Einde inhoudsopgave
Beschadigd vertrouwen 2021/7.2
7.2 De uitbreiding van luchthaven Schiphol
G.M. Kuipers MSc, datum 01-09-2021
- Datum
01-09-2021
- Auteur
G.M. Kuipers MSc
- JCDI
JCDI:ADS480675:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bouwens & Dierikx 1996; zie ook Huijs 2011; El Makhloufi 2013; Steinmetz 2020.
Bouwens & Dierikx 1996, p. 22, 35
Bouwens & Dierikx 1996, p. 97-103.
Broër 2006, p. 82.
Faludi & Van der Valk 1994; Broër 2006, p. 83-97; Bouwens & Dierikx 1996, p. 147-174, 205-212.
El Makhloufi 2013, p. 205.
Nijland 2013, p. 287; Bouwens & Dierikx 1996, p. 175-190.
El Makhloufi 2013, p. 249.
Inmiddels zijn dit er vier, vanwege wederzijdse investeringen na de fusie van KLM en AirFrance: Nijland 2013, p. 289-290.
Nijland 2013, p. 285-287; Bouwens & Dierikx 1996, p. 188-190.
Broër 2006, p. 83-97.
Bouwens & Dierikx 1996, p. 124-125, 156-203.
Broër 2006, p. 96-97; De Jong 2012, p. 46.
Bouwens & Dierikx 1996, p. 273; Jaarverslag N.V. Luchthaven Schiphol 1968, p. 25.
Broër 2006, p. 88-91; Bouwens & Dierikx 1996, p. 201-202, 274-275.
Broër 2006, p. 88.
Broër 2006, p. 90-91; Tan 2001, p. 130-131; Bouwens & Dierikx 1996, p. 201-202, 274-275; Adviescommissie Geluidhinder door Vliegtuigen 1967.
Bouwens & Dierikx 1996, p. 201-202, 331; Broër 2006, p. 84-85.
Wet geluidhinder, Staatsblad 1979, nr. 99.
Structuurschema Burgerluchtvaartterreinen, Kamerstukken II 1980/1981, 15880, nr. 11.
Wijziging Luchtvaartwet, Staatsblad 1978, nr. 354.
Bouwens & Dierikx 1996, p. 197-201.
Regeling geluidwerende voorzieningen 1997, Stcrt. 1997, nr. 47; Kamerstukken II 1989/90, 21660, nr. 1.
Broër 2006, p. 103; Hajer 1995.
Bouwens & Dierikx 1996, p. 267-277.
Förster 2013, p. 2; Stil, Het Parool 7 maart 1994.
Bouwens & Dierikx 1996, p. 306.
Voor de volledigheid: eigenlijk is dit een zesde baan. De Oostbaan is weinig in gebruik, maar wordt bij bepaalde weersomstandigheden voor regulier vliegverkeer ingezet: Tan 2001, p. 15.
Jaarverslag N.V. Luchthaven Schiphol 1968, p. 29; Jaarverslag N.V. Luchthaven Schiphol 1970, p. 6.
Broër 2006, p. 49-62, 98-101; Tan 2001, p. 29-30; Kamerstukken II 1988/89, 20490, nr. 9.
Tan 2001, p. 29.
Broër 2006, p. 105; Tan 2001, p. 27-46.
Huijs 2011, p. 155-176; Tan 2001, p. 47-72; Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving 16 april 1991; Kamerstukken II 1990/91, 21964, nr. 4.
Tan 2001, p. 65.
Huijs 2011, p. 177-184; Tan 2001, p. 73-79.
Huijs 2011, p. 231; partijen hadden in het Beleidsconvenant Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving 16 april 1991 inderdaad vastgelegd dat het verdere besluitvormingstraject moest aansluiten bij de oplossingsrichtingen uit het Plan van Aanpak: Bouwens & Dierikx 1996, p. 390-391.
Huijs 2011, p. 176; Bouwens & Dierikx 1996, p. 373-379, 386.
Broër 2006, p. 108; Riemens 2011, p. 278-279; Huijs 200-201; Polderman & Klein Kranenburg, Skript Historisch Tijdschrift 2014, p. 60-65.
Huijs 2011, p. 177-184; Kamerstukken II 1994/95, 23552, nr. 52.
Kamerstukken II 1994/95, 24049, nr. 3.
Schadeschap luchthaven Schiphol, Stcrt. 1998, nr. 223.
