Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.7.3
4.7.3 De Nationale ombudsman
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierboven, paragraaf 4.7.2.
Buruma & Mevis 1999, p. 703.
Zie bijvoorbeeld rapport 2008/273; Buruma & Mevis 1999, p. 703. Een ander voorbeeld, waarbij de Nationale ombudsman tot het oordeel kwam dat had moeten worden gekozen voor de sepotgrond ‘ten onrechte als verdachte aangemerkt’ is een rapport van 15 oktober 2009, gepubliceerd NbSr 2009, 415.
Bijvoorbeeld in rapport 2003/073, waar de Nationale ombudsman tot de beoordeling kwam dat de keuze voor sepotgrond 43, ‘oud feit’, niet onbehoorlijk was. Een ander voorbeeld, waarbij de Nationale ombudsman tot het oordeel kwam dat de keuze voor sepotcode 02 in plaats van 01 onbehoorlijk was, is te vinden in een rapport van 15 oktober 2009, gepubliceerd in NbSr 2009, 415.
Rapport 1990/847.
Buruma & Mevis 1999, p. 705.
Rapport 2008/104.
Zie daarover ook het door Buruma & Mevis 1999 aangehaalde rapport 99/220.
Rapport 2006/109.
Buruma & Mevis 1999, p. 694.
De Nationale ombudsman is niet bevoegd te oordelen over gedragingen waarop de rechterlijke macht toeziet (artikel 9:22 aanhef en onder f Awb). Daarom is de afbakening van rechterlijke controlemogelijkheden van belang voor de bevoegdheid van de Nationale ombudsman: het zijn communicerende vaten. Ten aanzien van de uitoefening van enkele bevoegdheden waarover de rechter zich niet kan uitspreken kan de Nationale ombudsman een oordeel geven, na een klacht van een betrokkene. In zoverre als over de vervolgingsbeslissing geen rechterlijke controle kan plaatsvinden, is er dus een rol weggelegd voor de Nationale ombudsman. Dit kwam aan de orde in de zaak die leidde tot HR 25 juni 1996, NJ 1997, 714.1 Het Hof oordeelde daar dat het niet bevoegd was de vervolging ter zake van een bepaald strafbaar feit te bevelen, het zou het om slechts mogen bevelen vervolging in te stellen, waarna de officier van justitie vrij zou zijn in de keuze welk strafbaar feit hij zou willen vervolgen. De Hoge Raad was het uiteindelijk niet met dit oordeel eens. Wanneer het standpunt van het Hof juist was geweest, zou dat hebben geleid tot een bevoegdheid van de Nationale ombudsman om zich uit te spreken over de keuze van de officier van justitie voor een bepaalde delictsomschrijving. Daar zou dan immers in de beklagprocedure geen rechterlijke controle op bestaan, waardoor de Nationale ombudsman bevoegd zou zijn. Om dat te voorkomen drong de Nationale ombudsman er bij de Procureur-generaal bij de Hoge Raad op aan, om cassatie in het belang der wet in te stellen, hetgeen dus succesvol was.2
Een eerste type overheidshandeling dat hier moet worden genoemd is de keuze van de officier van justitie voor een bepaalde sepotgrond. Deze keuze heeft gevolgen voor de verdachte, omdat het afhankelijk is van de sepotgrond of het sepot wordt opgenomen in de justitiële documentatie of niet. Wanneer de officier van justitie kiest voor de sepotgrond ‘ten onrechte als verdachte vermeld’, zal het sepot niet op naam van de verdachte worden ingeschreven. Wanneer daarentegen gekozen wordt voor de grond ‘onvoldoende bewijs’, wordt het sepot wel ingeschreven op naam van de verdachte. Geregeld klagen bij de Nationale ombudsman verdachten die de eerstgenoemde sepotgrond verkiezen boven de laatstgenoemde.3 Deze klachten betreffen vaak een technisch sepot. Bij beleidssepots zal het steeds het geval zijn dat deze worden ingeschreven op naam van de verdachte. Soms wordt dan ook geklaagd over het toepassen van een beleidssepot, waar de klager van mening is dat gekozen had moeten worden voor sepotgrond 01, ‘ten onrechte als verdachte vermeld’.4
