde vermogen.
De vraag waar de grens ligt, wanneer de invloed van het bestuur van de STAK zodanig groot wordt en die van de certificaathouder zodanig klein dat de certificaathouder geen volledig economisch belang meer heeft bij het gecertificeerde vermogen, is zoals opgemerkt niet goed in algemene termen te beantwoorden. Wel wil ik iets nader ingaan op de volgende situatie. Hiervoor refereerde ik reeds aan het ontbreken van een doorstootverplichting. Mijns inziens hoeft het ontbreken hiervan niet te betekenen dat geen sprake is van economische eigendom, ook niet indien deze voorwaarde gecombineerd is met niet-royeerbaarheid van de certificaten. In hoeverre de certificaathouder in die situatie geacht kan worden economische eigendom te hebben, hangt naar mijn mening af van de overige voorwaarden. Daarbij kan gedacht worden aan de mogelijkheid voor de certificaathouder om de certificaten over te dragen en aldus zijn economische belang (althans deels) te realiseren, of aan de invloed van de certificaathouder op het uitkeringsbeleid, of inspraak daarin, al dan niet via een vergadering van certificaathouders. Het zal van de precieze voorwaarden afhangen, of men nog kan zeggen dat de certificaathouder economisch eigenaar is of niet.
Overigens zal de certificaathouder veelal de feitelijke macht over het gecertificeerde vermogen ontberen, in elk geval indien dit een beleggingskarakter heeft, maar dat staat niet in de weg aan het zijn van economisch eigenaar.10, 11
Een bijzondere situatie is ten slotte een STAK die voor een groot deel met leningen gefinancierd is. Bij certificering als beschermingsfiguur zal het vermoedelijk veelal zo zijn dat de STAK (vrijwel) alleen maar vermogensbestanddelen heeft en geen of slechts beperkte schulden. In dat geval zal de waarde van de vermogensbestanddelen de eventuele schulden dekken, zodat het faillissement van de STAK slechts een theoretische overweging is. Denkbaar is echter dat het vermogen van de STAK wel grotendeels of geheel12 gefinancierd is met schuld. Dan bestaat het risico dat het vermogen en de inkomsten niet toereikend blijken om de schulden en rente daarop te voldoen, bijvoorbeeld omdat het gecertificeerde vermogen significant in waarde is gedaald. In een dergelijk geval kan naar mijn mening niet gezegd worden dat de lasten en het neerwaartse risico van dit vermogen volledig voor de certificaathouder zijn. Voor zover rente dan wel hoofdsom niet voldaan kan worden, wordt dit risico immers afgewenteld op de financier van de STAK. Vanzelfsprekend wordt dit anders indien de certificaathouder een verplichting heeft om bij een negatief vermogen stortingen in de STAK te doen, maar bij mijn weten is dit geen gebruikelijke voorwaarde. Het is in elk geval geen voorwaarde die past bij certificering met een beschermingsfunctie; het financieren van de STAK met een grote schuld past daarin overigens ook minder. Aannemend dat een dergelijke verplichting er niet is, kan mijns inziens niet gezegd worden dat de certificaathouder in zo’n situatie nog de economisch eigenaar van het gecertificeerd vermogen is.13, 14 Hij is naar mijn mening echter wel economisch eigenaar, indien deze verplichting ontbreekt, maar de vermogenspositie van de STAK zodanig is, dat op voorhand duidelijk is dat deze aan al haar verplichtingen zal kunnen voldoen. De facto komen in dat laatste geval de volledige waardemutaties en het (netto)genot voor rekening van de certificaathouder.
Concluderend is de certificaathouder naar mijn mening veelal economisch eigenaar, maar zijn er specifieke omstandigheden of voorwaarden van de certificering denkbaar, die met zich brengen dat dit niet zo is.