Tan 2001, p. 120; Walravens, Platform, RVD Communicatiereeks 2004, p. 9-10.
Kamerstukken II 1998/99, 25466, nr. 19, p. 5.
Kamerstukken II 1999/00, 27210, nr. 3, p. 19; Algemene Rekenkamer, Groeicijfers Schiphol, Den Haag: SDU Uitgeverij 1998.
ABRvS 28 juli 1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3238; ABRvS 8 augustus 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6721, r.o. 2.11 e.v..
Het ministerie handelde mede naar aanleiding van advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: Besluiten over grote projecten 1994; Abma 2001, p. 66-79; Van Eeten 1999; Huijs 2011, p. 241-259.
Weggeman 2003, p. 186.
Weggeman 2003.
Weggeman 2003, p. 190, 194.
Huijs & Koppenjan 2010, p. 377; Weggeman 2003; Walravens, Platform, RVD Communicatiereeks 2004, p. 8-18.
Weggeman 2003, p. 213-217; Den Butter & Burgers 2003, p. 14-15.
Riemens 2011, p. 285; Broër 2006, p. 78-79.
Kamerstukken I 2001/02, 27603, nr. 88k.
Wet van 27 juni 2002 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol, Stb. 2002, nr. 374.
Berkhout 2003; Huijs 2011, p. 321-327.
De Jong 2012, p. 69-70.
Stb. 2002, nr. 374; Jaarverslag 2004.
Huijs 2011, p. 380.
Jaarverslag 2004, p. 12-13; Schoorl, De Volkskrant 11 juli 2003.
Huijs 2011, p. 393-437; Evaluatie Schipholbeleid. Het effect van beleid op geluidsoverlast en het externe veiligheidsrisico 2005; Evaluatie Schipholbeleid. Twee jaar ervaring met het Schipholbeleid 2005; Werken aan de toekomst van Schiphol en de regio 2005; Onweer zuivert de lucht 2006; Schiphol: Meer markt voor de mainport 2006; Evaluatie Schipholbeleid. Eindrapport 2006.
Kamerstukken II 2005/06, 29665, nr. 24; Evaluatie Schipholbeleid. Eindrapport 2006.
Evaluatie Schipholbeleid. Eindrapport 2006, p. 19.
Huijs 2011, p. 435.
De Jong 2012, p. 65-68.
Nijland 2013, p. 300-307, De Jong 2012, p. 68.
Nijland 2013, p. 296.
Nijland 2013, p. 306.
Kamerstukken II 2005/06, 29665, nr. 28.
Huijs 2011, p. 460-470.
Förster 2013; De Jong 2012, p. 472-521.
De Luchtverkeersleiding Nederland kent in dit dossier en de beleidsvormingsprocessen een eigen positie, aangezien deze organisatie in 1993 werd gescheiden van de onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat ressorterende Rijksluchtvaartdienst, en sindsdien een zelfstandig bestuursorgaan vormt: Wet luchtvaart, Stb. 1992, nr. 368; Kamerstukken II 2007/08, 25268, nr. 47; Regeling sturing van en toezicht op de Luchtverkeersleiding Nederland, Stcrt. 2012, nr. 25324.
Kamerstukken II 2006/07, 29665, nr. 43; Kamerstukken II 2006/07, 29665, nr. 58; Kamerstukken II 2007/08, 29665, nr. 103.
Naar aanleiding van successen van een vergelijkbaar poldermodel rond de Tweede Maasvlakte in Rotterdam: De Jong 2012; Förster 2013; Huijs 2011, p. 472-511; Weggeman 2019, p. 10.
Kamerstukken 2006/07, 29665, nr. 48; Huijs 2011, p. 472-482; De Jong 2012, p. 131-158; Förster 2013.
Huijs 2011, p. 481-483; De Jong 2012, p. 159-161.
Kamerstukken II, 2008/09, 29665, nr. 115.
Convenant hinderbeperking en ontwikkeling Schiphol middellange termijn 2008; Convenant omgevingskwaliteit middellange termijn 2008; Convenant behoud en versterking mainport functie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol 2008.
Kamerstukken II 2008/09, 29665, nr. 115.
Kamerstukken II 2008/09, nr. 110; Huijs 2011, p. 497-504; De Jong 2012, p. 177-180.
Huijs 2011, p. 501; De Jong 2012, p. 180-186.