Een andere overheidshandeling waarover de Nationale ombudsman kan oordelen is de praktijk dat officieren van justitie een beleidssepot gepaard laten gaan met een mondelinge of schriftelijke waarschuwing. De waarschuwing zal meestal inhouden dat bij herhaling zal worden vervolgd, en dat in het betreffende geval geen voorwaarden worden verbonden aan het sepot. De waarschuwingen hebben echter geen wettelijke basis, en daarom wordt over de uitvaardiging ervan soms geklaagd bij de Nationale ombudsman. Deze heeft over een hem voorgelegde waarschuwing in vrij algemene termen geoordeeld dat deze behoorlijk is, voor zover de verdachte door de officier van justitie wordt geïnformeerd over de haalbaarheid van vervolging en de gevolgen van herhaling van het strafbare feit. De Nationale ombudsman oordeelde echter dat het onbehoorlijk zou zijn ‘voor zover met de mondelinge of schriftelijke berichtgeving door officieren van justitie naar aanleiding van sepotbeslissingen wordt beoogd om de verdachte naar aanleiding van het begane feit bestraffend toe- of aan te spreken en/of zulks tot uitdrukking te brengen door het bezigen van het woord berisping.’5 Ten aanzien van deze zogenoemde parketstandjes kan men echter ook tot een ander oordeel komen. Het is immers maar de vraag hoe een parketwaarschuwing wordt gewaardeerd: als een ongerechtvaardigde afdoening wanneer men de zaak eigenlijk onvoorwaardelijk wil seponeren, of als een mogelijkheid om in plaats van verdergaande bestraffing met een tamelijk milde afdoening te volstaan.6
Een volgend type klachten heeft betrekking op het niet opnemen van aangiftes door de politie. Ondanks de wettelijke verplichting van artikel 163 Sv worden aangiften niet altijd opgenomen. De Nationale ombudsman heeft geoordeeld dat voor uitzonderingen op de opnameplicht weinig ruimte aanwezig is, omdat de controle op opsporing en vervolging vrijwel onmogelijk is wanneer de gebeurtenissen die daarvoor relevant zijn niet worden opgenomen. Daarmee wordt immers ‘aan het Openbaar Ministerie, de voor de opsporing verantwoordelijke instantie, de gelegenheid (…) ontnomen te beoordelen of er ter zake strafvervolging ingesteld moet worden’.7 Politieambtenaren zouden slechts in gevallen waarin op voorhand zonder de minste twijfel geoordeeld kan worden dat geen sprake is van een strafbaar feit aangifte mogen weigeren op te nemen.8 Er zijn echter wel omstandigheden die een uitzondering op de opnameplicht rechtvaardigen. Dat is bijvoorbeeld het geval als enkele politiemedewerkers belast zijn met een lange reeks voorvallen en zijn aangewezen voor het opnemen van aangiftes. Andere politiemedewerkers zijn dan niet verplicht om aangiftes op te nemen die op die voorvallen betrekking hebben.9 De Nationale ombudsman interpreteert artikel 163 Sv op een manier die weinig ruimte laat voor de toepassing van het opportuniteitsbeginsel door de politie. Buruma en Mevis stellen dat het bureaucratisch aandoet om opname te eisen van aangiftes waarvan de politie vrijwel zeker is dat die op grond van bestaande afspraken niet worden vervolgd. De grens tussen het om deze reden niet opnemen van aangiftes enerzijds en anderzijds de strenge uitleg, dat wel moet worden opgenomen, maar ook mag worden meegedeeld dat wegens capaciteitsgebrek niet zal worden vervolgd, is inderdaad erg dun.10