De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/5.2.3.2:5.2.3.2 Voortzetting van de overeenkomst
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/5.2.3.2
5.2.3.2 Voortzetting van de overeenkomst
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385844:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Arnhem 13 januari 1994, ECLI:NL:RBARN:1994:AH4440,KG 1994/71 (Showorkest Dance).
HR 31 maart 1978, ECLI:NL:HR:1978:AE1065, NJ 1978/325, m.nt. P.A. Stein.
Van Rijssen 2006, p. 249. HR 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2897, r.o. 3.3.2,NJ 1999/497 (Jut/ Nederlandse Verzekeringsgroep c.s.): een verklaring kan in een of meer gedragingen besloten liggen (art. 3:37 lid 1 BW), waaronder ook stilzwijgen valt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mogelijk willen de voormalige vennoten niet dat het contract met de derde eindigt, maar wensen zij het te laten overnemen door een of meer voormalige vennoten en/of door de voortzetter (bijvoorbeeld een BV) van de onderneming. In beginsel gaat een contract niet zonder medewerking van de wederpartij over op een ander, omdat die wederpartij niet zomaar moet kunnen worden opgescheept met een andere contractspartner. Er is daarom veelal medewerking van de wederpartij nodig. De Rechtbank Arnhem oordeelde in een zaak over het showorkest ‘Dance’, dat eerst in de vorm van een maatschap werd gedreven en later in gewijzigde samenstelling werd voortgezet door een voormalig orkestlid, dat het op zichzelf aannemelijk is dat de lopende contracten ‘in veel gevallen zullen zijn gesloten met het oog op de personen die als leden van de band zouden optreden, zodat die personen zo’n wezenlijk bestanddeel van de overeenkomst uitmaken dat niet zonder meer gezegd kan worden dat het nieuwe Dance (…) in staat is de verplichtingen van het oude Dance jegens die opdrachtgevers na te komen. In die gevallen hebben de opdrachtgevers dan wel een aanleiding om de al gesloten overeenkomsten met Dance te ontbinden.’1 In beginsel levert het einde van de VOF dus een ontbindingsgrond op, maar uit deze uitspraak kan men ook omgekeerd afleiden dat overeenkomsten die niet met het oog op de personen van een maatschap zijn gesloten in beginsel over kunnen gaan op de voortzetter van de maatschap zonder dat de wederpartij mag ontbinden. De Hoge Raad oordeelde in een veel oudere zaak waarbij een bedrijf werd ingebracht in een BV dat, als een werknemer na de bedrijfsoverdracht zonder tegenspraak zijn werkzaamheden in het bedrijf van de nieuwe werkgever voortzet, in het algemeen de rechtsverhouding tussen de werknemer en de vorige werkgever stilzwijgend met de nieuwe werkgever wordt voortgezet, mits is voldaan aan het ‘vereiste van geschrift’.2 Dit kan men mijns inziens kwalificeren als contractsoverneming.
In elk geval zal de wederpartij op grond van art. 6:265 lid 2 BW kunnen ontbinden, en daarnaast eventueel schadevergoeding vorderen, als de overeenkomst blijvend niet meer kan worden nagekomen (bijvoorbeeld omdat de onderneming niet wordt voortgezet). Ook kan zij de rechter verzoeken om de overeenkomst te wijzigen of te ontbinden wegens onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW). Om voldoende zekerheid omtrent de voortzetting van overeenkomsten te verkrijgen, zullen de (voormalige) vennoten er in elk geval verstandig aan doen om de medewerking van de wederpartij te verkrijgen. Dit is in het bijzonder relevant als de betreffende overeenkomst van zodanig belang is voor de onderneming dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt als de overeenkomst met de wederpartij wordt ontbonden (door de wederpartij of door de rechter); dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een overeenkomst van huur van bedrijfsruimte van waaruit de onderneming wordt geëxploiteerd.
Er zijn diverse manieren om te bewerkstelligen dat de overeenkomst wordt voortgezet. Ten eerste door de figuur van de contractsoverneming. Daarvoor zijn op grond van art. 6:159 lid 1 BW vereist: een akte tussen de oorspronkelijke partij en de overnemer en medewerking van de wederpartij. Denkbaar is dat een wederpartij alleen onder bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld tegen een hogere prijs of met extra zekerheden, haar medewerking wil verlenen. De medewerking van de wederpartij kan in iedere vorm geschieden en kan dus ook stilzwijgend verleend worden.3 Zet de wederpartij die op de hoogte is van de gewijzigde situatie de overeenkomst zonder bezwaren voort, dan kan al snel worden aangenomen dat zij stilzwijgend haar medewerking heeft verleend aan de contractsovername. Het is mogelijk om al bij het sluiten van de overeenkomst te bedingen dat de wederpartij toestemming geeft voor overname door een toekomstige voortzetter. Een tweede mogelijkheid is om de VOF voort te laten bestaan in verband met de instandhouding van bestaande overeenkomsten.