Kamerstukken II 2013/14, 29665, nr. 190.
Stb. 2012, nr. 382; Stb. 2016, nr. 280; Stb. 2018, nr. 366.
Stb. 2008, nr. 390; Stb. 2010, nr. 125.
De Wit & Burghouwt 2017, p. 1-11.
Kamerstukken II 2013/14, 29665, nr. 202.
Zie bijvoorbeeld: Milikowski, De Groene Amsterdammer 1 augustus 2018; Bakker & Elderling, De Telegraaf 5 februari 2018; Duursma, NRC Handelsblad 15 maart 2019; Van Lieshout, De Volkskrant 16 juli 2019; Steinmetz 2020, p. 220.
Kamerstukken II 2018/19, 29665, nr. 353.
Van Geel 2019.
Van Geel 2019.
Sturen in een volatiel domein 2020.
Van Geel 2021.
Kamerstukken II 2020/21, 29665, nr. 397; Brief aan Regioforum 2021.
Naar: Geluidsbelasting rond Schiphol 2021. Sinds 2004 is de spreiding van de geluidsbelasting enigszins gewijzigd, maar niet zo ingrijpend als door de opening van de Polderbaan in 2003. De kaart geeft slechts geluidsbelasting boven 48 db(A) Lden weer; ook buiten deze contouren ervaren omwonenden geluidsoverlast.
Over de geschiedenis van Schiphol zijn verscheidene boeken verschenen;1 ik richt mij in deze paragraaf op een beknopte beschrijving van met name het bestuurlijke proces rond de luchthaven en de discussie over geluidsoverlast, omdat hier de schade en schadeveroorzakende besluiten door worden gecontextualiseerd. Ter afsluiting geef ik in figuur 7.2 de belangrijkste ontwikkelingen in de casus weer als tijdlijn, en presenteer ik in figuur 7.3 een kaart waarin wordt weergegeven hoe de start- en landingsbanen zijn gepositioneerd en in welke geluidsbelasting zij overdag resulteren sinds de uitbreiding van luchthaven Schiphol via de ingebruikname van de Polderbaan.
1916-1960: Oprichting en groei van de luchthaven
Schiphol begon als militaire luchthaven aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Een paar jaar na de oprichting ving ook civiele luchtvaart, waaronder activiteiten van de net opgerichte Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM), aan op Schiphol.2 De luchthaven werd tijdens de Tweede Wereldoorlog meermaals gebombardeerd en er bleef vrijwel niets van de oude bebouwing over.3 Na de oorlog vormde Schiphol een belangrijk onderdeel van de wederopbouw. De gemeente Amsterdam, dan nog de eigenaar van de luchthaven, voorzag Schiphol als onderdeel van de nationale (her-)ontwikkeling.4 Nederland was in de ban van de planologie, de maakbare samenleving, en het ontwikkelen van de nationale luchthaven via ruimtelijk ordeningsbeleid sloot hier goed bij aan.5 Vergeleken met andere (west-)Europese luchthavens kon Schiphol ook relatief gemakkelijk uitbreiden en groeien, dankzij haar ligging in de (schaars bebouwde) Haarlemmermeerpolder.6
In 1958 werd de luchthaven formeel genationaliseerd; gezien de grote toekomstplannen vond het Rijk het niet logisch dat de besluitvorming rond Schiphol primair bij de gemeente Amsterdam zou moeten berusten; Schiphol moest onderdeel worden van nationaal beleid.7 Vanaf de jaren ’60 werd Schiphol opgenomen in nationale planologie, en werden haar (mogelijkheden tot) groei niet langer aan de regio overgelaten.8 De nieuwe Naamloze Vennootschap Luchthaven Schiphol kende drie aandeelhouders:9 ongeveer twee derde van de aandelen kwamen in handen van de Staat, ruim een derde bleef van de gemeente Amsterdam en de gemeente Rotterdam kreeg een klein minderheidsaandeel.10
De overheid keek vanuit planologisch perspectief naar de luchthaven en richtte zich op groei en op de langetermijneffecten van die groei.11 Met de komst van de veel luidruchtigere straalvliegtuigen in de jaren ’50 en ’60 begon men zich te realiseren dat geluidsoverlast rond de luchthaven een probleem voor de omgeving zou worden, ook omdat de omliggende gemeenten steeds verder uitbreidden.12 De eerste protesten en klachten volgden;13 Schiphol nam in 1967 na protesten van omwonenden van de Buitenveldertbaan voor het eerst een kopje ‘geluidhinder’ op in het jaarverslag.14 Het Rijk stelde de commissie Kosten in om vanuit wetenschappelijke