Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VII.2.1
VII.2.1 Stemverbod
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178945:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Overigens kan een gebod dat ook bewerkstelligen, nu een gebod meestal tegelijk een verbod inhoudt. Wie moet vóórstemmen, kan immers niet tegenstemmen. En wie een bepaald besluit moet nemen, kan geen ander besluit nemen. Zie § 4.1, waar het gebod aan bod komt.
Zie bijv. Rb. ’s-Gravenhage (vzgnr.) 7 augustus 2002, JOR 2002/173, m.nt. Van den Ingh (NEM) en Rb. Amsterdam (vzgnr.) 6 januari 2014, JOR 2014/157, m. nt. Nowak (Kekk/Delfino). Zie verder de jurisprudentie aangehaald in Kemp 2015, p. 254-258.
Anders: Van den Ingh 2000, p. 204, evenwel zonder nadere motivering. Overigens doet aan de gerichtheid op de stem niet af dat een stem in de bodemprocedure niet (wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid) kan worden vernietigd (art. 2:13 lid 1 BW). Het gaat erom dat het oordeel van de voorzieningenrechter een juridische grondslag heeft: de redelijkheid en billijkheid.
HR 30 juni 1944, NJ 1944/465 (Wennex), HR 13 november 1959, NJ 1960/472 (Melchers) en HR 19 februari 1960, NJ 1960/473, m.nt. Bröring (Aurora).
Van den Ingh 2000, p. 204-205 en Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 46.3, p. 862. Anders: Kemp 2015, p. 227, volgens wie ‘het niet zo kan zijn’ dat iedere vorm van onevenredigheid gezien de redelijkheid en billijkheid voldoende is; er moet z.i. voldaan zijn aan de strengere norm van misbruik van recht. Dat lijkt mij te streng voor zover de betrekking tussen stemmer en benadeelde binnen de kring van art. 2:8 BW valt; bovendien maant ook art. 2:8 lid 2 BW (‘onaanvaardbaar’) de rechter tot terughoudendheid.
Vgl. Van den Ingh 2000, p. 205-206 en – meer algemeen – Olaerts 2017, p. 633-634.
Stel dat nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, maar dat al duidelijk is hoe zal worden gestemd. Hoe kan degene die daarbij belang heeft, een hem onwelgevallig besluit tegenhouden? Het zal veelal gaan om een aandeelhouder die zijn mede-aandeelhouders van bepaald stemgedrag wil weerhouden. Zonder twijfel kan die aandeelhouder zijn mede-aandeelhouders in een kort geding betrekken. Het doel zal zijn die aandeelhouders te verbieden op een zekere wijze te stemmen, een verbod al dan niet versterkt met een dwangsom.1 Zo’n verbod wordt met enige regelmaat uitgesproken.2
De voorzieningenrechter moet vooruitkijken: handelen de gedagvaarde aandeelhouders in strijd met de redelijkheid en billijkheid wanneer zij stemmen zoals verwacht? Het gaat er dus niet om of het te nemen besluit aan vernietiging blootstaat, maar om een beoordeling van het stemgedrag.3 Een besluit kan redelijk zijn, terwijl het stemmen dat niet is. De redelijkheid en billijkheid hebben immers iets relatiefs: wat van vennootschap tot aandeelhouder redelijk is, kan verschillen van wat redelijk is van aandeelhouder tot aandeelhouder. Daarbij geldt dat een aandeelhouder in beginsel zijn eigenbelang mag nastreven door zijn stem naar gelieven uit te oefenen.4 De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW verplicht hem evenwel met de belangen van anderen rekening te houden. Dit betekent dat hij zijn stemrecht niet zó mag gebruiken, dat daardoor de belangen van anderen onevenredig worden geschaad.5 Het kan gaan om het belang van een mede-aandeelhouder, maar ook om het vennootschappelijk belang.6 Uit art. 3:13 BW volgt daarnaast dat de aandeelhouder zijn stemrecht niet mag uitoefenen als hij daartoe gezien de belangen van anderen in redelijkheid niet heeft kunnen komen. Mijns inziens heeft dit strenge leerstuk van misbruik van recht slechts betekenis naast de redelijkheid en billijkheid, indien het kort geding is geëntameerd door een belanghebbende die geen institutioneel betrokkene is en die zich daarom niet op art. 2:8 BW kan beroepen.7 Denk aan een schuldeiser. Het stemverbod zal de totstandkoming van een (bepaald) besluit verhinderen.