Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/5.3
5.3 Meetrekregeling
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450609:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is ook het geval als de tussenliggende houdstervennootschap een vennootschap is die in het buitenland is gevestigd. Zie de nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer. Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d, blz. 2-3.
Blijkens het nader rapport vallen onder het begrip 'koopoptie' ook de (losse) warrants en conversierechten, Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 15-16. Vgl. tevens de memorie van antwoord Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62b, blz. 4. Ik wijs erop dat dit tot gevolg heeft dat ook de schuldvordering zelve, i.e. de obligatielening, wordt meegetrokken in het aanmerkelijk belang als de warrant of het conversierecht zelfstandig tot een aanmerkelijk belang behoort, omdat deze recht geeft om tot een omvang van ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal aandelen in de vennootschap te verwerven.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 45-46.
Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761. nr. B, blz. 16.
Met name in situaties van vruchtgebruiktestamenten leidt dit tot ongewenste gevolgen. Zie uitgebreider mijn: Knelpunten in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling; voorstellen voor het wetsvoorstel technische wijzigingen 1999, WFR 1999/6305, blz. 1236 e.v.
L.G.M. Stevens is blijkens zijn bespreking van de fiscale brochure van prof.dr. J.E.A.M. van Dijck, Rangorde in de Wet IB, kennelijk een andere mening toegedaan, L.G.M. Stevens, boekbespreking, WFR 1999/6341, blz. 693.
In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is in art. 20a, vierde lid, Wet IB een zgn. meetrekregeling geïntroduceerd. Deze regeling houdt in dat mede tot het (soort) aanmerkelijk belang worden gerekend andere aandelen in, winstbewijzen van en schuldvorderingen op de vennootschap. Mede vanwege deze zgn. meetrekregeling kon de soort-aanmerkelijkbelangregeling in het nieuwe aanmerkelijkbelangregime aanzienlijk worden vereenvoudigd (zie onderdeel 5.2.2.3). De meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB bewerkstelligt tevens dat in geval van een middellijk aanmerkelijk belang in een dochtervennootschap (via een houdstervennootschap) winstbewijzen van en schuldvorderingen op de dochtervennootschap eveneens tot het aanmerkelijk belang behoren.1
Voorts worden ingevolge de tweede volzin van art. 20a, vierde lid, Wet IB mede tot het (soort) aanmerkelijk belang gerekend de tot het vermogen van de belastingplichtige behorende rechten om aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de vennootschap te verwerven (koopoptie), waarbij ingevolge art. 20a, negende lid, onderdeel e, Wet IB de koopoptie als aandeel, winstbewijs resp. schuldvordering wordt aangemerkt.2 Aangezien waarde-ont-wikkelingen van de onderliggende aandelen boven de uitoefenprijs de optiehouder aangaan en niet meer de aandeelhouder, is het reëel om in het kader van de aanmerkelijkbelangregeling de optiehouder met een aandeelhouder gelijk te stellen.3 Blijkens de wettekst worden ingevolge de meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB tijdelijke genotsrechten niet mede tot het aanmerkelijk belang gerekend. Uit het nader rapport volgt dat hiervan is afgezien omdat voor de belastingheffing ter zake van tijdelijke genotsrechten met ingang van 1 januari 1996 in de sfeer van de inkomsten uit vermogen een nieuw en sluitend systeem geldt.4 Mijns inziens is de vraag gerechtvaardigd waarom tijdelijke winstbewijzen, zijnde winstbewijzen die door tijdsverloop in waarde dalen, via de meetrekregeling wel deel uitmaken van het aanmerkelijk belang, terwijl dit niet geldt voor tijdelijke genotsrechten. Ook een tijdelijk genotsrecht daalt immers door tijdsverloop - de afloop van de vooraf overeengekomen periode resp. het ouder worden van de genotsgerechtigde - in waarde.5
Blijkens de wettekst is de meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB niet van toepassing op losse dividendbewijzen die in bezit zijn van de belastingplichtige aanmerkelijkbelanghouder, ook al hebben deze dividendbewijzen betrekking op dividenden uit dezelfde vennootschap. Dit betekent dat de afwikkeling van de dividendbewijzen geschiedt via het regime van de inkomsten uit vermogen.6