onderbouwing een systeem op te zetten om geluidsoverlast in kaart te kunnen brengen en te reguleren.15 Reeds in 1959 benoemde de overheid dat ervaren overlast mede wordt bepaald door andere factoren dan de daadwerkelijke (objectieve) geluidsbelasting, zoals het moment van de dag maar ook menselijke factoren zoals tolerantie voor geluid.16 De conclusie van de commissie Kosten was dat geluidsoverlast kon worden toegestaan, mits deze binnen bepaalde grenzen bleef. Op basis van haar advies werd een maximum gesteld aan het percentage mensen dat (erg) gehinderd wordt, zodat geluidscontouren in kaart konden worden gebracht.17
1960-1990: Regels over geluidhinder
De geluidscontouren brachten restricties mee voor de vliegroutes vanaf Schiphol. De overheid wilde via de contouren haar burgers beschermen voor gezondheidsschade, waar in de jaren ’60 en ’70 steeds meer onderzoek naar werd gedaan.18 In 1979 werd de Wet geluidhinder aangenomen,19 en rond die tijd wijzigde ook het zogenaamde Structuurschema Burgerluchtvaart20 en de Luchtvaartwet,21 die regelden waar en hoeveel overlast mag worden verwacht en gecreëerd. Deze grenzen vormden een eerste compromis tussen groei van Schiphol en bescherming van de omwonenden. Vanwege de economische ontwikkeling waren de dorps- en stadskernen rond de luchthaven ook aan het groeien, en de Rijksoverheid probeerde een balans te vinden tussen deze verschillende belangen.22 Als eerste vorm van schadebeleid begon zij in 1984, op basis van de eisen uit de Wet geluidhinder, met het akoestisch isoleren van de directe omgeving van Schiphol,23 een project dat uiteindelijk tot 2012 zou duren.
Medio jaren ’80 ontstond steeds meer aandacht voor ‘het milieu’, waarmee zowel natuur als de menselijke leefomgeving werd bedoeld. Deze milieuproblemen werden in het beleid opgenomen en geïnternaliseerd in politieke en beleidsdiscussies over de toekomst van de luchthaven.24 Schiphol werd in toenemende mate geconfronteerd met klachten. Hoewel in 1968 een Informatiecentrum Geluidshinder Schiphol was opgericht, functioneerde deze vooral als centraal punt voor de toenemende klachtenstroom vanuit de omgeving.25 Het centrum werd in 1974 opgevolgd door de Stichting Geluidshinder Schiphol26 en in 1979 door de Commissie Geluidshinder Schiphol, dat meer een adviesorgaan richting de Rijksoverheid poogde te zijn over geluidhindermaatregelen.27
1990-2005: De Polderbaan en toenemende maatschappelijke discussie
Binnen deze context ontstond de beleidsvoorbereiding voor meer uitbreidingen van Schiphol. Al in 1967 en 1969 wees de directie van Schiphol op het idee voor een ‘vijfde’ baan,28 de Polderbaan.29 Eind jaren ’80 werd in de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening – een grootschalig ruimtelijk beleidsplan – ingezet op internationalisering, onder meer via mainports: sterke infrastructuur en handelsstromen zouden de motor vormen van de Nederlandse economie.30 Hier werd de zogenaamde dubbeldoelstelling geïntroduceerd: het Schipholbeleid moest gelijktijdig zorgen voor versterking van de economie en verbetering van het milieu.31 Ook werd vastgelegd dat nieuwe, losse afspraken moesten worden gemaakt voor de groei van Schiphol in diens (leef-)omgeving.32 Dit leidde tot het Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving, dat het kabinet in 1991 presenteerde.33 Groei van Schiphol, onder meer via de Polderbaan, werd noodzakelijk geacht voor de ontwikkeling van de mainportfunctie omdat hiermee tegelijkertijd het leefmilieu zou kunnen worden ontzien.34
