Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.5.4
3.5.4 De redelijke verwachtingen
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS493615:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wessels en Jongeneel 1997, nr. 148 en 152; Jongeneel 2010b, p. 133-136, met verwijzing naar art. 2.20 Unidmit Principles of International Commercial Contracts.
WJ 1997/449: de inbreuk op het vertrouwensbeginsel ligt ten grondslag aan art. 6:236 onder d en k alsmede art. 6:237 onder a, b, c, d, e en h.
MvT Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1686. Zie Ktr. Maastricht 8 april 2009, LJN BI0551. In deze zaak werd een beding dat bepaalde dat de (minimale) duur van een eerder gesloten contract verlengd werd door het aangaan van een later contract onredelijk bezwarend geacht. Dit was bij het sluiten van het latere contract niet uitdrukkelijk bedongen.
MvT Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1573 en 1743 (art. 6:237 onder j bijv.).
Zie Jongeneel 2010b, p. 135-136 en SER 2009, p. 112 voor een aantal voorbeelden.
Waardoor deze methode gelinkt is aan de eerste methode (de vergelijking met het wettelijk kader).
In Rb. Arnhem 19 mei 2004, LJN AQ5066 en Hof Amsterdam 26 januari 2006, NJ F 2006/269 is het ongebruikelijke karakter van resp. het hoofdelijkheidsbeding en het aansprakelijkheidsbeding beslissend.
Ktr. Assen 11 september 2007, LJN BB5972. Zie ook MvT Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1693 m.b.t. art. 6:236 onder c en de voorbeelden genoemd in par. 3.6.4 ter weerlegging van hypothese 2a' en 2b'.
Ktr. Hoorn 10 april 2006, LJN AZ1613 (en de vele andere Lis-zaken waarbij het steeds om een gratis proefabonnement ging). Zie ook Asser-Hartkamp en Sieburgh 2010, nr. 484.
Rb. 's-Hertogenbosch 9 februari 2001, NJ kort 2001/19, r.o. 4.3.1 en 4.3.3; Rb. Haarlem 23 april 2008, LJN BD0606, r.o. 4.4. Volgens Van Wechem 2007, nr. 107-163 spelen deze voor de verrassendheid van het beding wezenlijke omstandigheden echter een ondergeschikte rol.
Ktr. Zaandam 11 september 2003, LJN AL8380.
In Hof Leeuwarden 16 april 2008, LJN BC9764 komen verschillende gezichtspunten aan de orde. Vgl. art. 2.20 lid 2 Unidroit Principles: zowel inhoud, taalgebruik als presentatie van het beding spelen een rol.
122. Eerder werd duidelijk dat de onredelijk bezwarendheid kan worden vastgesteld door een vergelijking met het wettelijk kader of door een weging van rechten, plichten en/of belangen. De onredelijk bezwarendheid van een beding wordt naar Nederlands recht ook vastgesteld door middel van de uitleg van de overeenkomst. Een onredelijk bezwarend beding is een beding dat een inbreuk vormt op de redelijke verwachtingen van de consument.1 Deze benadering van de toets uit art. 6:233 onder a komt terug in de formulering van sommige lijstbedingen.2 Een overweging bij art. 6:236 onder a was de vraag 'wat de wederpartij op grond van de overeenkomst mag verwachten aan rechten te krijgen.3 Een beding dat de rechten van de consument inperkt (of diens plichten uitbreidt) heeft doorgaans een verrassend karakter.4 De verrassendheid van een beding kan echter ook zijn gelegen in de ongebruikelijkheid ervan. Deze op de uitleg van het contract gebaseerde toetsingswijze is geïnspireerd door de `oude' aanpak van verrassende bedingen aan de hand van de wilsvertrouwensleer (par. 3.2.1). Deze wijze van vaststelling van de onredelijk bezwarendheid is opmerkelijk omdat art. 6:233 onder a de inhoud van het beding vooropstelt en een verrassend beding in potentie niet bezwarend naar zijn inhoud hoeft te zijn — te denken valt aan een op zichzelf evenwichtige opzegtermijn, die de toetsing aan het wettelijk kader doorstaat en de balans tussen rechten, plichten en belangen niet verstoort, maar waarop de consument niet tijdig is gewezen. Van deze `zuivere' verrassendheid is eigenlijk bijna nooit sprake (zie hierna hypothese 2b', par. 3.6.4).
123. De onredelijk bezwarendheid kan worden bepaald door na te gaan wat de consument redelijkerwijs had mogen verwachten ten aanzien van het door hem gesloten contract.5 De vraag rijst hoe de verwachtingentoets wordt ingevuld. Onder meer de wet,6 de gewoonte (ofwel de gebruikelijkheid van een beding),7
de inhoud8 en de aard9 van de overeenkomst, de omstandigheden rond de totstandkoming en sluiting hiervan10 en de persoonlijke kenmerken van partijen, zoals de deskundigheid van de consument,11 kunnen een rol spelen.12 De onredelijk bezwarendheid van een beding hangt af van de vraag of de consument hierop bedacht had moeten zijn. Op de formulering van deze vraag bestaan diverse varianten.13 Zij voeren allemaal terug op de vraag of de redelijke verwachtingen van de consument zijn geschonden.