Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.5.1
5.4.5.1 Onderscheid tussen handelen in eigen naam en handelen voor rekening van ander
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496347:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Het vereiste dat wordt gehandeld voor rekening van een achterman impliceert dat een bevoegdheid (op grond van de wet of overeenkomst) bestaat om te handelen voor rekening van de achterman. Veelal wordt voor toerekening aan een achterman van handelen van een tussenpersoon dat voor rekening van de achterman is verricht niet de expliciete eis gesteld dat de tussenpersoon daartoe bevoegd was. Ik meen dat het in het kader van art. 6:203 inzichtelijk is om deze bevoegdheid apart te bespreken. Bevoegdheid en werkelijk handelen op grond van die bevoegdheid zijn twee verschillende rechtsfeiten. Bovendien geldt het volgende. Art. 6:203 is met name van belang in gevallen waarin een rechtsverhouding gebrekkig is. Niet zelden zal dit gebrek de bevoegdheid van de tussenpersoon aantasten. Toerekening vindt in die gevallen vaak plaats op grond van een schijn van bevoegdheid die toerekenbaar is aan de achterman.
Par. 5.5.3.
Ook enkele Duitse auteurs rekenen de ontvangst van de prestatie als aparte handeling toe. Zij lijken er echter vanuit te gaan dat de feitelijk handelende persoon ‘ertussen uitvalt’. Zie hoofdstuk 3, par. 3.7.2.
Hof Leeuwarden 19 juni 2012, JOR 2012/375. Zie ook HR 29 januari 2010, NJ 2010, 70 (IFN/Nova). Het verschil tussen de casus van het arrest IFN/Nova en de casus van het arrest van het Hof Leeuwarden is dat in IFN/Nova C een (niet bestaande) vordering gecedeerd kreeg van B, en dat C te goeder trouw op basis van de (te) ontvangen betaling van A een vooruitbetaling had verricht aan B. Ook in dat geval werd geoordeeld dat A geen vordering had tegen C.
Zie over dit verweer par. 5.6.4. Zoals in par. 6.5.4 wordt betoogd, dient het verweer ook te kunnen worden gevoerd door een ontvanger te goeder trouw van een onverschuldigde betaling indien hij op basis van de onverschuldigde betaling reeds voord de ontvangst daarvan te goeder trouw uitgaven heeft gedaan die hij zonder de (verwachte) onverschuldigde betaling niet zou hebben gedaan. Ik meen daarom dat ook in het arrest IFN/Nova A niet van C kan terugvorderen. Dit is ook het resultaat van het oordeel van de Hoge Raad, zij het dat de Hoge Raad een andere redenering hanteerd. De redenering van de Hoge Raad wordt bekritiseerd in par. 5.3.7.
Zie over het ontbreken van een rechtsgrond: par. 5.5.
Par. 5.5.3.
Uit de besproken leerstukken waarin toerekening plaatsvindt, kan worden afgeleid dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen (i) handelingen die worden verricht in naam van een ander, en (ii) handelingen die op kenbare wijze worden verricht in eigen naam, maar voor rekening van een ander.
(i) In naam van de ander
Handelen in naam van een ander kan in het kader van artikel 6:203 plaatsvinden als de handeling die wordt verricht, een rechtshandeling is waarbij de handelende persoon er volledig tussenuit valt; hij treedt slechts op als vertegenwoordiger, zonder dat de toe te rekenen handeling via zijn eigen vermogen loopt. Zodra de toe te rekenen handeling wel loopt via het vermogen van degene die handelt, kan naar mijn mening in de context van artikel 6:203 niet (enkel) sprake zijn van handelen in naam van de ander, maar is (tevens) sprake zijn van handelen voor rekening van de ander.