Ter uitwerking van dat Plan van Aanpak en ter voorbereiding van de Planologische Kernbeslissing – het formele vaststellen van de beleidsdoelen – richtte de overheid een stuurgroep Project Mainport en Milieu Schiphol op.35 De Planologische Kernbeslissing was bedoeld om inspraak uit de samenleving te verwerken in de beleidsplannen. Ondertussen wakkerde de maatschappelijke discussie aan. Milieuorganisaties waren kritisch op het Plan van Aanpak: zij vonden dat onvoldoende aandacht werd besteed aan de omgeving en hadden het idee dat de afspraken uit het Plan van Aanpak al vaststonden, zodat inspraak verder weinig zou uithalen.36 Er werden onvoldoende waarborgen geboden voor het milieu, en volgens hen was de win-win houding van de dubbeldoelstelling onrealistisch.37 Milieudefensie voerde actie door grond te kopen en bomen te planten op het land dat Schiphol op het oog had als Polderbaan: het Bulderbos.38
In 1995 werd de Planologische Kernbeslissing gepresenteerd, een principebesluit van het kabinet om toestemming te verlenen de Polderbaan aan te leggen en in gebruik te nemen.39 Er zou tevens worden toegewerkt naar een nieuwe Wet luchtvaart en verdere (lokale) wet- en regelgeving, zoals een aanwijzingsbesluit en bestemmingsplan, in aanvulling op ondertussen gewijzigde wetten. Zo introduceerde de overheid via de aanpassing van de Luchtvaartwet uit 1994 geluidsnormen voor het limiteren van overlast tijdens nachturen (van 23:00-06:00).40 De dubbeldoelstelling werd met de vaststelling van de Planologische Kernbeslissing door regering en Staten-Generaal vastgelegd: de Rijksoverheid richtte zich op groei van Schiphol én op een prettige leefomgeving voor de omwonenden. De planologische wijziging zou gaan leiden tot nadeelcompensatie- en planschadeaanvragen, dus besloot men via een gemeenschappelijke regeling tussen Rijksoverheid en betrokken lokale overheden tot de oprichting van een Schadeschap luchthaven Schiphol.41
De maatschappelijke discussie verstomde niet, ook omdat Schiphol veel sterker groeide dan verwacht. De hoeveelheid vluchten overschreed al jarenlang de bestaande wet- en regelgeving en dit werd gedoogd door de regering.42 Verschillende instanties waren kritisch over de gebrekkige handhaving van gestelde normen. De onafhankelijke commissie In ’t Veld wees op ‘een aantal absurditeiten en onvolkomenheden in de handhavingssystematiek’.43 De Rekenkamer onderzocht op verzoek van de Tweede Kamer de groeicijfers van de luchthaven en gaf aan dat ‘te veel is gewerkt aan de onderbouwing van beleidsmatig gewenste uitkomsten’44 waardoor gegevens over vliegbewegingen rooskleurig – aan de hand van berekeningen en prognoses in plaats van daadwerkelijke prestaties – werden gepresenteerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State constateerde dat de Minister van Verkeer en Waterstaat (V&W) onvoldoende werk had gemaakt van het beperken van stankoverlast en luchtverontreiniging zoals was vastgelegd in de Planologische Kernbeslissing.45
De ministeries van V&W en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) poogden via overleginstanties te komen tot (vervolg-)afspraken over normering. Naast de werkgroep Toekomstige Nederlandse Luchtvaart Infrastructuur uit 199546 werd vrijwel synchroon ook het Tijdelijk Overleg Platform Schiphol opgericht,47 dat over een geluidsnormeringssysteem voor de Polderbaan zou adviseren.48 Dit was de eerste keer dat ook de milieuorganisaties onderdeel waren van een officiële adviesgroep.49 De nieuwe dienst Onderzoek Nationale Luchthaven van het ministerie van V&W nam het initiatief echter over50 en Milieudefensie en Stichting Natuur en Milieu stapten uit het overleg voordat het eindadvies gepresenteerd werd, omdat zij het idee hadden dat de overheid en Schiphol de echte beslissingen al zonder hen hadden genomen.51
