Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.5.3
2.5.3 Discussie over het Wegnahmerecht van §951 BGB: het BGH versus de literatuur
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644938:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951 Rn. 67: MüKoBGB/Füller BGB §951 Rn 40 e.v.; Palandt/Bassenge, BGB §951 Rn 24; Baur/Stürner (2009), p. 716, §53 Rn 36; Wilhelm (2016), p. 535; Westermann/Gursky/Eickmann (2011), p. 495; Wieling, JZ/1985, p. 511, 515-516; Spyridakis (1966), p. 123; Kretzschmar, ZB1FG/1905-1906, p. 6. Windscheid/Kipp I (1906), p. 984 (Voor meer auteurs zie: Wittig (2011), p. 70-72 voetnoot 196 en Wieling, JZ/1985, p. 516, voetnoot 51.
BGH 31 oktober 1963 – V2 ZR 285/61 Elektroherde: “(…) Dem unrechtmäßigen Besitzer einer fremden, von ihm herauszugebenden Hauptsache soll demnach ein Wegnahmerecht auch dann zustehen, wenn seine Sache nicht von ihm, sondern von einem Dritten mit der fremden Hauptsache verbunden worden und dadurch das Eigentum des Besitzers untergegangen ist.”
§812 I BGB: “Wer durch die Leistung eines anderen oder in sonstiger Weise auf dessen Kosten etwas ohne rechtlichen Grund erlangt, ist ihm zur Herausgabe verpflichtet. Diese Verpflichtung besteht auch dann, wenn der rechtliche Grund später wegfällt oder der mit einer Leistung nach dem Inhalt des Rechtsgeschäfts bezweckte Erfolg nicht eintritt.”
BGH 31 oktober 1963 – V2 ZR 285/61 Elektroherde: “Satz 1 dieser Vorschrift stellt nur klar, daß ein nach anderen Vorschriften begründetes Wegnahmerecht – das hier nicht in Betracht kommt – bestehen bleibt. Satz 2 der Vorschrift bestimmt, daß in den Fällen der §§946, 947 BGB die Wegnahme nach den für das Wegnahmerecht des Besitzers gegenüber dem Eigentümer geltenden Vorschriften auch dann zulässig ist, wenn die Verbindung nicht von dem Besitzer der Hauptsache bewirkt worden ist.”
Het BGH stelt: “Der Meinung, daß jeder nach §946 BGB eintretende Rechtsverlust ein Recht zur Wegnahme gewähre, kann nicht gefolgt werden. Erwächst aus diesem Rechtsverlust ein Bereicherungsanspruch nach §§951 Abs. 1, 812 Abs. 1 BGB, so ist dieser nur auf Vergütung in Geld gerichtet. Der Anspruch auf Wiederherstellung des früheren Zustandes wird durch §951 Abs. 1 Satz 2 BGB ausdrücklich ausgeschlossen. (…) Es kann nicht als der Sinn des §951 Abs. 2 angesehen werden, daß in dieser Weise der in §951 Abs. 1 Satz 2 bestimmte Ausschluß des Anspruchs auf Wiederherstellung des früheren Zustandes ausgehöhlt werden soll.”
Wittig (2011), p. 78.
Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951; Rn 67 e.v.; MüKoBGB/Füller BGB §951 Rn 40 e.v.; Baur/Stürner (2009), p. 716-717; Wilhelm (2016), p. 535; Westermann/Gursky/Eickmann (2011), p. 495; Wieling, JZ/1985, p. 511, 515; Spyridakis (1966), p. 123; Wittig (2011), p. 70-79.
Mugdan III, p. 648; Zie onder hierboven, §2.5.2.
Jakobs, AcP/1967, p. 386 e.v.
Jakobs, AcP/1967, p. 386 e.v.; Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951 Rn 67; MüKoBGB/Füller BGB §951, Rn 40 & 41. Het zou al helemaal om een louter theoretisch geval gaan als, zoals verschillende juristen betogen, het Wegnahmerecht van §951 lid 2 BGB alleen wordt toegekend aan iemand die ook op grond van lid 1 een vordering heeft. Een vordering op grond van lid 1 bestaat alleen als de verrijking niet het gevolg is van een levering (Leistung). Er mag met andere woorden geen sprake zijn van het nakomen van een verbintenis. Dit betekent concreet dat, in de visie van het BGH, alleen een Wegnahmerecht ontstaat als een derde een (hoofd)-zaak van de één en een zaak van de bezitter met elkaar heeft verbonden, zonder dat hij hiertoe gehouden was op grond van een verbintenis.
In de literatuur gaat men er over het algemeen van uit dat §951 lid 2 BGB een zelfstandig wegneemrecht in het leven roept,1 maar het BGH doet dit niet.2 In het arrest Elektroherde bepaalde het Hof dit expliciet.3 Het volgende speelde zich daarin af.