Een voorbeeld ter verduidelijking: stel dat A op grond van een volmacht van B bevoegd is om in naam van B een onroerende zaak te leveren aan C. Als A van zijn bevoegdheid gebruik maakt, wordt de leveringshandeling toegerekend aan B, en valt A er tussenuit. Uiteraard kan het zo zijn dat de handeling van A ertoe leidt dat A in zijn verhouding tot B een verplichting is nagekomen. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als A handelt op grond van een lastgevingsovereenkomst. De verplichting van A aan B is echter een volstrekt andere dan de verplichting van B aan C: A is verplicht om een rechtshandeling te verrichten in naam van B, B is verplicht om te leveren.
Dit voorbeeld kan worden gecontrasteerd met een voorbeeld waarin feitelijke handelingen worden verricht. Stel dat een werknemer van een tuinbedrijf opdracht krijgt om de tuin aan te harken bij de opdrachtgever van zijn baas. Werknemer en werkgever hebben een gelijkluidende schuld. De werknemer kan niet stellen dat hij in naam van zijn werkgever de tuin van de opdrachtgever aanharkt. Hij valt er niet tussenuit, omdat hij in dit voorbeeld een eigen, gelijkluidende schuld nakomt aan zijn werkgever. De werknemer handelt wel voor rekening van de werkgever, zodat toerekening kan plaatsvinden op die grond – mits is voldaan aan de hieronder uit te werken voorwaarden.
Nog een laatste voorbeeld. A verricht een girale betaling aan C, die zegt te ontvangen in naam van B. De girale betaling wordt bijgeschreven bij C, terwijl B een vorderingsrecht tegen C verkrijgt tot afdracht van hetgeen is ontvangen. In de context van artikel 6:203 verricht A een prestatie aan C, waarbij C er niet tussen uitvalt. Zijn rekening werd immers gecrediteerd, en dit blijft zo, totdat C zelf hetgeen hij heeft ontvangen overboekt naar B. Toerekening van de ontvangst van de prestatie door C is wel gewenst. De grond hiervoor is naar mijn mening dat C heeft gehandeld voor rekening van B. Deze toerekeningsgrond wordt hieronder uitgewerkt.
(ii) Voor rekening van de ander
Van handelen voor rekening van een ander is sprake als de economische gevolgen voor rekening komen van de ander.11 Zowel feitelijke handelingen als rechtshandelingen kunnen voor rekening van een ander worden verricht. Stel bijvoorbeeld dat B aannemer is en een overeenkomst heeft gesloten met aanbesteder C tot het verrichten van bouwwerkzaamheden. B is te druk om het werk zelf te doen en schakelt A in, een onderaannemer. B geeft dan een opdracht aan A om de werkzaamheden te verrichten bij C. C ontvangt voor rekening van B als de economische gevolgen van het ontvangen, (mede) voor rekening komen van B. Dat is hier het geval, omdat de feitelijke prestatie van A leidt tot nakoming van de schuld die B heeft aan C.
Toerekening van handelen dat voor rekening van een ander wordt verricht, doet zich in het kader van artikel 6:203 in twee gevallen voor: (a) bij het verrichten van de prestatie en (b) bij het ontvangen van de prestatie.
(a) Verrichten voor rekening van de ander
A presteert voor rekening van B als de economische gevolgen van het verrichten van de prestatie moeten worden gedragen door B. Dat is onder meer het geval als B een verplichting heeft om A schadeloos te stellen of als met A’s prestatie een vordering van B op A tenietgaat. Stel bijvoorbeeld dat A een schuld heeft aan B. B meent ten onrechte een schuld te hebben aan C. In opdracht van B verricht A een prestatie aan C. Door het verrichten van deze prestatie gaat een vordering van B op A teniet. De verrichting van de prestatie vindt daarom plaats voor rekening van B, zodat het verrichten kan worden toegerekend aan B. Niet alleen A, maar ook B verricht daarom een prestatie aan C. Wanneer B ontdekt dat hij niets aan C verschuldigd was, kan hij deze prestatie uit hoofde van onverschuldigde betaling terugvorderen van C (omdat, zoals hieronder blijkt,2 een rechtsgrond ontbreekt voor de prestatie BC).
