Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.6.2.2:3.6.2.2 Het nieuwe boetebeleid: het BBBB
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.6.2.2
3.6.2.2 Het nieuwe boetebeleid: het BBBB
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940724:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1998 werd ook het boetebeleid geheel herzien en herschreven, hetgeen is uitgemond in het BBBB 1998.1 Uit de tekst van en de toelichting op het BBBB 1998 blijkt duidelijk dat de beleidgever zich rekenschap had gegeven van de kenmerken van het nieuwe stelsel. In paragraaf 9 was bijvoorbeeld uitdrukkelijk opgenomen dat het opleggen van een boete is aan te merken als het instellen van een strafvervolging in de zin van art. 6 EVRM en dat de in dat kader aan de boeteling toekomende waarborgen gelden vanaf de aanvang van de criminal charge.2 In het BBBB 1998 werden verschillende van die waarborgen met name genoemd, zoals de berechting binnen een redelijke termijn, de mededelingsplicht, het recht op bijstand, het recht op een tolk, het inzagerecht en de toegang tot de rechter. In het verlengde hiervan werden in het BBBB 1998 enkele van oorsprong strafrechtelijke noties uitgewerkt, zoals het niet hoeven meewerken aan de eigen veroordeling (het nemo tenetur-beginsel) en het una via-beginsel.3 Ook werd vermeld dat de stelplicht en bewijslast van opzet of grove schuld (bij vergrijpboetes) op de inspecteur rusten. Ten slotte verdient opmerking, dat de beleidgever – net als de wetgever – van oordeel was dat alle boetes, dus ook verzuimboetes, een strafkarakter hebben.4 Voor wat betreft de te garanderen waarborgen werd er in het BBBB 1998 dan ook geen verschil gemaakt tussen vergrijpboetes en verzuimboetes.