25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/57.2:57.2 Toepassing van artikel 4:5 van de Awb in bijstandszaken
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/57.2
57.2 Toepassing van artikel 4:5 van de Awb in bijstandszaken
Documentgegevens:
mr. C.W.C.A. Bruggeman, mr. T.J. Poppema, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. C.W.C.A. Bruggeman, mr. T.J. Poppema
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. CRvB 21 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1395, AB 2009/80, m.nt. H.E. Bröring, en JB 2009/21, m.nt. A.M.M.M. Bots.
Bijv. CRvB 23 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0929, AB 2009/255, m.nt. Red, en JB 2009/204, m.nt. A.M.M.M. Bots.
Bijv. CRvB 29 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP8628.
Bijv. CRvB 28 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9403.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bijstandverlenend orgaan gestelde termijn aan te vullen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet een hersteltermijn als hier aan de orde zijn afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden.1 De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bijstandverlenend orgaan aan te leveren. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad brengt de door het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 3:2 van de Awb in acht te nemen zorgvuldigheid mee dat hij de indiener van een aanvraag een als fataal bedoelde termijn stelt om een geconstateerd verzuim te herstellen en dat hij daarbij dient aan te geven dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld.2 Uit de zogenaamde herstelverzuimbrief en de eventueel daarbij gevoegde stukken moet voor de aanvrager voldoende duidelijk blijken welke gegevens en/of bescheiden hij alsnog moet verstrekken en binnen welke termijn. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake, indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen, moet worden bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, aldus artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Wordt dit voorschrift niet in acht genomen, dan vervalt daarmee de bevoegdheid de aanvraag buiten behandeling te laten en moet een inhoudelijke beslissing worden genomen.3
Artikel 4:5 van de Awb geeft het bijstandverlenend orgaan een discretionaire bevoegdheid. Dit houdt in dat hij niet verplicht is om een onvolledige aanvraag buiten behandeling te laten. Het kan er ook voor kiezen de aanvraag wel in behandeling te nemen en een inhoudelijke beslissing te nemen. De praktijk is echter dat heel vaak gekozen wordt voor toepassing van deze bepaling.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat aard en inhoud van het besluit dat strekt tot het buiten behandeling laten van de bijstandsaanvraag meebrengen dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het nemen van dat besluit alsnog zijn verstrekt.4 Van dat uitgangspunt kan vervolgens slechts worden afgeweken, indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens of bescheiden binnen de gegeven hersteltermijn te verstrekken. Op dit punt wordt vrijwel altijd geoordeeld dat een betrokkene beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de gevraagde gegevens en deze dus tijdig kon overleggen.