In 2003 werd de Polderbaan geopend.52 Bij de bespreking van de nieuwe Wet luchtvaart twijfelde een bezorgd parlement of omwonenden onder het nieuwe normenstelsel voldoende bescherming zouden ontvangen. De Eerste Kamer dwong de motie-Baarda af, waarin de regering werd opgeroepen om binnen twee jaar het nieuwe Schipholbeleid te evalueren en een gelijkwaardigheidstoets uit te voeren.53 In de overgang naar de nieuwe wet was namelijk besloten om over te stappen van de tot dan toe heersende geluidhindernorm, de Kosteneenheid (genoemd naar de gelijknamige commissie), op de toekomstige Europese norm Lden (level day-evening-night), waarin rekening werd gehouden met tijdsverschillen in de dosering van het geluid.54 De overheid had voor de eeuwwisseling op aansporen van de Tweede Kamer een Commissie Deskundigen Geluidhinder (commissie-Berkhout) ingesteld om te adviseren over de geluidsnormen, maar deze eindigde in onenigheid vanwege de kritiek die de commissie had op het te voeren beleid, waarmee zij volgens de minister buiten de omvang van haar (advies-)bevoegdheden trad.55
Naast deze bestuurlijke onenigheid kwam al snel na de ingebruikname naar buiten dat een ‘invoerfout’ was gemaakt bij het berekenen van de capaciteit van de Polderbaan, waardoor minder kon worden gevlogen dan gedacht en de geluidscontouren moesten worden aangepast.56 Als onderdeel van de gewijzigde Wet luchtvaart was de Commissie Geluidshinder Schiphol overgegaan in de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS), bedoeld als overlegplatform tussen de luchtvaartsector en omgeving over milieu- en veiligheidsaspecten.57 Zij reageerden woedend op de fout.58 Over zowel de fout als het wantrouwen vanuit de omgeving werd grootschalig in de media bericht: de waarnemend voorzitter werd geciteerd met de uitspraak: ‘Of je nu linksom of rechtsom gaat, Schiphol krijgt altijd zijn zin.’59
Vanwege de motie-Baarda werd de periode van 2003 tot 2005 geëvalueerd; vele overheidsinstanties en ook partijen uit de luchtvaartsector droegen bij aan de evaluatie met advies- en onderzoeksrapporten.60 Hoewel in het eindrapport werd geconcludeerd dat de nieuwe Wet luchtvaart gelijkwaardige bescherming bood61 en de geluidhinder – gemeten via het percentage (ernstig) gehinderden en slaapverstoringen – sterk was afgenomen en binnen de in 1990 gestelde eisen viel,62 was nog altijd sprake van een slechte relatie tussen Schiphol en haar omgeving. Vanwege irritaties over de problemen na de ingebruikname van de Polderbaan en de resultaten van de evaluatie waren vrijwel alle partijen het eens dat het huidige normeringssysteem in ieder geval niet voldeed.63
Schiphol had zich met de tijd ontwikkeld als een bijzonder sterke organisatie, die ook in bedrijvigheid rond de luchthaven investeerde.64 Vanaf eind jaren ‘90 werd overwogen of Schiphol geprivatiseerd zou worden.65 Dit ging uiteindelijk niet door, omdat medio jaren ’00 de gemeente Amsterdam – wiens goedkeuring statutair vereist was66 - een veto uitsprak en ook de Tweede Kamer zich negatief over het plan uitliet.67
2006-heden: De tafel van Alders en aandacht voor de omgeving
In 2006 presenteerde het kabinet zijn standpunt over de toekomst van Schiphol, waarin het onder meer aangaf groei tot 600.000 vliegbewegingen te voorzien voor de toekomst.68 Het kabinetsstandpunt werd sterk bekritiseerd, met name vanwege het ontbreken van inbreng van lokale actoren en de gebrekkige bescherming van de ‘buitengebieden’ wat betreft geluidhinder.69 Als reactie startte de Rijksoverheid dat jaar een nieuw initiatief tot dialoog onder de leiding van oud-minister Hans Alders, de Tafel van Alders (ook wel Alderstafel).70 De deelnemende partijen waren Schiphol, de Luchtverkeersleiding,71 KLM, centrale en lokale bestuurders, en bewonersvertegenwoordigers uit de CROS. Schiphol had in 2006 en 2007 al de nieuw gecreëerde normen overschreden,72 dus werd de Tafel gevraagd zowel adviezen voor de korte termijn (tot 2010) uit te brengen als na te denken over de middellange termijn (tot 2020).73
Enkele maanden later kwam Alders met het gevraagde kortetermijnadvies. Het aantal vliegbewegingen zou kunnen groeien tot 480.000 als ook handhavingspunten werden aangepast. Hiernaast werd een convenant over hinderbeperking (bescherming bij de bron) en ter bevordering van de leefomgeving gesloten, waarin werd vastgelegd via welke maatregelen zou worden ingezet op de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving.74 Een aantal bewoners gaf aan zich onvoldoende vertegenwoordigd te voelen door de aanwezige CROS-leden, en dus werd in het vervolg van de Alderstafel ook vertegenwoordiging vanuit de Vereniging Gezamenlijke Platforms (VGP) van omgevingsvertegenwoordigers uitgenodigd.75
