Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.2.2
6.2.2 De Belle Époque 1871-1914: noodzaak tot regelgeving
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS589745:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide verhandeling over het ontstaan van de AG: W. Schubert & P. Hommelhoff, Hundert Jahre modernes Aktienrecht, Berlijn: Walter de Gruyter 1985.
De introductie van spoorwegen was een grote aanjager van economische ontwikkeling. De spoorwegen: (I) zorgden voor een daling van de interne transportkosten en ontsloten nieuwe producten en gebieden voor de markt; (II) fungeerden als een voorwaarde voor de groei van de exportsector; en (III) leidden tot technische innovaties en de ontwikkeling van de basisindustrie. Rostow 1991, p. 55.
Vorm van een personenvennootschap.
Thans 88 artikelen.
Bachman, GLJ 2008, p. 1063-1068, p. 1064.
Emmerich & Habersack 2013, p. 6.
Zie bijvoorbeeld RGZ 9 februari 1881, 3, 123, 126 (Rumänischen Eisenbahnfall) waarin het Reichsgericht een uitspraak doet inzake de overdracht van bestuursbevoegdheden aan een derde zijnde niet-aandeelhouder. Dit arrest wordt gezien als het startpunt van de concernrechtelijke ontwikkeling door de rechtspraak. Hommelhoff 1982, p. 2-12.
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 36-37.
Onder Pruisische leiding begonnen de Duitse gebieden zich te verenigen. Economische groei en ontluikend Duits nationalisme sterkte het gemeenschappelijk bewustzijn. De eenwording van de Duitse gebieden leidde tot een herijking van de Europese machtsverhoudingen. De door Duitsland gewonnen Frans-Pruisische oorlog (1870-1871) en de oprichting van het Keizerrijk Duitsland (1871) in de Spiegelzaal te Versailles, bevestigde de nieuwe positie van Duitsland in Europa. Duitsland werd de leidende industriestaat van het continent en had wereldwijde ambities. Voor Duitsland was de Belle époque (1871-1914) begonnen.
Ook in het recht werd de geestdrift van de nieuwe tijd gevoeld. Het recht moest klaar worden gestoomd voor nieuwe economische realiteiten. Dit resulteerde in verschillende wetsvoorstellen, waarvan het Gesetz betreffend die Kommanditgesellschaften auf Aktien und die Aktiengesellschaften (1884)1 (hierna: AktG 1884) de laatste in een reeks was. De AG moest investeerders verleiden tot het financieren van grote infrastructurele projecten, zoals de bouw van spoorwegen.2 Voor dergelijke grote projecten was de AG uitermate geschikt.
In de tweede helft van de negentiende eeuw werd duidelijk dat de AG minder passend was voor ondernemers die geen toegang wilden tot de kapitaalmarkten. Doorgaans opereerden deze ondernemers in het midden en klein bedrijf. Voor deze groep ondernemers was de AG te duur en te formalistisch. Dit leidde in 1892 tot invoering van het Gesetz betreffend die Gesellschaften mit beschränkter Haftung (hierna: GmbHG) en de introductie van de GmbH. Deze rechtsvorm hield het midden tussen een AG en een offene Handelsgesellschaft3. Het GmbHG bevatte een beperkt aantal 4, hierdoor kreeg de rechtsgebruiker ruimte om door statutaire bepalingen zelf vorm te geven aan zijn GmbH.5
Hoewel de wetgever in deze periode verschillende vennootschappelijke vernieuwingen doorvoerde, had hij geen oog voor de ontwikkeling van het concernrecht. De juridische vraagstukken die voortvloeiden uit het economische concentratiestreven, hebben in deze periode niet geleid tot een wettelijke verankering van het concernrecht. Zowel de AktG 1884 als de GmbHG bevatten geen bepalingen inzake het concernrecht. Dit geldt ook voor andere ondernemingsrechtelijke wetgeving zoals het Allgemeines Deutsches Handelsgesetzbuch van 1861 en ook zijn opvolger het Handelsgesetzbuch (hierna: HGB) van 1900.
De rechtsontwikkeling van het concernrecht kwam in deze tijd voor rekening van de praktijk en de rechtspraak. Zo gaf de Kautelarjurisprudenz, de juridische adviespraktijk, door middel van het opstellen van vennootschapsovereenkomsten en statuten invulling aan de behoefte tot concernvorming en concentratie van ondernemingen.6 Op haar beurt zag de rechtspraak zich geconfronteerd met verschillende concernrechtelijke geschillen.7 Dikwijls wees de magistratuur vonnis met een zeker gevoel voor de ontwikkeling van concernrechtelijke verhoudingen.8 Van een systematische behandeling van concernrechtvraagstukken was in deze periode nog geen sprake. Het geordend en consequent ter hand nemen van het concernrecht zou pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw plaatsvinden.