(b) Ontvangen voor rekening van de ander
C ontvangt voor rekening van B als de economische gevolgen van de ontvangst worden gedragen door B. Dat is onder meer het geval als C het ontvangen bedrag moet afstaan aan B, of als C in plaats daarvan het ontvangen bedrag mag behouden, maar een schuld van B aan C teniet gaat.3 Van beide genoemde gevallen geef ik een voorbeeld.
Het eerste geval: A presteert aan C, die op grond van een overeenkomst hetgeen hij ontvangt, moet afdragen aan B. Recentelijk kreegt het Hof Leeuwarden te oordelen over een dergelijke casus.4 Daarin was A de belastingdienst, die meende een bedrag schuldig te zijn aan B. Op verzoek van A gaf B het nummer van een een bankrekening, zodat A het bedrag kon overmaken naar B. A wist niet dat de rekening op naam stond van C, een kredietbank. B was namelijk niet in staat zijn eigen financiën te beheren. B en C waren daarom overeengekomen dat C de inkomsten van B zou beheren, en geld dat C meer ontving dan nodig was voor de nakoming van B’s verplichtingen, aan B ter beschikking zou stellen. Het bedrag dat C ontving van de belastingdienst, was niet nodig om de lopende verplichtingen van B te voldoen. Na overleg tussen B en C stelde C het bedrag ter vrije besteding van B beschikbaar door het over te maken naar een rekening op naam van B (die ook niet door C werd beheerd). Vervolgens ontdekte A zijn vergissing en vorderde het bedrag van C terug. In dit geval heeft A aan C onverschuldigd een objectieve prestatie verricht, zodat een vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat van A tegen C. Toch hoeft C in een dergelijk geval niet het ontvangen bedrag af te staan aan A. Immers, C hoefde er niet vanuit te gaan dat de betaling door A onverschuldigd was. C heeft daarom te goeder trouw het bedrag ontvangen en doorbetaald. C heeft daarmee een uitgave gedaan die hij anders niet zou hebben gedaan. C dient daarom het verweer te kunnen voeren dat hij niet langer over het onverschuldigd betaalde geld beschikt. 5 Anders zou de terugbetaling de tweede uitgave zijn die hij als gevolg van de onverschuldigde betaling zou verrichten (en die hij zonder onverschuldigde betaling niet zou hebben verricht); C zou dan in een nadeligere positie komen dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de onverschuldigde betaling, die hij te goeder trouw in ontvangst nam en te goeder trouw doorbetaalde.
A dient dus niet van C te kunnen terugvorderen; hij dient echter ook niet met lege handen te staan. Dat hoeft ook niet. A heeft een vordering tegen B. De ontvangst van de prestatie door C vindt plaats voor rekening van B. C diende immers het ontvangen bedrag af te staan aan B. De ontvangst van de prestatie kan daarom worden toegerekend aan B. Voor de prestatie van A aan B ontbreekt een rechtsgrond, zodat A de betaling kan terugvorderen van B.6
Tweede voorbeeld: A presteert aan C, waardoor een schuld van B aan C teniet gaat. Stel dat A en B een overeenkomst hebben gesloten waaruit een schuld van A aan B voortvloeit. Stel verder dat B een schuld heeft aan C. In opdracht van B verricht A de verschuldigde prestatie rechtstreeks aan C. Met de ontvangst door C van de prestatie van A gaat een schuld van B aan C teniet. Het ontvangen door C vindt daarom plaats voor rekening van B, zodat het ontvangen aan deze kan worden toegerekend. A verricht daarom (ook) een prestatie aan B. Als A vervolgens de overeenkomst AB vernietigt, kan A terugvorderen van B (omdat, zoals hieronder blijkt,7 ook een rechtsgrond ontbreekt voor de prestatie AB).