In deze nieuwe groepering werkte men verder aan het advies voor de middellange termijn, dat eind 2008 werd uitgebracht.76 Het belangrijkste product van deze tafel waren drie convenanten die voortborduurden op de eerdere adviezen: hinderbeperking bij de bron, maatregelen om de leefomgeving te verbeteren, en afspraken tussen de verantwoordelijke ministeries en Schiphol over het behoud van diens mainportfunctie.77 Volgens deze afspraken die tot 2020 zouden gelden, kon Schiphol groeien tot 500.000 vliegbewegingen, en zou Lelystad Airport in worden gezet als alternatieve start- en landingsplek om ruimte te bieden op Schiphol.78 Dit advies kende enige controverse: de bewonersgroeperingen waren het onderling oneens en de VGP-vertegenwoordiger verliet het overleg voor de presentatie van het akkoord, omdat hij zich niet kon vinden in de gekozen richting.79 Desondanks werd het bereiken van het akkoord gezien als een succes (en door het afscheid van de VGP-vertegenwoordiger gepresenteerd als een ‘unanieme’ afspraak): na jarenlang gesteggel over de richting van Schiphol was tot 2020 duidelijk wat het beleid zou zijn.80
Vanwege de behaalde successen bleef de Alderstafel na 2008 in functie. Zij bracht in de jaren erna nog meerdere adviezen uit, onder meer over een nieuw normen- en handhavingsstelsel.81 Ook werden beleidswijzigingen doorgevoerd na adviezen over routes van en aantallen nachtvluchten82 en andere vliegrouteringen,83 vormen van bronbestrijding.
Helaas bleek het gehoopte succes van de afspraken voor de middellange termijn beperkt. De in 2008 gemaakte afspraken kenden immers een grens en deze werd eerder bereikt dan verwacht.84
Bovendien moesten afspraken worden gemaakt voor ná 2020. In 2014 stelden de voorzitters van de CROS en de Alderstafel voor om verder te gaan als Omgevingsraad Schiphol, vanwege de overlap tussen de doelstellingen van de twee adviesorganisaties.85 Binnen de Omgevingsraad probeerde men te komen tot nieuwe (middellange termijn-)afspraken, maar dit liep uit op een impasse. De spanningen rond de toekomst van het vliegverkeer in Nederland namen alsmaar toe.86 Begin 2019 nam Alders ontslag als voorzitter omdat het hem niet was gelukt voldoende steun bij de partijen te vinden voor zijn advies tot 2023.87
Interim-voorzitter Van Geel constateerde eind 2019 dat ‘iedereen’ in de omgeving ‘langzaam maar zeker is afgehaakt’;88 hij pleitte voor een alternatief overlegmodel – cosmetische wijzigingen zullen onvoldoende zijn – en voor een regierol voor het Rijk.89 In navolging van de Commissie Cohen (ook wel de Commissie governance en participatie luchtvaart),90 stelde Van Geel in zijn eindadvies voor om de Omgevingsraad op te heffen. Thans is het voorstel om te komen tot een Maatschappelijke Raad, waarin naast bewonersparticipatie ook wetenschappers en maatschappelijke organisaties worden verankerd. Het Rijk zou heldere kaders moeten stellen zodat tot inhoudelijke overeenkomst kan worden gekomen over leefkwaliteit, participatie zelf en (de herkomst van) informatie. De verschillende bestuurlijke lagen zouden (meer) integraal samen dienen te werken onder regie van het Rijk.91 Deze plannen zullen door een nieuw kabinet verder worden ingevuld en uitgevoerd.92
Figuur 7.2 Tijdlijn van de uitbreiding van luchthaven Schiphol, met links belangrijke algemene ontwikkelingen in het project en rechts belangrijke ontwikkelingen in de schadeafhandeling.
Figuur 7.3 Kaart van de geluidsbelasting boven 48 db(A) Lden overdag rondom de start- en landingsbanen van Schiphol in 2004, na de opening van de Polderbaan; in de inzet rechtsonder de locatie van de luchthaven in Nederland.93