Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.5.1
4.5.1 Inleiding
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645033:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, Rn 514, p. 450. Zie ook Koops, AA 2015/12, p. 962. Koops stelt: “‘Vermenging’ is wellicht de slechtst mogelijke omschrijving voor het verenigen van roerende zaken tot één zaak.”
N.v.W., art. 5.2.11., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 108.
TM, art. 5.2.11., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 107. Zie ook: HR 05 oktober 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AB9190, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius).
TM, art. 5.2.10., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 105: “Dit artikel beantwoordt de vraag, wie eigenaar is van de zaak die ontstaat door verbinding van twee of meer roerende zaken, welke aan verschillende personen toebehoren.”
TM, art. 5.2.11., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 107: “Dezelfde onderscheiding die het vorige artikel maakt ten aanzien van de verbinding van roerende zaken, geldt volgens dit artikel voor de vermenging van twee of meer zaken of stoffen, waarbij ‘vermenging’ ook de chemische verbinding omvat.”
Koops, AA 2015/12, p. 962.
Verheul & Verstijlen (2016), p. 80.
Wichers (2002), p. 147.
In N.v.W., art. 5.2.11., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 108.
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 451. Zie ook: Koops, AA 2015/12, p. 964.
HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, r.o. 3.7.5. (Zalco/Glencore).
Steneker, JOR 2015/252, Rn 6. Hij verwoordt het helder. Volgens hem ontstaat alleen geen mede-eigendom na vermenging van soortgelijke zaken “wanneer de eigenaar van de kleinere hoeveelheid geen rechtens te respecteren belang heeft bij die eigendom of wanneer zijn belang niet opweegt tegen het belang van de eigenaar van de grotere hoeveelheid om alleen eigenaar van het nieuwe geheel te zijn.”
HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, r.o. 3.7.5. (Zalco/Glencore).
Als (vloei)stoffen die onderling niet individualiseerbaar zijn met elkaar worden verenigd tot één zaak, is sprake van vermenging.1 Hiervan is bijvoorbeeld sprake als twee gassen in een tank samenkomen of als een bepaalde stof oplost in een andere (vloei)stof, zoals de suiker die oplost in de thee of conserveringsmiddelen die in voedingsmiddelen opgaan.2 Ook als vaste zaken die slechts door vaststelling van maat, getal of gewicht worden verhandeld worden samengevoegd, zoals granen of zand, is sprake van vermenging.3 Voor de beantwoording van de vraag wie eigenaar is van de vermengde zaak, is niet van belang of de vermenging tot stand gekomen is door de eigenaar, een buitenstaander of door een natuurkracht. Dit is slechts anders, als de vermenging gezien kan worden als een verwerking in de zin van art. 5:16 BW (zaaksvorming). In dat geval ontstaat een nieuwe zaak en wordt de vormer door zijn vormende arbeid daarvan eigenaar, mits de kosten van de “vorming” dit rechtvaardigen.4
De wet stelt in art. 5:15 BW dat de regels van natrekking van roerende zaken van toepassing zijn als sprake is van vermenging:
“Worden roerende zaken die aan verschillende eigenaars toebehoren door vermenging tot één zaak verenigd, dan is het vorige artikel van overeenkomstige toepassing.”
Dit betekent dat de eigenaar van de hoofdzaak eigenaar wordt van de toegevoegde zaken: zij zijn bestanddelen van de hoofdzaak geworden. Bestanddeelvorming vindt plaats als de vermenging niet (gemakkelijk) ongedaan kan worden gemaakt of als de samengevoegde zaken naar verkeersopvatting als één zaak worden aangemerkt.5 Als geen hoofdzaak is aan te wijzen, dan ontstaat mede-eigendom. Zo bezien bestaat er nauwelijks een verschil tussen vermenging en natrekking van roerende zaken. In het oorspronkelijke ontwerp van Meijers bestond wel een verschil. De regels omtrent natrekking hadden betrekking op die gevallen waarin twee zaken “door verbinding” aan elkaar vastzaten.6 Van vermenging was volgens Meijers sprake als verschillende stoffen zich met elkaar mengden of chemisch met elkaar werden verbonden.7 Doordat in art. 5:14 lid 1 BW de woorden “door verbinding” zijn geschrapt, is het onderscheid tussen natrekking en vermenging minder duidelijk geworden.8 Bij natrekking gaat het om een verbinding van afzonderlijke zaken die gezamenlijk een zaak vormen, ook al is die verbinding niet hecht. De regeling van de vermenging is een species van de natrekkingsregels en heeft betrekking op gevallen waarin verschillende vloeistoffen of hoeveelheden - zoals gezegd - gezamenlijk een zaak vormen.9 Dat een apart artikel voor vermenging is opgenomen, lijkt vooral om historische redenen te zijn ingegeven.10
Als twee gelijksoortige zaken worden vermengd, dan is blijkens de Nota van Wijziging nooit sprake van een hoofdzaak:
“Worden granen of vloeistoffen van dezelfde of nagenoeg dezelfde soort met elkaar vermengd, bij voorbeeld in een opslagtank, dan zal van een hoofdzaak geen sprake zijn en derhalve overeenkomstig artikel 5.2.10, lid 2 mede-eigendom ontstaan.”11
Heisterkamp merkt hiertegen op dat het vreemd zou zijn als iemand mede-eigenaar wordt van vloeistof in een tank, door een kopje eigen vloeistof erbij te gieten.12 Dit lijkt ook niet te stroken met hetgeen in art. 5:14 BW is bepaald, dat zoals gezegd van toepassing is op de gevallen waarin sprake is van vermenging. Een hoofdzaak is volgens dat artikel de zaak die volgens verkeersopvatting als hoofdzaak is aan te merken of de zaak waarvan de ene hoeveelheid de andere aanmerkelijk in waarde overtreft. De Hoge Raad bepaalde dat de verkeersopvatting bij vermenging van gelijksoortige zaken geen bruikbaar criterium is, wel het criterium van het aanmerkelijke waardeverschil.13 In het voorbeeld gegeven door Heisterkamp is zo’n waardeverschil aanwezig: de bijgevoegde vloeistof is een bestanddeel. In zo’n geval wordt iemand inderdaad geen mede-eigenaar, aangezien hij rechtens geen te respecteren belang heeft.14 Het voorbeeld geeft aan dat gevallen denkbaar zijn waarin sprake is van een hoofdzaak nadat soortgelijke vloeistoffen met elkaar zijn vermengd, maar deze gevallen zijn uitzonderlijk. De Hoge Raad overwoog:
“Mede gelet op de mogelijke rechtsgevolgen - verlies van recht (…) - dient niet spoedig te worden aangenomen dat het waardeverschil tussen de zaken ‘aanmerkelijk’ is.” 15
Met deze zin heeft hij de continuïteitsgedachte verwoord. De zakelijke rechten worden gecontinueerd door niet snel aan te nemen dat een zaak de hoofdzaak is.