Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.5
3.5 Subsidiariteitsbeginsel
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393663:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent het subsidiariteitsbeginsel Craig 2012B, p. 390 e.v.; Craig 2012A; Van der Burg & Voermans 2012, p. 55 e.v.; Jans e.a. 2011, p. 34-35; Craig & De Bárca 2011, p. 94-100; A. van den Brink 2011; Kapteyn, VerLoren van Themaat 2008, p. 139 e.v.; Timmermans 2007; Tridimas 2006, p. 183-188.
Zie specifiek omtrent het subsidiariteitsbeginsel na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon Craig 2012B, p. 392 e.v.; A. van den Brink 2011 en Craig & De Bárca 2011, p. 95-100.
A. van den Brink 2011, p. 262.
Timmermans 2007, p. 225.
Timmermans 2007, p. 225.
Zie Jans e.a. 2011, p. 35; Kapteyn, VerLoren van Themaat 2008, p. 141.
Zie artikel 5, derde lid, tweede alinea, VEU. Zie hieromtrent Van der Burg & Voermans 2012, p. 56; Craig & De Bárca 2011, p. 96-97; Senden & Vandamme 2009.
Jans e.a. 2011, p. 35; Craig 2006, p. 424-426; Tridimas 2006, p. 186. Zie HvJEG 13 mei 1997, C-233/94 (Duitsland/Parlement en Raad), Jur. 1997, p. 1-2405, r.o. 28.
HvJEU 8 juni 2010, C-58/08 (Vodafone), Jur. 2010, p. 1-4999. Zie over dit arrest ook A. van den Brink 2011, p. 264. Zie ook HvJEU 12 mei 2011, C-176/09 (Luxemburg/Europees Parlement), n.n.g.
De Verordening nr. 717/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2007 betreffende roaming op openbare mobiele telefoonnetwerken binnen de Gemeenschap, Pb. 2007, L 171/32.
Zie r.o. 76 en 77.
Zie wat betreft de Structuurfondsen ook Schöndorf-Haubold 2005A, p. 472.
Zie bijvoorbeeld r.o. 65 van de considerans behorend bij de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen). Zie voorts met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel in oudere Europese subsidieverordeningen GvEA 8 juli 2004, T-341/02 (Regione Siciliana/Commissie), Jur. 2004, p. II-2877, r.o.; HvJEG 22 januari 2004, C-271/01 (COPPI), Jur. 2004, p. 1-1029, r.o. 39 en 40.
Zie in algemene zin A. van den Brink 2011, p. 264.
Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de EU op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de EU kunnen worden bereikt.1 Het subsidiariteitsbeginsel is thans neergelegd in artikel 5, derde lid VEU en concreet uitgewerkt in het protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gehecht aan het Verdrag van Lissabon.2 Het Verdrag van Lissabon heeft het subsidiariteitsbeginsel steviger verankerd in de Verdragsstructuur.3
Het subsidiariteitsbeginsel moet worden onderscheiden van het beginsel van bevoegdheidstoedeling.4 Dit beginsel is neergelegd in artikel 5, tweede lid, VEU en ziet op de vraag of de EU in een concreet geval over een bevoegdheid beschikt. Het subsidiariteitsbeginsel beslist niet over het bestaan van een bevoegdheid, maar heeft uitsluitend gevolgen voor de vraag of en in welke mate een bestaande Europese bevoegdheid moet worden uitgeoefend.5
Het subsidiariteitsbeginsel is eerst en vooral een politiek beginsel.6 In eerste instantie is het ook aan de nationale parlementen om het subsidiariteitsbeginsel te 'handhaven'.7 Toch wordt soms ook de Europese rechter met de vraag geconfronteerd of een Europese handeling zich verdraagt met voormeld beginsel. De rechtspraak daterend van voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon laat zien dat het Hof van Justitie zeer terughoudend aan het subsidiariteitsbeginsel toetst; het is voldoende indien uit de toelichting op de handeling blijkt dat het beginsel in ogenschouw is genomen.8 Het Hof van Justitie laat in het recente arrest Vodafone echter zien dat — hoewel het Verdrag van Lissabon niet van toepassing was — het subsidiariteitsbeginsel meer is dan een politiek beginsel.9 Op inhoudelijke gronden komt het Hof van Justitie tot de conclusie dat de zogenoemde Roamingverordening10 in overeenstemming is met het beginsel van subsidiariteit.11
Gelet op artikel 3, eerste lid, VWEU valt de verstrekking van subsidies niet onder de exclusieve bevoegdheid van de EU.12 Dit betekent dat de instellingen van de EU bij het vaststellen van de Europese subsidieregelgeving aan het subsidiariteitsbeginsel zijn gebonden. Dit beginsel is derhalve ook relevant voor de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving. In de Europese subsidieregelgeving komt het beginsel van subsidiariteit met name tot uitdrukking in de considerans van de Europese subsidieverordeningen. Met een beroep op het beginsel van subsidiariteit wordt bijvoorbeeld overwogen dat de controle van de Europese subsidies in eerste instantie aan de lidstaat wordt overgelaten.13 Indien deze gemeenschappelijke regels ontbreken, mag een lidstaat op grond van de beginselen van institutionele en procedurele autonomie zelf bepalen welk nationaal uitvoeringsorgaan met de uitvoering van het Europese recht wordt belast en welke nationale procedureregels van toepassing zijn. Zoals uit dit onderzoek zal blijken is de uitvoering van de Europese subsidie-regelgeving weliswaar aan de lidstaten overgelaten, maar schrijft de Commissie steeds vaker en gedetailleerder voor hoe deze uitvoering er uit moet zien. Gelet op de hiervoor geschetste ontwikkeling in de jurisprudentie is niet uitgesloten dat het Hof van Justitie — in geval voor het Hof een beroep wordt gedaan op het subsidiariteitsbeginsel in relatie tot de Europese subsidieregelgeving — op inhoudelijke gronden zal beoordelen of de gedetailleerde Europese regelgeving in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel.14