Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.2.2:10.3.2.2 De casus van de zaak M.A.
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.2.2
10.3.2.2 De casus van de zaak M.A.
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197361:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belanghebbenden in de Finse zaak M.A. hadden op 7 april 1994 aandelenopties ontvangen van hun werkgever. Deze opties konden niet worden uitgeoefend of vervreemd vóór 1 december 1998. Op basis van de ten tijde van de toekenning geldende wetgeving zou het te zijner tijd bij uitoefening of vervreemding behaalde voordeel worden belast als vermogenswinst. Vermogenswinst werd in Finland belast tegen een tarief van 25%. In deze situatie dreigde echter verandering te komen, doordat de regering op 16 september 1994 een wetsvoorstel indiende om de bij uitoefening of vervreemding van werknemersopties behaalde winst te belasten als loon. Loon werd in Finland belast tegen een progressief tarief, dat kon oplopen tot boven de 60%. De nieuwe regels zouden gaan gelden voor werknemersopties die vanaf 1995 uitgeoefend of vervreemd konden worden. De opties van M.A. en zijn collega’s zouden dus onder het nieuwe regime vallen. Op 19 oktober 1994 werden de optieovereenkomsten met hun werkgevers echter aangepast, waardoor het mogelijk werd de opties al in 1994 te verkopen, zodat de opbrengst nog onder het oude regime zou vallen. Blijkbaar waren er meer bedrijven die hun optieregelingen aldus aanpasten. Op 3 november 1994 werd hierover gesproken in het parlement. De minister van Financiën noemde daarbij de mogelijkheid dat de wet met terugwerkende kracht zou worden gewijzigd, doch uitsluitend voor gevallen waarin in anticipatie op de nieuwe wetgeving overeenkomsten waren aangepast. Voor zogenoemde “pure cases” (gevallen waarin niet antifiscaal gerommeld was in de optieregelingen) werd geen terugwerkende kracht overwogen. Op 21 december 1994 werd het wetsvoorstel om de waardestijging van opties als loon te belasten aangenomen. De wet werkte terug naar 16 september 1994, behoudens voor “pure cases”. M.A. had zijn opties op 7 november 1994 verkocht. Aangezien in zijn geval de optieovereenkomst was aangepast, werd het behaalde voordeel progressief belast.