Een leverancier (L) verkocht en leverde elektrische fornuizen en boilers (Elektroherde und Niederdruckspeicher) onder eigendomsvoorbehoud aan een aannemer (A). A verkocht deze op zijn beurt door aan een koper (K). A monteerde de zaken vervolgens in diverse huizen van K, die door natrekking eigenaar was geworden van de materialen. K was niet op de hoogte van het eigendomsvoorbehoud. Nadat de koopovereenkomst tussen L en A was vernietigd, ging laatstgenoemde failliet. L had tegen A een actie op grond van onverschuldigde betaling. Hij heeft immers geleverd op grond van een later weggevallen titel,4 maar de kans dat L geldelijk (volledig) zou worden gecompenseerd was door het faillissement klein geworden. In het arrest kwam onder meer de vraag aan bod of de leverancier (L) een Wegnahmerecht had tegen de koper (K) op grond van §951 lid 2 BGB. Deze was immers direct uit het vermogen van L verrijkt (auf dessen Kosten).
Het BGH stelde dat L noch een actie uit ongerechtvaardigde verrijking (§951 lid 1 BGB) noch een Wegnahmerecht (§951 lid 2 BGB) had tegen K. Hij oordeelde: “Aus der Vorschrift des §951 Abs. 2 BGB kann ein Wegnahmerecht nicht hergeleitet werden”. §951 lid 2 BGB is slechts op te vatten als een verbreding van de reikwijdte van §997 BGB. Als niet de bezitter, maar een ander de verbinding tussen de twee zaken heeft bewerkstelligd, dan kan de bezitter alsnog de verbinding ongedaan maken.5 L was geen bezitter van de huizen en verkreeg daarom geen afscheidingsrecht.
Volgens het BGHkan§951 lid 2 BGB geen zelfstandig Wegnahmerecht behelzen, omdat lid 1 van dat artikel uitdrukkelijk een vordering tot herstel in de oude situatie verbiedt.6 De aanname van een zelfstandig wegneemrecht zou neerkomen op een herstel in de oude toestand. In de literatuur wordt deze stelling verworpen, aangezien een vordering van herstel in de oude toestand duidt op een actieve handeling van de eigenaar van de hoofdzaak. Een Wegnahmerecht verplicht de eigenaar echter tot niet meer dan het dulden van de afscheiding.7 De eigenaar kan de afscheiding afwenden door aan de wegneemgerechtigde schadevergoeding te betalen (zie §997 lid 2 BGB). De vereisten van het Wegnahmerecht van §951 lid 2 BGB zijn immers dezelfde vereisten die gelden voor het Wegnahmerecht van de bezitter (§997 BGB). Dat betekent ook dat de afscheiding op grond van §997 BGB (en dus ook op grond van §951 lid 2 BGB) alleen mogelijk is als de uitsluitingsgronden van §997 BGB niet voorliggen. Bovendien stelt het tweede lid van §951 BGB: “(…) die Vorschriften über den Ersatz von Verwendungen und über das Recht zur Wegnahme einer Einrichtung bleiben unberührt.” Het tweede lid van §951 BGB staat dus uitzonderingen toe op het eerste lid, waarin het verbod van het vorderen van herstel in de oude toestand is opgenomen. Daarmee is het Wegnahmerecht van §951 lid 2 BGB niet in strijd met het eerste lid van dat artikel, aldus de meerderheid der schrijvers.8
Een ander argument tegen de visie van het BGH is dat diens zienswijze tot een resultaat leidt dat, blijkens de parlementaire geschiedenis, juist vermeden moest worden. De bezitter heeft immers wel een Wegnahmerecht als hij zijn recht heeft verloren doordat hij of een derde zijn zaak heeft verbonden met de hoofdzaak van een ander, terwijl dit recht niet voorhanden is voor een niet-bezitter als de eigenaar van de hoofdzaak de verbinding heeft bewerkstelligd. Voor deze ongelijkheid “besteht kein Grund”.9 Daarnaast is aangevoerd dat het niet voor de hand ligt om de reikwijdte van §997 BGB uit te breiden in een ander artikel (§951 lid 2 BGB).10 Logischer zou zijn om deze uitbreiding dan in §997 BGB te zetten. Tot slot is in de literatuur gesteld dat de reikwijdte van 951 lid 2 BGB gereduceerd is tot gevallen die zich zelden zullen voordoen, namelijk als een buitenstaander een (hoofd)-zaak van de een met een zaak van de bezitter heeft verbonden en vervolgens de eigenaar van de hoofdzaak deze revindiceert bij de bezitter (Vindikationsschuldner).11 Deze buitenstaander heeft dus niet het bezit van de eenheidszaak en heeft ook niet gehandeld in naam van of op verzoek van de bezitter. In dat laatste geval had immers de bezitter zelf de verbinding bewerkstelligd.
De kritiek ten spijt, de uitspraak van het BGH staat. De zakelijke rechten van de leverancier zijn definitief tenietgegaan en ook op verbintenisrechtelijk vlak loopt hij, door het faillissement van de koper onder eigendomsvoorbehoud, vast.